De Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje
Nijgh & Van Ditmar
160 pagina's
€ 14.95
ISBN 9038854838
door Daan
Stoffelsen, 4 maart 2007
Er is niets controversieels aan
het lezen van Nescio in Amsterdam, niet als Lolita
in Teheran. J.H.F. Grönloh
was Amsterdammer (‘Goddank’) en zijn romans De Uitvreter, Titaantjes
en Dichtertje (1911, 1915, 1918) hebben iets onschuldigs. Ze stralen
een weldadige weemoed uit, een melancholie die je projecteert op de tijd dat
deze boeken spelen. Het is een soort oneindige studententijd, met net genoeg te
eten (de twee ons boterhammenworst die Koekebakker in
De Uitvreter voor morgen bewaarde, was ‘een rijkdom die ik sedert mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden
geleden’), nachtelijk rondzwerven door stad en land en ellenlange discussies
over God en het socialisme. De sobere, spreektaal benaderende stijl, met
archaïsmen en verkleinwoorden als in de boekjes die je op de basisschool las
sterkt je in die indruk. Als Japi, de uitvreter, Koekebakkers worst ontdekt: ‘“Kerel,”
zei i, “weet je dat je worst in huis hebt?” Of ik ’t
wist.’
Hoe zat het ook alweer? Je hoeft de
beginzinnen maar te citeren voor herkenning. ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik
nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ De Uitvreter,
dat is Japi, een vrolijke nietsnut die geïntroduceerd
wordt in de kleine vriendenkring die ook in Titaantjes zal terugkomen.
Hij leent je editie van Balzac, eet je worst op, ‘een
ordinair volksvoedsel’, en drinkt op je kosten. Hij zwerft wat rond, geniet, doet twaalf ambachten, krijgt een vriendin, maar
wordt er niet vrolijker op. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord, stapt hij van de
Waalbrug.
‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al
zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs
zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’ Titaantjes,
hemelbestormers waren het, deze jongens, ze werden volwassen, en Koekebakker doet hun verhaal. Van de ‘heele
zomernachten’ dat ze ‘tegen ’t hek van ’t Oosterpark stonden te leunen en honderd uit te boomen’. Van lange wandelingen, van discussies waarin niets
heel gelaten werd. Zola, ja, Jaap Maris,
ja. Ze lazen Dante, Prediker, ’t
Hooglied. Ze droomden van een kunstenaarskolonie. En toen
kwamen de baantjes, de gezinnen, het verblijf in het buitenland. En Bavink, de schilder, wordt dus mal, snijdt zijn gezicht op Rhenen, zijn magnum opus, in stukken, en belandt in een
gesticht. ‘En Koekebakkertje is een wijs en bedaard
man geworden. Hij schrijft maar, ontvangt z’n schamel
loon en geeft geen ergernis.’
Bij Nescio is het kleine aanleiding tot genoegen, de maaltijd, de
wandeling, het gesprek over boeken, en grootse ambities worden gerelativeerd in
een sobere stijl. En er mag gelachen worden, ook om fatsoenlijke lui en om God.
Dat, en de weemoedige afstand waarvan zijn werk doortrokken is, dat wordt nog
eens zwaar ingezet bij Dichtertje. Wel is het het
de meest tragische van het drietal.
‘Een groot dichter
zijn en dan te vallen’ is niet de beginzin van Dichtertje, maar het
vat de plot ervan goed samen. Het dichtertje wordt verliefd, hij trouwt, en dan
komt er een dichteresje in zijn leven. Het zusje van zijn vrouw, Dora, wordt verliefd op de oudere, getrouwde dichter, de
spanning stijgt traag, en dan komt de ontknoping, als zij bij hem aanklopt:
‘“Ee, wat doe je?” Hij zat heel stil op den rand van ’t bed tusschen zijn knieën door
naar ’t kleed te staren. Hij stond op: “Dora.” In dat
eene woord was alles en ze hoorde ‘t.
Toen vielen ze samen peilloos diep door ’t licht en ze
voelden hun lijven als zingende zonnen.’
Het loopt uiteindelijk niet goed af met het
dichtertje; ook hij draait door.
Het is geen glorieuze score: twee gekken en
een zelfmoord. Welke weldaad? Hoezo weemoed? Nescio
was controversieel, zijn verhalen schenen te ‘choqueren; ze gooien alle
conventie over boord en lachen met wat voor velen heilig is’. Dat kun je je in deze tijden niet meer voorstellen. Maar het staat er
wel, er is ellende.
Misschien maakt de tragedie de komedie
draaglijker, ik weet het niet, misschien is dat wel de kwaliteit van Nescio, dat hij niet terugdeinst voor de lach en de traan,
maar het met zijn sobere stijl meteen weer relativeert, een weemoedige,
niet-oordelende afstand creëert. Dat is uniek in de Nederlandse literatuur,
maar hij had het niet van een vreemde. ‘Is het dan niet goed voor den mens, dat
hij ete en drinke, en dat
hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is.’ En in het eerste hoofdstuk van
het bijbelboek: ‘Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij
arbeidt onder de zon? Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar
de aarde staat in der eeuwigheid. Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en
zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.’ Nescio
las Prediker, wij lezen Nescio.