Schrijver Nescio

Titel Dichtertje: De Uitvreter : Titaantjes 1 [door] Nescio (J.ILF. Grönioh) (le dr.: 1918)

Jaar van uitgave 1933

Bron N.R.C.

Publicatiedatum 29-11-1969

Recensent A. van Til

Recensietitel De lotgevallen van het dichtertje

Als het in 1946 zeker is dat de derde druk van Nescio's dichtertje opgelegd zal worden, eist de schrijver, die in het dagelijks leven J.H. Grönloh heette, dat in het boek vermeld zal worden dat de drie verhalen in 1918 bij J.H. De Bois in Haarlem zijn verschenen. "Voor mij ", schrijft, "is dat een (heel kleine) daad van piëteit jegens wijlen de heer De Bois, die het boekje destijds heeft uitgegeven in een tijd, toen allerlei andere uitgevers niets in mijn werk zagen." Dat was vijf maanden na de dood van De Bois, die op 4 juni 1946, aldus de schrijver van zijn levensbericht in het Jaarboek van Haarlem, zijn evenwicht verloor, van de trap in het huis aan de kruisweg viel en een oruniddellijke dood vond. In dat huis had De Bois in 1913 een kunsthandel geopend, nadat hij van 1898 tot 1911 werkzaam was geweest bij kunsthandels Van Wisseling en Van Gogh. Kruisweg 68: het huis waarin de exposities ingericht werden van werk van Odilon Redon, Herman Kruyder, Kees van Dongen en zoveel anderen. De Bois is de eerste in Nederland geweest die in 1915 het werk van Kathe Kollwitz presenteerde. Daar schreef hij ook zijn brieven aan Grönioh. Op papier wordt de relatie tussen De Bois en vier jaar jongere Grönloh pas zichtbaar aan het eind van 1917, het jaar waarin het verhaal Dichtertje werd geschreven en voltooid. Hoe en wanneer beide mannen elkaar hebben leren kennen is niet helemaal duidelijk. Zeker is dat een wederzijdse schoolvriend als verbindingsfiguur is opgetreden, maar het moment waarop onttrekt zich aan waarneming. Als een van de zegslieden terecht beweert dat het De Bois is geweest die Grönloh het pseudoniem Koekebakker ontraden heeft, dan moeten ze elkaar in 19 1 0 al gekend hebben: Gronlohs eerste verhaal verschijnt immers in januari 191 1 in De Gids onder de schuilnawn Nescio. De briefwisseling tussen Grönloh en De Bois strekt zich met grote hiaten van 1917 tot 194 1. De brieven van De Bois zijn bewaard gebleven, die van Grönloh zijn waarschijnlijk na de dood van De Bois door onoordeelkundige handen vernietigd. Slecht van enkele brieven heeft Grönloh een kopie gemaakt. Dit alles maakt het ook nauwelijks mogelijk verantwoorde te schrijven over de verhouding tussen de beide mannen. Er is misschien wel reden om de relatie te zien als een mengeling van vriendschappelijkheid en zakelijkheid. Toch krijgt men uit de brieven van De Bois de indruk dat het zakelijk element overheerst, al is men wellicht niet gerechtigd al te ver strekkende conclusies te trekken uit het papieren gebruik van "U" en "Geachte Heer". Zodra in de zomer van 1933 de overdracht aan Nijgh en Van Ditmar heeft plaatsgevonden houdt de correspondentie op; alleen een wat toevallig brieije uit 1941 rest. de gids Ondanks enige bedenkingen van de redactie - o.a. Johan de Meester en mr. J.N. van Hall was De uitvreter in 191 1 in het januarinumrner van De Gids geplaatst. Was het toen al onn-fiskenbaa,r geweest dat dit verhaal niet geheel -beantwoordde aan de ethische principes van De Gids, in 1914 blijkt Titaantjes voor dezelfde redactie aanvaardbaar. Grönloh neemt een onverzoenlijke houding aan, als Johan de Meester te ver gaat in zijn pogingen een verhaal voor

De Gids te behouden door het manuscript ?? te maken. Van Hall meende intussen dat de Meester nog niet ver genoeg gegaan was: van hem kwam het verzoek om overal waar sprake is van God de naam Zeus in te vullen. Dat paste immers nog beter bij de Titaantjes! Was hier al een half jaar gemoeid geweest, de hierop volgende onderhandelingen met Frans Coenen, sinds 1 oktober 1914 redactiesecretaris van Groot Nederland, verlopen al even stroef Coenen tastte de "onvervreemdbare rechten" van de auteur minder rigoreus aan en dit leidde er ten slotte toe, dat de Titaantjes in 1915 in het juninummer werd geplaatst. Opmerkelijk is dat Grönloh toen direkt het plan heeft gehad beide verhalen te bundelen. Coenen sprak hierover met L. Simons, directeur van wereld bibliotheek, maar deze bleek er niets voor te voelen, zolang Grönloh nog geen grote roman had geschreven en op die wijze naam zou hebben gemaakt. Coenen adviseerde Grönloh toen zich in verbinding te stellen met de uitgevers Brusse, Van Dishoeck en Van Looy. Daarover leze men enigszins gechargeerde weerslag in het in Boven het dal opgenomen fragment. Flip, Flip die tien jaar had beweerd dat hij een boek zou schrijven, vertelt op een ogenblik dat hij "doende was met de uitgever". "De man liet 'm maanden wachten en schreef toen datti van een uitgave moest afzien. Daarna probeerde Flip vijf andere uitgevers die elf maanden nodig hadden om 't boek niet uit te geven." Enzovoort. Eind 1917 is de situatie volkomen anders. Het derde oorlogsjaar heeft een derde verhaal opgeleverd en het vooruitzicht op publikatie van de drie verhalen in boekvorm. Even heeft het erop geleken dat Dichtertje nog in Groot Nederland zou verschijnen zonder proloog, waartegen Coenen en Couperus(!) onoverkomelijke bezwaren hadden. de uitgave Dichtertje kwam op 6 april 1918 van de pers; het boek was uitsluitend ingenaaid te verkrijgen en kostte drie gulden. De Bois betaalde Grönloh per exemplaar dertig cent, een honorarium van fl 150 dus. Van de kosten kan men zich een beeld vormen, als men weet dat 5 0 pct. van alle aanrnaakkosten gedekt blijkt te zijn op het moment dat er 1 19 exemplaren verkocht zijn. Ruwweg heeft de uitgave van Dichtertje De Bois zo'n zeshonderd gulden gekost. Hoe De Bois de diverse goede zaken in Haarlem, Den Haag, Amsterdam en Rotterdam bewerkt heeft bij de vooraanbieding van Nescio's Dichtertje, valt niet met zekerheid te zeggen. In elk geval genoot hij zo veel vertrouwen dat het boek van de niet-erkende uitgever naast dat van zijn erkende collega in de etalage kwam te liggen: een van Grönlohs vrienden ontdekte Dichtertje "in de derde boekenwinkel op 't Rokin, van 't Spui af. De eertse recensies verschenen in april. Scharten in De Telegraaf, H.J. Stratenmeyer in De Avondpost. "Weet u dat er een heer is geweest die in bekend groot blad 't Dichtertje' een 'faust in miniatuur' heeft genoemd? Erger kan 't toch al niet", schrijft Grönloh later in een brief, daannee genoemde Stratemneyer op de korrel nemend. Eind mei blijkt de verkoop nog niet overrompelend, maar het boek heeft de aandacht getrokken. Den Haag neemt goed af, over de Amsterdamse boekhandel is De Bois slecht te spreken. De "fluistercampagne " zet in: Matthijs Vermeulen, Jan Greshoff, Jan van Nijlen en Victor van Vriesland zijn de lezers van 't eerste uur. Een enkele maar van hen Van Vriesland - legt zijn indrukken vast. In augustus 1919 zijn er 119 exemplaren verkocht. Het aantal recensies- en presentexemplaren bedroeg ongeveer 40, zodat er op dat ogenblik ca. 159 exemplaren "onder de mensen" zijn. De Bois is niet ontevreden, maar Grönloh lijkt teleurgesteld-, hij vindt zijn boekje door de beperkte verspreidingsmogelijkheden waarover De Bois beschikte toch teveel in de schaduw gebleven. Als nog in 1919 voor een toevallige omstandigheid een vluchtig contact tussen Grönloh en Doeke Zijlstra, directeur van de afdeling boekuitgaven van Nijgb en Van Ditmar, ontstaat, doet Zijlstra, die erg enthousiast is over Dichtertje, hem het voorstel opnieuw werk bij Nijgh en Van Ditmar uit te geven. Daar komt niets van, maar wel heeft Grönloh met de gedachte gespeeld dat de Rotterdamse finna de uitgave van Dichtertje zou overnemen. stilstand en stijging Overigens is De Bois steeds weer heel actief. Op bescheiden wijze maakt hij propaganda voor het boek, o.a. in zijn huisorgaan. Eind november 1919 geeft hij 150 exemplaren in consignatie aan een aantal goede zaken; tweejaar later blijkt een aantal exemplaren dat zich "onder de mensen" bevindt, te zijn opgelopen tot ca. 290. Daarmee schijnt de markt verzadigd. In de jaren 1922 tot 1928 stijgt de verkoop van Dichtertje niet

noemenswaardig: in maart 1927 zijn er 321 exemplaren in omloop. Deze stilstand in de verkoop correspondeert met een duidelijke waarneembare impasse is de waardering van Nescio, althans voor zover deze zich in geschrift uit. Die parallellie treft opnieuw - maar nu in gunstige zin - in de jaren 1928 tot 1932. De nog altijd onbekende auteur - de redactieleden van De Gids en Groot Nederland hebben voortreffelijk gezwegen - komt in opspraak, als zijn werk bij herhaling aan Nico Eisenloeffel wordt toegeschreven. Men leest nogal eens, dat Grönloh zich pas de herdruk van Dichtertje in 1933 bekend heeft gemaakt. Daar waren echter al twee publikaties aan vooraf gegaan, resp. in februari 1929 en oktober 1932, beide keren in de NRC, de eerste maal door De Bois opgesteld, de tweede maal door Grönloh zelf. Voeg daarbij nog enkele literair-kritische publikaties en het zal aannemelijk klinken dat het verkoopcijfer in deze jaren nog gunstiger verloop toont dan voor 1928. De Bois wordt hierdoor zo optimistisch gestemd dat hij tot enige keren toe herdruk beraamt. Als de voorraad in april 1932 tot 62 exemplaren is geslonken en zich daarmee de noodzaak van herdruk aandient, lijkt het er even op dat de verschijning van een tweede druk slechts een kwestie van tijd zal zijn. Zakelijke moeilijkheden verhinderen De Bois het plan uit te voeren. FEj stelt Grönloh voor eerst alleen De Uitvreter - met houtsneden - te herdrukken en later, als de zaken weer beter gaan, de hele bundel. Ffij probeert zich als uitgever van de verhalen te handhaven, maar kan het ten slotte niet verhinderen dat Grönloh naar andere mogelijkheden uitziet. Als het eenmaal zover is, handelt Grönloh De Bois uiterst loyaal. Na vastgelopen besprekingen met de Wereldbibliotheek en Van Loghem Slaterus is het De Bois die contacten met Nijgh en Van Ditmar legt. In juni 193 3 bezoekt Doeke Zijlstra Grönloh; een nauwelijks een maand later is de zaak rond. Dat Van Vriesland - die de tekst van het prospectus bij de tweede druk schreef - en Ter Braak - die het boek nog niet langer dan een half jaar kende, maar erg geestdriftig was -, Zijlstra's besluit beïnvloed hebben, behoeft men niet aan te vechten; of Zijlstra - die in 1919 ook al ander werk van Nescio had willen uitgeven - zich daardoor heeft laten lijden is een tweede. Men krijgt veeleer de indruk dat hij geheel zelfstandig te werk is gegaan. "Z. schreef ook, dat hij een tweede druk van Nescio uitgeeft", schreef Ter Braak op 21 juli 1933 aan Du Perron (Briefwisseling 1930-1940, deel l@ blz. 1 15). Begin 1933 verschijnt Dichtertje bij Nijgh en Van Ditmar in een oplaag van 2000 exemplaren prijs ingenaaid fl 2,35, gebonden fl 3,40. Bij de vooraanbieding aan de boekhandel blijken velen met auteur en boek onbekend. Of op het ogenblik dat de herdruk was verschenen, de laatste exemplaren De Bois' magazijn verlaten hebben is niet zeker. In 1941 beschikt De Bois nog over een antiquarisch exemplaar, dat hij in een Utrechts stalletje heeft gevonden. In zijn catalogus biedt hij het aan voorfl 5,50. Tientallen jaren is Nescio (1 882-196 1) een schrijver voor schrijvers geweest - en hij is dat nog. Buiten schrijverskringen is de waardering langzaam op gang gekomen. De versnelde beweging wordt in de jaren vijftig zichtbaar, maar pas de verschijning van Boven het dal - enkele maanden voor Grönlohs dood - markeert die ontwikkeling definitief. De opslagcijfers van zijn werk getuigen ervan. Over de mens J.H.F. Grönloh is weinig bekend. Om in de lacune enigszins te voorzien, heeft het Letterkundig Museum een van zijn Schrijversprentenboeken aan Nescio gewijd, dat op deze pagina besproken wordt door onze medewerker Henk Buurman. Daarnaast vroegen wij een bijdrage aan de heer A. van Til, die in opdracht van de regering aan een Nesciodocumentatie werkt. Uit de spaarzwne brieven die bewaard zijn gebleven in Grönlohs eigen nalatenschap, construeert hij de "lotgevallen van Dichtertje", d.w.z. de totstandkoming van de eerste boekuitgave van Nescio's debuutbundel, het langzame proces van de ?? en de omstandigheden die leidden tot de tweede druk in 1933.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1