De versmade novelle.
Mulisch' debuut eindelijk herdrukt
Jeroen Vullings
,,Geven jullie een boek uit of een schrijver?'' vroeg Harry Mulisch de twee uitgevers van De Bezige Bij die hem bij de uitreiking van de Reina Prinsen Geerligsprijs in 1951 benaderden om Archibald Strohalm in druk te laten verschijnen. Ze antwoordden direct: ,,Een schrijver.'' Waarmee ze zich verplichtten alles van Mulisch uit te geven. tegenwoordig in zich een oeuvre-bouwende schrijver te worden, laat staan/* een*/ de evenknie van Mulisch.*/
Debuteren is nu veel makkelijker dan vroeger, krijg ik de indruk uit Kees de Bakkers Mijn eerste boek, een journalistiek opgeschreven reconstructie van de aanloop tot dertig schrijversdebuten. Mulisch had bij voorbeeld de grootste moeite een uitgever voor zijn werk te interesseren. Voor de publicatie van Archibald Strohalm (1952) kende hij een periode van vijf en een half jaar afwijzingen en tegenslagen. In 1947 is een fantastisch verhaal van zijn hand, ,,De kamer'', in Elseviers Weekblad gepubliceerd. In datzelfde jaar schreef hij twee novellen, Ik, Bubanik en Tussen hamer en aambeeld, maar geen tijdschrift of uitgever wilde ze. Het heeft hem geenszins verbitterd: ,,Ik dacht over de uitgevers: Jullie lullen je maar suf, ík ben de schrijver. Ik wist dat het best in orde was.''
Archibald Strohalm was niet zijn eigenlijke debuut in boekvorm. Een maand daarvoor verscheen toch de novelle Tussen hamer en aambeeld bij De Arbeiderspers, in de Boekvink-reeks ,,Literatuur in miniatuur''. De novelle werd ooit herdrukt in Mulisch' verzamelbundel De verhalen 1947-1977. Pas onlangs kwam er een tweede druk van uit, in boekvorm, met een uitvoerig nawoord van literair criticus Arnold Heumakers bij uitgeverij Conserve. Eerder verscheen in dat fonds de debuutroman van W.F. Hermans, Conserve.
Bij deze herdruk van Tussen hamer en aambeeld koos Mulisch voor de nieuwe, herschreven versie uit 1977. De auteur staat inmiddels klaarblijkelijk vierkant achter dit jeugdwerk. Toch spreekt dat niet zo voor zich, want in een interview in 1960 liet hij al los dat de novelle gemaakt is voordat ook maar de voorwaarden voor zijn schrijverschap aanwezig waren.
In Voer voor psychologen (1961) noemde hij het ronduit een ,,lor'': ,,Om mij te oefenen in 'vorm' schreef ik de novelle Tussen hamer en aambeeld, - een bewuste poging om alleen maar een 'verhaal' te schrijven, zonder hogere ballast. Als zodanig heeft het zijn dienst gedaan, verder is het een lor.'' De Arbeiderspers kreeg van hem geen toestemming de novelle te laten herdrukken. In de tweede Anekdoten rondom de dood (1966) had hij het over Tussen hamer en aambeeld, ,,waarvan de titel door mijn vader is bedacht en die hierbij geannuleerd en doodverklaard is. Zij mag nooit worden herdrukt, niet in het verzameld werk voorkomen, heeft nooit bestaan.''
Later werd hij milder. In Mijn getijdenboek (1975) schrijft hij: ,,Wat bezielde mij in hemelsnaam? Waar haalde die grijsaard van bijna veertig jaar het recht vandaan om zo hard te oordelen over het werk van een negentienjarige? Het was toch zijn verhaal? Blijkbaar had ik mij inmiddels zelf ook bij die afwijzende wereld van toen gevoegd - en ook toen was ik er gelukkig doorheen gebroken. Daarom (verjongd door het boek dat ik momenteel onder handen heb) herroep ik nu het testament, roep het verhaal op uit de doden en bepaal dat het best in mijn opera omnia mag voorkomen. Natuurlijk wel. De titel is heel goed, en het verhaal behelst een opmerkelijk voorgevoel van de naderende koude oorlog. Zo, dat is ook weer geregeld.''
Nu, is het ding écht een lor? Nee, zegt Heumakers voorzichtig, maar het is ook geen ,,onbetwist meesterwerk''. Het gaat over een Russische soldaat die tijdens het wachtlopen aan de Oostenrijks-Tsjechische grens per ongeluk een Engelse diplomaat doodschiet. De geallieerde pers roept om vergelding en zijn Russische superieuren zetten hem dan ook voor het vuurpeloton. Een aardig verhaal, dat alleen enig belang krijgt door het magistrale oeuvre dat daarna verscheen. Dat is vermoedelijk ook Mulisch' mening - en de reden waarom hij de novelle uiteindelijk gratie schonk. In Voer voor psychologen schrijft hij namelijk dat een boek dat eenmaal geschreven is, niet voor altijd onveranderlijk blijft. Zo'n boek verandert met elk nieuw boek dat de auteur aan zijn oeuvre toevoegt.
De veranderlijkheid van de schrijver Mulisch is, als ik het goed begrijp, ook de centrale idee van de leraar Jos Buurlage die de dissertatie Onveranderlijk veranderlijk schreef. De ondertitel luidt: Harry Mulisch tussen literatuur, journalistiek, wetenschap en politiek in de jaren zestig en zeventig.
Zijn studie is een aanvulling op het proefschrift over Mulisch van Frans de Rover, De weg van het lachen. Die heeft namelijk in zijn boek de in de jaren zestig verschenen titels van Mulisch terzijde geschoven, omdat het daarbij om journalistiek werk zou gaan. Onzin, zegt Buurlage, ,,de reporter uit de jaren zestig en zeventig heeft in mijn ogen echter zoveel met de literatuur uit de jaren vijftig gemeen, dat het me onjuist lijkt a priori de 'documentaires' van de verhalen en romans te scheiden.'' Nogal wiedes bij een auteur als Mulisch die de samenhang binnen zijn oeuvre tot iets mythisch verheven heeft.
Buurlage gaat heel breedvoerig, uitleggerig, met academische omzichtigheid maar gedegen in op onder meer de Mulisch-boeken over respectievelijk Adolf Eichmann, Wilhelm Reich, Cuba, de spellingsvernieuwing, de Provo-tijd. Hij concludeert dat de altijd op verandering beluste grensoverschrijder Mulisch boeken schrijft als ,,een dwaallicht dat de lezer op avontuur stuurt in het grensgebied van feiten en fictie''. Dat brengt hij in zijn werk tot stand door ,,de verwerking van actuele gegevens uit de sociaal-politieke context'', ,,de belichting van (on)mogelijkheden tot ontwikkeling'' en ,,het gebruik van destabilisatietechnieken''.
Waarom juist de jaren zestig? ,,De maatschappij kwam in beweging en hij zag kans als auteur met onconventionele teksten bij te dragen aan een veranderingsproces met een mogelijk explosief effect. Telkens zette hij een nieuw masker op om zijn publiek te kunnen verrassen, provoceren, prikkelen tot verandering. Achter die maskers bleef Mulisch dezelfde. Consequent pleitend voor metamorfose. Onveranderlijk veranderlijk.''
Het is de vraag of Mulisch bij z'n opmerking dat een uitgever geen boek maar een schrijver moet uitgeven, gedacht heeft aan wat zijn oeuvre aan bijproducten zou oproepen: de jubileumuitgaafjes, parafernalia, gelegenheidspublicaties en knoestige studies over zijn werk. Het is vooral voer voor de verzamelaar die iedere letter van en over deze literaire mastodont koestert.
KEES DE BAKKER, Mijn eerste boek: dertig schrijversdebuten, Conserve, Schoorl, 250 blz., 795 fr.
JOS BUURLAGE, Onveranderlijk veranderlijk. Harry Mulisch tussen literatuur, journalistiek, wetenschap en politiek in de jaren zestig en zeventig, De Bezige Bij, Amsterdam, 286 blz., 900 fr.
HARRY MULISCH, Tussen hamer en aambeeld. Met een nawoord van Arnold Heumakers, Conserve, Schoorl, 126 blz., 795 fr.