Hoop op oogst o Vlaanderenland. ERWIN MORTIER, Marcel
Verbluffende debuutroman van Erwin Mortier
Lucas Vanclooster
Misschien had Meulenhoff beter nog een jaar gewacht met de publicatie van Marcel, de verbluffende debuutroman van Erwin Mortier. Dan had ik het kunnen hebben over een nieuwe eeuw, een nieuw geluid. Al op de eerste bladzijde verrast de jonge Vlaamse auteur Erwin Mortier (Nevele, 1965) met een filmische beschrijving van een oud huis, een landschap, en met een quasi achteloos neergeschreven zinnetje als ,,de kelder bewaarde, de zolder vergat''. 140 bladzijden lang houdt hij de belofte vol. Marcel is een knappe kleine roman, in onmodieus rijk Nederlands tot een verrassende en aangrijpende plot gecomponeerd, vol nostalgie, bittere Vlaamse collaboratiegeschiedenis en hilarische humor.
Marcel is een gesneuvelde oostfronter. De ik-persoon, zijn negenjarige naamloze achterneef, wordt opgevoed door zijn grootouders, ex-collaborateurs. Grootmoeder is de oudste zus van de diep betreurde held. Oma en opa hebben elkaar leren kennen na een vooroorlogs nationaal zangfeest in een brasserie, waar ze aan de uitbater vroegen om zijn prijskaarten te vervlaamsen. Zo werd een ,,souffl� grand marnier'' een ,,opgeblazen matroos''. Was grootvader zijn hele leven weinig meer dan een opportunistische meeloper, dan behoort zijn vrouw tot een fel-idealistisch en semi-intellectueel Vlaams milieu, afkomstig uit een verre landelijke uithoek in Oost-Vlaanderen, maar hevig verlangend naar de stad. Een paar familieleden en kennissen hebben de sprong naar een buitenwijk van de provinciehoofdplaats gewaagd, om er een erg dorpse tabaks- en papierwinkel of een groothandel in stoffen te drijven. Anderen zijn na een mislukt verblijf in Brussel weer buiten aanbeland, onder meer de ongetrouwde onderwijzers Veegaete.
Erwin Mortier laat een omvangrijke familiefoto opdraven: levende en half-overleden ooms, neven, nichten en tantes, maar vooral enkele prominent aanwezige doden.
Het sterke verhaal laat zich op twee tijdsniveaus lezen. Het nu, gesitueerd begin jaren zeventig, baadt nog in een achterlijke sfeer die aan de fifties doet denken. In de Ford Anglia hangen veiligheidsgordels, het boek Wierook en Traangas prijkt op de plank, de pastoor draagt nog een soutane, de jeugd al gekleurde slips, terlenka broeken en lang haar dat oogontstekingen veroorzaakt. Maar met hun van wrange woede doortrokken verhalen nemen de oudere personages de kleine neef - en de lezer - voortdurend mee naar de jaren vlak voor, tijdens en net na de oorlog.
Mortier suggereert dat de familie zwaar is getroffen door de repressie. Hij schetst een welhaast parallelle samenleving en economie van solidaire ex-collaborateurs die hun idee�n nooit hebben verloochend, en die hun doden koesteren. De grootmoeder is de spin in het web van niet vervulde dromen en mislukte avonturen. Iedere week stoft zij het aangroeiende peloton fotolijsten van de clan in een ijzeren hi�rarchische volgorde af. De negenjarige getuige raakt almaar sterker in de ban van het verleden, ook omdat iedereen beweert dat hij zo goed op Marcel lijkt, die ergens in bevroren sovjetgrond rust. Marcel wordt een gesublimeerde vader-figuur.
In acht afgemeten hoofdstukken strooit Erwin Mortier met subtiele details, onduidelijke puzzelstukken, verkeerd begrepen of half-doorgedrongen insinuaties en duister gefluister, evenveel bouwstenen van de beklemmende ontknoping. Pas in de allerlaatste alinea vloeit uiteindelijk alles samen, en brengt de ik-figuur het enige eerherstel dat Marcel kon krijgen. Op die manier gaat het cyclisch van begrafenis naar begrafenis. Ontroerend hoe de kleine scholier, vertrekkend van een vervaagde foto van Marcel, een humane geschiedenis bouwt rond zijn grootoom en hem uiteindelijk in vrede laat rusten. Schijnbaar achteloze details en geestige opmerkingen krijgen in de loop van de novelle een verklaring: waarom er in de tuin van de grootouders tussen bloemen en heesters, altijd weer aardappelen opschieten, bijvoorbeeld.
De collaboratiesfeer krijgt langzaam vorm, van de kleine replica van de IJzertoren tussen de foto's, de kapotgeslagen knie�n van grootvader, tot de brief met als poststempel een adelaar met swastika. Op alweer een begrafenis van een foute oom ,,zwaaide een schare gekniebroekte jongelingen zo dapper met leeuwenvlaggen dat er een stevige bries door het kerkschip woei''. De geslagen familie is vooral niet te spreken over rijke nieuwe-orde-aanhangers die op tijd hun kazak draaiden - vlasfabrikanten, die de stof mochten leveren voor de gestreepte plunjes in het concentratiekamp. Opvallende symboliek ook van Mortier als hij het over de tuin heeft, over planten en wieden, over aarde en zaden in de grond (hoop op oogst o Vlaanderenland).
Intussen wordt de wereldvreemde knaap ook emotioneel ingewijd. Hij verbaast zich over de voluptueuze vormen van zijn lerares, juffrouw Veegaete, die haar jurken en bloezen laat maken in het artisanale naaibedrijfje van zijn grootmoeder. Hij is haar lieveling, maar op het einde van het schooljaar laat ze hem ,,wreed'' vallen. Haar Franstalige Brusselse nichtje brengt hem in verwarring als hij haar op zolder - zijn lievelingsplek en vluchtoord waar ook de zware kleren hangen van de overledenen - een suikerneus, een ,,cuberdon'', aanbiedt, en het verwende nest als het ware onder het fruitbloed raakt. Ook ontluisterend is de les tongzoenen die de jongen krijgt van zijn oudere neef Wieland (!). Voor dit alles vindt Mortier altijd precies de juiste woorden. Zijn enigszins archa�sche taalgebruik is nooit gratuit en de dialogen, soms in ,,verbeterd'' dialect (,,geen beter scharen dan Sheffield Stiel'') en doorspekt met landerige dooddoeners en volkse wijsheden (,,natuurlicht bedriegt niet''), wijzen op de moeizame communicatie en de loden last van het verleden in de gesprekken.
Enkele passages maken kans klassiek te worden, onder meer die in het naaiatelier waar juffrouw Veegaete haar bloezen en rokken komt passen, het bezoek aan de onvermijdelijke tante non (,,het anemisch knaagdier des Heeren''), de weelderige culinaire Vlaamse boerenfestijnen en de bijpassende spijsverteringsproblemen. ,,Af en toe steeg uit haar inwendige een donker geklok op, alsof in de diepten van haar buik, onder haar florale rok, een dikke pap van grot naar grot droop''.
Psychologisch klopt het portret van het kind niet altijd. Het is zeker geloofwaardig dat hij in de klas en in het naaiatelier - de twee milieus vloeien ,,naadloos'' in elkaar over - gluurt naar en fantaseert over de witte dijen en de marmeren billen van zijn juf, de enige min of meer aantrekkelijke vrouw in zijn biotoop. Maar de fantasie�n over haar borsten en tepels komen allicht op de eerste plaats uit de pen van de auteur. En of een jongen van nog geen tien bij de foto van een pafferig individu in Waffen-SS-uitmonstering zou denken aan ,,een kruidenier die soldaatje speelt'', vraag ik me ook af. Af en toe laat Mortier zich meeslepen door de eigen ongebreidelde taalvirtuositeit (er is geen ander woord) en de lezer voelt dat de auteur zich met een aantal groteske sc�nes zelf kostelijk heeft geamuseerd. Hilarisch is de mise-en-plis die de grootmoeder krijgt met behulp van warme lucht uit een wel onverwacht hulpstuk: ,,Met een air van gewicht liep Stella op de stofzuiger af en drukte op de knop alsof ze een nieuw type raket mocht lanceren.'' Niettemin, Hitchcock zei het al: ,,kill your darlings'', en de man wist iets af van structuur en spanning. Zo leiden in Marcel een handvol foutjes en overdrijvingen de aandacht soms iets te lang af van een verder uitzonderlijk sfeervol, sterk uitgewerkt geheel. De vele geestigheden die de na�eve blik van de jongen vangt, relativeren het beladen thema. Marcel laat verlangen naar meer van de jonge Erwin Mortier... tot ver in de volgende eeuw.
ERWIN MORTIER, Marcel, Meulenhoff, Amsterdam, 144 blz., 598 fr.
Terug