De Standaard 6 februari 1997

Bis! Bis!

Adriaan Morriën legt zijn thema's nog eens bloot

ADRIAAN MORRIËN
Ik heb nu weer de tijd
De Arbeiderspers, Amsterdam
311 blz., 795 fr.

,,Ik wil niet oud worden, maar wel lang leven,'' schreef Adriaan Morriën ooit. Inmiddels is hij al héél lang jong: Morriën werd in 1912 in IJmuiden geboren. De laatste halve eeuw woont hij aan de Plantage Muidergracht in Amsterdam. Plantage Muidergracht was ook de titel van een eerste deel ,,mengelwerk'' dat hij in de reeks Privé-Domein liet verschijnen. Een tweede deel is net verschenen, met meer van hetzelfde.

,,IK BEN IN STAAT voor mezelf te zorgen, te koken, te schrijven, en, als het nodig is, trappen te beklimmen'', laat Adriaan Morriën (84) in z'n jongste boek weten. En vooral: ,,Het liefkozen gaat mij nog altijd gemakkelijk af.''
Evident is dat allemaal niet, want als jongeman heeft Morriën de dood een paar keer in de ogen gekeken. Het besef van vergankelijkheid is dan ook intens met zijn schrijven verweven. Plantage Muidergracht, het autobiografische geschrift dat hij in 1988 publiceerde, ving aan met een verhaal uit zijn vooroorlogse sanatorium-tijd. In 1930 werd bij hem tbc gediagnostiseerd. Na veel kuren genas hij; hij hield er wel een zwak voor lotgenoot Kafka aan over.
Morriëns nieuwe autobiografische boek, Ik heb nu weer de tijd, begint ook met een gezondheidsrapport. Twaalf jaar geleden stelde de dokter bij hem een longemfyseem vast, wat kortademigheid veroorzaakt. Maar daar valt dus, gezien het liefkozen hem nog makkelijk afgaat, mee te leven.
Twee jaar geleden zat er een verontrustende vlek op zijn longen, maar het bleek uiteindelijk toch geen tumor. Een dag na die verlossende mededeling kocht Morriën een nieuwe polshorloge: ,,Ik heb nu weer de tijd.'' P> DE dichter Adriaan Morriën debuteerde in 1939, maar omdat de oorlog vervolgens zijn carrière bevroor, trok hij in feite met de eerste naoorlogse schrijversgeneratie op. Hij was als adviseur van De Bezige Bij nauw betrokken bij het debuut van de koplopers van die generatie, Van het Reve en W.F. Hermans, allebei negen jaar jonger. Over uitgerekend die twee laat Morriën zich voor zijn doen buitengewoon kritisch uit in zijn geschriften. In Plantage Muidergracht kreeg hij de bekering van Reve, ,,het type van de dubieuze auteur'', niet verteerd: ,,Het katholicisme van Gerard Reve: de ratten betreden het zinkende schip.''
In Ik heb nu weer de tijd neemt hij een 41 jaar oud pamflet op dat hij tegen W.F. Hermans schreef. Met Hermans had hij samen aan het tijdschrift Criterium gewerkt, maar ze waren gebrouilleerd geraakt. ,,Een oud-testamentische godheid'' heet het hoofdstuk over Hermans nu (,,Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben'', Exodus 20:3). Morriën zegt daarin rake dingen over de gelijkhebber Hermans, maar dit soort polemiek gaat hem duidelijk niet af; wat Morriën beter kan, is bewonderen.
Zelf groeide Morriën nooit door tot het formaat van Reve of Hermans. De dikke roman bleef uit, hij hield het bij miniaturen. Morriën situeert zichzelf met z'n ,,kruimelwerk'' in de periferie; om naar de kern door te stoten had hij te veel twijfels, over zijn geschrijf, over het schrijven in het algemeen.
Bovendien, voert hij zelf aan, moest hij voor zijn gezin de kost verdienen: ,,Zo kwam ik in de literaire journalistiek terecht, het klusjeswerk van een man die met vier, vijf dingen tegelijk bezig is en het grote uitstel bestendigt waarmee hij is begonnen.'' Ik citeer uit Plantage Muidergracht, waarin hij over het ,,echec'' van zijn schrijverschap heel relativerende dingen schreef, die hij ook in interviews bleef herhalen. Tegenover Joost Zwagerman bijvoorbeeld: ,,Kunst wordt, het zij met eerbied gezegd, gemaakt door opscheppers. Ik demp mijn opschepperij, dat is mijn handicap, mijn manco. Daarom zoek ik het in het detail, de verinniging. Terwijl ik weet dat het noodzakelijk is om jezelf te overschatten.''

DOOR het publiek wordt de tachtiger Morriën niet onderschat. Ik heb nu weer de tijd lijkt erg op een bisnummer. Het publiek dat Plantage Muidergracht gunstig had onthaald, en sindsdien bleef grinniken bij de vele interviews die Morriën, gecast als het nog danig potente oudje, blijmoedig en veelvuldig gaf, heeft hem teruggeroepen voor nóg een Morriën-medley. De lezers waarderen Morriëns openhartigheid over zijn promiscuïteit, zijn incestueuze gevoelens, zijn hoerenloperij, en zijn geslachtsdrift in het algemeen. In zijn nieuwe boek valt te lezen dat genoemde drift zo groot is dat hij die, wil hij kunnen werken, ,,dikwijls eigenhandig'' uit de weg moet ruimen. Het dient gezegd dat die openhartigheid er ook vele jaren geleden al was, in een tijdperk dat ze veel minder werd gewaardeerd.
Morriën heeft nu wel weer de tijd, maar erg veel nieuw materiaal is er niet. Hij recycleert oude teksten, uit Cryptogram (1968) en Lasterpraat (1973) bijvoorbeeld, publicaties die hij ook al ten behoeve van Plantage Muidergracht had geplunderd.
Hij vlooit er ook weer oude journaals op na, dit keer van 1943 - ,,Hoornik en Den Brabander zijn opgepakt.'' - tot 1953: ,,Corneille op bezoek [...]. Is gebrouilleerd met Appel, ziet hem weinig, hoort hem wel zijn tanden poetsen (zij wonen op een zolder door een schot gescheiden).''
Voorts kon Morriën ook putten uit vele columns voor NRC Handelsblad en Het Parool. De thema's zijn, zoals in z'n hele oeuvre, altijd eender: zijn bewondering voor ,,de'' vrouw, zijn verlangen naar de eeuwige jeugd, zijn lofzang op de zinnelijkheid, beknopte verslagen van een voyeur, observaties van het literaire leven.
Rob Molin publiceerde in 1995 een uitgebreide studie over Morriën (Adriaan Morriën en het heelal in de huiskamer. De opvattingen van een eigenzinnige literatuurcriticus, bij De Geus), en meldde toen al ,,dat de laatste jaren in de NRC stukjes verschijnen die vrijwel gelijk zijn aan de zo'n 35 jaar eerder gepubliceerde in Het Parool. Dit zou erop kunnen wijzen, dat Morriën feitelijk niets meer aan zijn oeuvre heeft toe te voegen.''

MORRIËN heeft een goede, klassiek geschoolde pen, en hij heeft onmiskenbaar een aforistische kracht. ,,Alleen een mug kan een mug maken'', staat er plots. Of: ,,Verliefdheid is de overdrijving van een gevoel dat zonder die overdrijving niet zou bestaan.''
Maar er vallen ook onfortuinlijker voorbeelden te citeren. Een notitie als: ,,Hij zou haar wel drie eeuwen kunnen aaien, kussen en met haar vrijen. Misschien wel vier eeuwen.'', heeft, ook al is ze speciaal weer diep uit z'n oeuvre naar boven gehaald, inhoudelijk noch vormelijk wat te bieden.
,,Ik schrijf over verschijnselen'', schrijft Morriën. ,,Welbeschouwd ben ik een fenomenoloog, niet een filosofische, maar een praktische, ambachtelijke, die vaak met een groot zintuiglijk plezier zijn waarnemingen verricht, het begin van alle kennis.''
Je zou, als je een tijd door die beschreven verschijnselen zit te waden, Morriën wel eens wat verder willen zien geraken dan dat begin van alle kennis, voorbij de goed opgeschreven observatie. P> WAT mij moeiteloos door de wat saaiere, al te vlakke afdelingen heeft gesleurd, is de wetenschap dat Morriën als chroniqueur van het literaire leven op tijd en stond een krent uitdeelt. Hij is een verdienstelijk archivaris van het Nederlandse literaire leven. Drukt hij een beroemd schrijver de eerste keer de hand, dan denkt hij meteen al aan de necrologie die hij zal schrijven.
Morriën heeft hier het voordeel van de overlever: hij heeft nog een lezing meegemaakt van Henriëtte Roland Holst, hij zat nog bij het ziekbed van Arthur van Schendel, hij gaf Menno ter Braak nog een hand. Via Gruppe '47 reiken zijn contacten trouwens ook tot in het Duitsland van Martin Walser en Günter Grass: Morriën laat nóg eens weten dat hij verliefd geweest is op Anna Grass, de eerste vrouw van Günter Grass.
In Plantage Muidergracht waren de literaire anekdoten al behendig door de tekst gestrooid. Toen ging het over Bomans (,,Ik herinner mij een uitspraak van Godfried Bomans: 'Wat ik met mijn vrouw heb, gaat niemand wat aan.' Ik dacht ogenblikkelijk: 'Dat zal dan wel niet veel bijzonders zijn.''') of Kouwenaar (,,Gerrit Kouwenaar toen de blinde dichter Jan Wit een reisbeurs kreeg: 'Zeker om zijn blik te verruimen.''').
Nu duikt al eens een recentere naam op: ,,Frans Pointl belde mij op (het was kort na zijn optreden bij Adriaan van Dis). Hij bezwoer mij zijn geheime telefoonnummer aan niemand te vertellen. Ik zei hem dat ik zijn geheime telefoonnummer helemaal niet had. 'O,' riep hij, 'dan zal ik het je geven.' Hij gaf mij zijn geheime telefoonnummer en bezwoer mij opnieuw het aan niemand te vertellen.''
Morriën neemt in Ik heb nu weer de tijd ook enkele oudere literaire gesprekken op, met Vroman, met Hanlo, bijvoorbeeld. Ze zijn de moeite waard, onder andere omdat ze goed wat gekte tolereren.
O jawel, Adriaan Morriën heeft zijn bisnummer verdiend.
Mark Schaevers


DS Infobib DS Home

[ Infobib ] [ DS home ]

Hosted by www.Geocities.ws

1