ADRIAAN MORRIËN
Ik heb nu weer de tijd
De Arbeiderspers, Amsterdam
311 blz., 795 fr.
,,Ik wil niet oud worden, maar wel lang leven,'' schreef Adriaan Morriën
ooit. Inmiddels is hij al héél lang jong: Morriën werd in 1912 in IJmuiden
geboren. De laatste halve eeuw woont hij aan de Plantage Muidergracht in
Amsterdam.
,,IK BEN IN STAAT voor mezelf te zorgen, te koken, te schrijven, en,
als het nodig is, trappen te beklimmen'', laat Adriaan Morriën (84) in z'n
jongste boek weten. En vooral: ,,Het liefkozen gaat mij nog altijd
gemakkelijk af.''
DOOR het publiek wordt de tachtiger Morriën niet onderschat. Ik
heb nu weer de tijd lijkt erg op een bisnummer. Het
publiek dat Plantage Muidergracht gunstig had onthaald, en sindsdien
bleef grinniken bij de vele interviews die Morriën, gecast als het nog
danig potente oudje, blijmoedig en veelvuldig gaf, heeft hem teruggeroepen voor
nóg een Morriën-medley. De lezers waarderen Morriëns
openhartigheid over zijn promiscuïteit, zijn incestueuze gevoelens, zijn
hoerenloperij, en zijn geslachtsdrift in het algemeen. In zijn nieuwe boek valt te
lezen dat genoemde drift zo groot is dat hij die, wil hij kunnen werken,
,,dikwijls eigenhandig'' uit de weg moet ruimen. Het dient gezegd dat die
openhartigheid er ook vele jaren geleden al was, in een tijdperk dat ze veel
minder werd gewaardeerd.
MORRIËN heeft een goede, klassiek geschoolde pen, en hij heeft
onmiskenbaar een aforistische kracht. ,,Alleen een mug kan een mug maken'', staat
er plots. Of: ,,Verliefdheid is de overdrijving van een gevoel dat zonder
die overdrijving niet zou bestaan.''
Evident is dat allemaal niet, want als jongeman heeft Morriën de dood een
paar keer in de ogen gekeken. Het besef van vergankelijkheid is dan ook
intens met zijn schrijven verweven. Plantage Muidergracht, het
autobiografische geschrift dat hij in 1988 publiceerde, ving aan met een
verhaal uit zijn vooroorlogse sanatorium-tijd. In 1930 werd bij hem tbc
gediagnostiseerd. Na veel kuren genas hij; hij hield er wel een zwak voor
lotgenoot Kafka aan over.
Morriëns nieuwe autobiografische boek, Ik heb nu weer de tijd,
begint ook met een gezondheidsrapport. Twaalf jaar geleden stelde de
dokter bij hem een longemfyseem vast, wat kortademigheid veroorzaakt. Maar daar
valt dus, gezien het liefkozen hem nog makkelijk afgaat, mee te leven.
Twee jaar geleden zat er een verontrustende vlek op zijn longen, maar het
bleek uiteindelijk toch geen tumor. Een dag na die verlossende mededeling
kocht Morriën een nieuwe polshorloge: ,,Ik heb nu weer de tijd.''
P>
DE dichter Adriaan Morriën debuteerde in 1939, maar omdat de oorlog
vervolgens zijn carrière bevroor, trok hij in feite met de eerste naoorlogse
schrijversgeneratie op. Hij was als adviseur van De Bezige Bij nauw
betrokken bij het debuut van de koplopers van die generatie, Van het Reve en W.F.
Hermans, allebei negen jaar jonger. Over uitgerekend die twee laat Morriën
zich voor zijn doen buitengewoon kritisch uit in zijn geschriften. In
Plantage Muidergracht kreeg hij de bekering van Reve, ,,het type van
de dubieuze auteur'', niet verteerd: ,,Het katholicisme van Gerard Reve:
de ratten betreden het zinkende schip.''
In Ik heb nu weer de tijd neemt hij een 41 jaar oud pamflet
op dat hij tegen W.F. Hermans schreef. Met Hermans had hij samen aan het
tijdschrift Criterium gewerkt, maar ze waren gebrouilleerd
geraakt. ,,Een oud-testamentische godheid'' heet het hoofdstuk over Hermans nu
(,,Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben'', Exodus 20:3).
Morriën zegt daarin rake dingen over de gelijkhebber Hermans, maar dit soort
polemiek gaat hem duidelijk niet af; wat Morriën beter kan, is bewonderen.
Zelf groeide Morriën nooit door tot het formaat van Reve of Hermans. De
dikke roman bleef uit, hij hield het bij miniaturen. Morriën situeert
zichzelf met z'n ,,kruimelwerk'' in de periferie; om naar de kern door te stoten
had hij te veel twijfels, over zijn geschrijf, over het schrijven in het
algemeen.
Bovendien, voert hij zelf aan, moest hij voor zijn gezin de kost
verdienen: ,,Zo kwam ik in de literaire journalistiek terecht, het klusjeswerk van
een man die met vier, vijf dingen tegelijk bezig is en het grote uitstel
bestendigt waarmee hij is begonnen.'' Ik citeer uit Plantage
Muidergracht, waarin hij over het ,,echec'' van zijn schrijverschap
heel relativerende dingen schreef, die hij ook in interviews bleef herhalen.
Tegenover Joost Zwagerman bijvoorbeeld: ,,Kunst wordt, het zij met eerbied
gezegd, gemaakt door opscheppers. Ik demp mijn opschepperij, dat is mijn
handicap, mijn manco. Daarom zoek ik het in het detail, de verinniging.
Terwijl ik weet dat het noodzakelijk is om jezelf te overschatten.''
Morriën heeft nu wel weer de tijd, maar erg veel nieuw materiaal is er
niet. Hij recycleert oude teksten, uit Cryptogram (1968) en
Lasterpraat (1973) bijvoorbeeld, publicaties die hij ook al ten
behoeve van Plantage Muidergracht had geplunderd.
Hij vlooit er ook weer oude journaals op na, dit keer van 1943 -
,,Hoornik en Den Brabander zijn opgepakt.'' - tot 1953: ,,Corneille op bezoek
[...]. Is gebrouilleerd met Appel, ziet hem weinig, hoort hem wel zijn tanden
poetsen (zij wonen op een zolder door een schot gescheiden).''
Voorts kon Morriën ook putten uit vele columns voor NRC Handelsblad
en Het Parool. De thema's zijn, zoals in z'n hele
oeuvre, altijd eender: zijn bewondering voor ,,de'' vrouw, zijn verlangen naar de
eeuwige jeugd, zijn lofzang op de zinnelijkheid, beknopte verslagen van
een voyeur, observaties van het literaire leven.
Rob Molin publiceerde in 1995 een uitgebreide studie over Morriën
(Adriaan Morriën en het heelal in de huiskamer. De opvattingen van een
eigenzinnige literatuurcriticus, bij De Geus), en meldde toen al ,,dat de
laatste jaren in de NRC stukjes verschijnen die vrijwel gelijk
zijn aan de zo'n 35 jaar eerder gepubliceerde in Het Parool. Dit
zou erop kunnen wijzen, dat Morriën feitelijk niets meer aan zijn oeuvre
heeft toe te voegen.''
Maar er vallen ook onfortuinlijker voorbeelden te citeren. Een notitie
als: ,,Hij zou haar wel drie eeuwen kunnen aaien, kussen en met haar vrijen.
Misschien wel vier eeuwen.'', heeft, ook al is ze speciaal weer diep uit
z'n oeuvre naar boven gehaald, inhoudelijk noch vormelijk wat te bieden.
,,Ik schrijf over verschijnselen'', schrijft Morriën.
,,Welbeschouwd ben ik een fenomenoloog, niet een filosofische, maar een praktische,
ambachtelijke, die vaak met een groot zintuiglijk plezier zijn waarnemingen
verricht, het begin van alle kennis.''
Je zou, als je een tijd door die beschreven verschijnselen zit te waden,
Morriën wel eens wat verder willen zien geraken dan dat begin
van alle kennis, voorbij de goed opgeschreven observatie.
P>
WAT mij moeiteloos door de wat saaiere, al te vlakke afdelingen heeft
gesleurd, is de wetenschap dat Morriën als chroniqueur van het literaire
leven op tijd en stond een krent uitdeelt. Hij is een verdienstelijk
archivaris van het Nederlandse literaire leven. Drukt hij een beroemd schrijver de
eerste keer de hand, dan denkt hij meteen al aan de necrologie die hij zal
schrijven.
Morriën heeft hier het voordeel van de overlever: hij heeft nog een
lezing meegemaakt van Henriëtte Roland Holst, hij zat nog bij het ziekbed van
Arthur van Schendel, hij gaf Menno ter Braak nog een hand. Via Gruppe
'47 reiken zijn contacten trouwens ook tot in het Duitsland van Martin
Walser en Günter Grass: Morriën laat nóg eens weten dat hij verliefd
geweest is op Anna Grass, de eerste vrouw van Günter Grass.
In Plantage Muidergracht waren de literaire anekdoten al
behendig door de tekst gestrooid. Toen ging het over Bomans (,,Ik herinner mij
een uitspraak van Godfried Bomans: 'Wat ik met mijn vrouw heb, gaat niemand
wat aan.' Ik dacht ogenblikkelijk: 'Dat zal dan wel niet veel bijzonders
zijn.''') of Kouwenaar (,,Gerrit Kouwenaar toen de blinde dichter Jan Wit
een reisbeurs kreeg: 'Zeker om zijn blik te verruimen.''').
Nu duikt al eens een recentere naam op: ,,Frans Pointl belde mij op (het
was kort na zijn optreden bij Adriaan van Dis). Hij bezwoer mij zijn
geheime telefoonnummer aan niemand te vertellen. Ik zei hem dat ik zijn geheime
telefoonnummer helemaal niet had. 'O,' riep hij, 'dan zal ik het je geven.'
Hij gaf mij zijn geheime telefoonnummer en bezwoer mij opnieuw het aan
niemand te vertellen.''
Morriën neemt in Ik heb nu weer de tijd ook enkele oudere
literaire gesprekken op, met Vroman, met Hanlo, bijvoorbeeld. Ze zijn de moeite
waard, onder andere omdat ze goed wat gekte tolereren.
O jawel, Adriaan Morriën heeft zijn bisnummer verdiend.
Mark Schaevers