Schrijver

Bouazza, Hafid

Titel

Momo

Jaar van uitgave

1998

Bron

Trouw

Publicatiedatum

08-05-1998

Recensent

Onno Blom

Recensietitel

Bouazza geniet van de taal als een fijnproever van wijn



Hafid Bouazza is een man van taal. Toen hij twee jaar geleden de eigenzinnige verhalenbundel 'De voeten van Abdullah' het licht deed zien, wilde hij niet als Marokkaanse emigrant, maar als schrijver serieus worden genomen. Hoewel de verhalen in zijn debuut de botsing tussen de Nederlandse en Marokkaanse cultuur blootlegden, verzette hij zich stevig tegen de status van troetelallochtoon. Het is een trotse houding die Bouazza siert en waar hij met recht aanspraak op kan maken. Als schrijver heeft hij een uitgesproken eigen stijl, en dat is waarop hij beoordeeld dient te worden. Het verrassende is dat Bouazza's stijl is geïnspireerd op het werk van dode dichters, voor wie Bouazza's Nederlandse generatiegenoten allang geen belangstelling meer hebben. Bouazza schreef 'De voeten van Abdullah' zonder en spoortje ironie in de taal van de Tachtigers. Hij volgde het spoor van de sensitieve verzen van Gorter en - zo liet hij in interviews weten - van de barokke poëzie van de haast vergeten dichter Geerten Gossaert (1884-1958). In de novelle 'Momo', die onlangs verscheen, is Bouazza's inzet en stijl onveranderd gebleven. Hij vertelt het verhaal van de kleine Momo, die opgroeit in Zevenhoven. In dit oer-Hollandse dorpje is Momo een vreemde eend in de bijt. Hij is niet blond of knalrood als de andere kinderen in zijn klas, maar heeft hij 'githaar met een blauwe glans'. Toch is het belangrijkste dat hem onderscheidt niet zijn uiterlijk, maar zijn innerlijk. Momo is een dromertje. Zijn oude ouders, een tot vervelens kwebbelende en bedillerige moeder en een zwijgzame vriendelijke vader, merken wel dat Momo stil is en afwezig, maar de oorzaak zien zij niet: er dwarrelen onzichtbare geesten om Momo's hoofd, die zijn blik richten en hem dingen influisteren. "Het rispelt onophoudelijk," schrijft Bouazza. De geesten nemen al na tien bladzijden het verhaal over. Door hun ogen lezen we hoe Momo naar het gefilterde licht door het bladerdak kijkt, thuis in de flat in de verte staart en op school naar zijn lelijke klasgenootjes, die het niet kunnen laten hem te pesten. Door dit opmerkelijke, zwevende perspectief krijgt de novelle de sfeer van een zwart sprookje: "Een zacht trippelen, als van eerste regendruppels op het dak, werd hoorbaar, maar de nacht was onbewolkt. Hondennagels printelden op marmertegels in de hallen waar geesten hun wake hielden. Geen kat of hond liep op de galerij, het leek uit Momo's kamer te komen." Hoewel Momo onder invloed van zijn verbeelding over allerlei gaven kan beschikken, zoals door muren heenkijken, wordt het verhaal pas een sprookje door de rijke ornamentiek van taal - Bouazza's handelsmerk, Hou houdt zich in het geheel niet aan de conventies van de novelle. Hij beperkt zich niet tot de essentie, maar gebruikt romaneske uitwijdingen om het gevoel van bekoring en vervreemding uit zijn zinnen te laten oprijzen. "We verwringen de woorden om het nauwelijks definieerbare te definiëren", laat Bouazza de geesten zeggen. "Schemer en dimster lijken tastbaar te slingeren, te willen stollen tot vormen. En uit versleten plekken in de donkerten komen de boden, fluisterende gezantschappen, werpen neerwaarts zigzaggende schaden in de gazige lucht onder het donkerende plafond." Citeren is in het geval van Bouazza eigenlijk de enige mogelijkheid om te laten voelen hoe weelderig hij schrijft. Bouazza geniet van de taal als een fijnproever van een onbekende wijn. Voor alle gewaarwordingen, alle geuren, smaken en klanken die voorbijkomen, probeert Bouazza woorden te vinden. Soms bestaan die woorden nog niet, soms vindt hij er een in het woordenboek, of in een gedicht van een Tachtiger. Verwondering is het gevolg. Bouazza's zintuigelijke stijl vol klanken en associaties is mooi, maar gaat ook wel eens in schoonheid ten onder. Soms voert Bouazza het te ver. Zijn boek heeft - om bij het beeld van de fijnproever te blijven - een zware afdronk. Na afloop van sommige passages tolt het hoofd van alle buitelende archaïsmen, neologismen en samenstellingen als Momo's hoofdje van de geesten. Uiteindelijk is Bouazza's novelle zowel een waarschuwing tegen, als een pleidooi voor de verbeelding. De kleine Momo probeert aan het gepest van zijn klasgenootjes te ontsnappen door al zijn vertrouwen te stellen in zijn 'rispelende' kwelgeesten. Op het verdoemde schoolreisje, waarmee het boek eindigt, lijkt Momo te verdwijnen in het niets. De stemmen van de kinderen hoort hij niet meer "overstemd als deze plotseling worden door het geritsel en gefluister van de bomen boven hem". Het hoeft niet te verbazen dat ook Bouazza's voorbeeld Geerten Gossaert dat gevoel van verlorenheid als eens in gelijkgestemde woorden formuleerde in zijn enige verschenen dichtbundel 'Experimenten' uit 1916: Het ruizelt door de boomen, Het suizelt over 't meer: Een afscheid zonder afscheid En zonder wederkeer. Wie Hafid Bouazza leest, kan hetzelfde overkomen. Wie hem volgt op zijn zoektocht naar een eigen taal kan verrukt raken, maar ook verdwalen. Toch moet het gezegd: zelfs verdwalen is in 'Momo' een zinnenrijke ervaring.

Hosted by www.Geocities.ws

1