|
Schrijver |
Moeyaert, Bart |
|
Titel |
Algemeen |
|
Jaar van uitgave |
|
|
Bron |
Leesgoed |
|
Publicatiedatum |
??-??-1993 |
|
Recensent |
Maartense, Karel |
|
Recensietitel |
Elke auteur is een meesterdief: interview met Bart
Moeyaert |
Bart Moeyaert debuteerde tien jaar geleden en groeide sindsdien tot een van de
meest geprezen auteurs van jeugdliteratuur. Karel Maartense, onder meer
programmamaker bij de Nederlandse Onderwijs televisie en lid van de redactie
van Leesgoed, had in 1991 en 1993 gesprekken met hem, die hij compileerde tot
het volgende interview, over Suzanne Dantine, Kus me, jeugdliteratuur in
Vlaanderen en andere zaken.
Hemelsbreed op een kilometer afstand van het museum voor Schone Kunsten, dat
vanaf het balkon gezien ligt te blinken in de zon. Een eerste gesprek met Bart
Moeyaert, voornamelijk over zijn tot dan toe laatst verschenen boek Suzanne
Dantine.
'Laat de eerdere boeken maar zitten,' zei hij door de telefoon. 'Met dit
laatste boek ben ik pas echt begonnen als auteur.'
De periode voor 1989 beschouwt Bart Moeyaert nu als zijn 'leerlingentijd'. Hij
trok als 19-jarig 'wonderkind' in 1983 de aandacht met zijn debuut Duet met
valse noten. Over dat boek en nog wat andere die hij tot 1989 schreef wil hij
nu niet praten.
De recensenten zijn in het algemeen lovend over Suzanne Dantine. Men meent, dat
hij op weg is een 'literair' schrijver te worden. De toekomstverwachtingen zijn
hoog gespannen.
Hij legt uit wat voor soort schrijverschap hij nastreeft en illustreert dat aan
de manier waarop zijn laatste werk tot stand kwam. Veelvuldig benadrukt hij hoe
het toeval in zijn ontwikkeling een grote rol speelt. Hoe hij zich een
instrument voelt, hoe het hem ontbreekt aan vooropgezette bedoelingen, hoe het
schrijven van boeken iets is dat hem overkomt.
'Toen ik pas in Brussel woonde, zat ik in een Quick-restaurant te eten. Daar
kwam een meisje binnen van een jaar of zestien. Niet bijzonder mooi of lelijk,
maar ze viel me meteen op. Vraag me niet waarom. Terwijl ze daar in een
tijdschrift zat te bladeren, bleef ik naar haar kijken en plotseling dook de
naam Suzanne Dantine in me op, zonder te weten waar die vandaan kwam. Het
meisje verdween. Ik weet niet eens meer hoe ze er uit zag, maar de naam is door
mijn hoofd blijven spoken. Op zeker moment heeft ze een moeder gekregen. Dat
ging zo: op kleine velletjes papier schreef ik een stukje: een gesprek met de
moeder, een gebeurtenis uit haar leven ... en ik begon te ontdekken dat haar
vader gestorven was op haar zevende. Dat was zo goed als zeker. Ze woonde niet
in een stad en niet op een flat, maar in een klein dorp bij Brussel. En zo is
het idee gestart om heel haar leven te vertellen, vanaf het begin tot haar
veertiende waarin iets belangrijks moest gebeuren. Zo dacht ik er over. Maar
bij de dood van haar vader, op haar zevende, zat ik zo goed als vast. Ik dacht:
hier klopt iets niets.
Ik schrijf nogal impulsief. Ik maak geen schema van hoe mijn boek moet worden.
Het komt bij wijze van spreken uit mijn ellebogen.
Toen ben ik maar begonnen aan haar leven op haar veertiende.
Het verhaal van een dorpsruzie, over honden, over de relatie met Heleen en de
relatie met de moeder. En wat bleek? Het is zoals ze altijd zeggen: wat een
mens meemaakt voor zijn zevende, is het belangrijkste van zijn leven. Daardoor
wordt bepaald hoe je later wordt. Dat gold ook voor Suzanne Dantine. Alles wat
ze in haar eerste levensjaren had meegemaakt, wordt weerspiegeld in hoe ze is
en wat ze doet op haar veertiende.
Daarom ben ik het verhaal van de veertienjarige gaan mengen met gebeurtenissen
van vroeger. En dat viel, gek genoeg, als een puzzel in elkaar. Elk stukje dat
in het nu gebeurde kon je weerspiegeld zien in wat er vroeger gebeurd was: toen
ze dacht aan kussen bij Wolfgang op haar veertiende, was er al een stukje
gebeurd, beschreven in de scène met het vriendinnetje dat haar leerde kussen.'
- Als ik het goed begrijp is het alsof ietss of iemand anders je bij het
schrijven dicteert.
'Zeker. Ik snap nooit de vraag 'hoe ben je op het idee gekomen om schrijver te
worden, of om dat boek te schrijven?'.
Zo gaat dat niet bij mij. Ik heb dat niet van 'nu ga ik eens een boek over
ouders die gaan scheiden schrijven.'
Het is een personage dat opduikt, of een beeld dat opduikt.
Bijvoorbeeld: ik zie een helling voor me met een meer ervoor.
En dan zie ik vier jongeren bij dat meer. Zo begint een volgend boek te
ontstaan. Dat beeld is er. Dat vind ik een prachtige beginscène. En dan rolt de
rest eruit. Dan blijkt het over geheimen te gaan, die ze voor elkaar proberen
te verbergen. Het spel gaat compleet uit de hand lopen. Die elementen komen
zomaar ergens vandaan. Ik heb daar nauwelijks zeggenschap over. Dat is wel
spannend.'
- Is dat de verklaring voor de raadselachtiigheid van Suzanne Dantine? Dat het
niet geconstrueerd is, maar op inspiratie en intuïtie is geschreven?
'Ik snap niet dat een auteur vooraf een schema maakt. Je bent als auteur
tenslotte ook de eerste lezer. Als ik, als schrijver zou weten hoe het verhaal
afloopt, ben ik al niet meer gemotiveerd om het te schrijven. Want ik weet het
al, het ligt voor me.
Ik houd niet van boeken met een mooi afgerond einde. De lezer moet kunnen
nadenken. Hij mag het boek niet dichtklappen en tevreden zuchten. Van boven
moet het blijven doorwerken, hij moet zich afvragen: wat nu? hoe nu verder?
Maar er is een epiloog aan het boek verbonden. Dus je weet wat er een jaar
later gebeurt. Dat is eigenlijk de opening van het tweede boek, dat aan het
rijpen is. Voor mij is het een grote zekerheid, dat Suzanne Dantine
uiteindelijk zal eindigen in Parijs. Dus geboren in een dorp, terecht komen in
Brussel en eindigen in Parijs. Van klein naar groot. Suzanne Dantine is het
eerste deel van wat een trilogie moet gaan worden.
Het tweede deel speelt zich af in de tegenwoordige tijd in Brussel, en hoe het derde
boek gaat worden, dat zal de toekomst leren.'
- Ontleen je toch niet af en toe elementen van het verhaal aan de
werkelijkheid?
'Het komt bij mij meer van binnenuit. Maar het is waar, je kijkt op je heen, je
ziet mensen, je hoort mensen. Dat gaat allemaal ergens in je achterhoofd
zitten. In het nieuwe boek, dat nu bijna af is, merk ik dat de personages
eigenlijk vier stukken van me zelf zijn. Er zit een vals kind tussen, en een
heel bedeesd braaf jongetje, een heel lui en 'laat-maar-gebeuren-kind' en een
heel vrolijk kind. Maar ik heb nooit vooraf bepaald dat die vier bij elkaar
moeten passen, of zoiets. Ongewild laat je jezelf heel erg kennen. Ook in
Suzanne Dantine zit een afsplitsing van mezelf. Door dat boek leer je mij
kennen. Heel veel waarden en ideeën die ik opdeed toen ik zo'n 22 jaar was,
zitten in dat boek. Het overbekende gegeven van 'mensen zijn wolven voor
elkaar' heb ik in Brussel pas goed leren beseffen. Als een jongetje uit de
provincie die in de grote stad kwam.'
De hoge verwachtingen zijn inmiddels voor een deel ingelost. Bart Moeyaerts
volgende boek Kus me was nog scherper in de karaktertekening, nog compacter van
structuur en nog indringender in het beschrijven van de verwarring en emoties
van de hoofdpersonen. Dat leidde onder meer tot de betekenis van een Nederlands
recensent, dat dit boek hem van zijn vooroordeel ten opzichte van de Vlaamse
jeugdliteratuur heeft verlost.
- Ben je daar blij mee, met zo'n complimentt?
'Ik heb er een hekel aan dat er in een recensie uitdrukkelijk vermeld wordt dat
ik een Vlaams auteur ben. Het lijkt wel of dat een soort apart is. Het is
natuurlijk onaannemelijk dat dat ene boek plotseling zo'n vooroordeel zou
wegnemen. Als Nederlandse recensenten eens wat verder zouden kijken dan hun
neus lang is, en meer boeken uit Vlaanderen zouden lezen, dan zouden ze weten,
dat hier kwaliteit rondloopt, net als in Nederland.'
- Hoe komt het dat de Vlaamse schrijvers inn Nederland niet bekend zijn?
'Dat heeft alles te maken met de distributie van boeken. De weg naar de
Nederlandse boekhandel is moeilijk voor de Vlaamse uitgever. En er is in
Nederland al zo'n groot aanbod. Ik vermoed dat veel boekhandelaren en
bibliothecarissen bovendien met dat vooroordeel zitten van: Vlaamse boeken, die
zien er lelijk uit en ze staan vol met vlaamsigheden die ene Nederlander niet
snapt.
Overigens herinner ik me nog dat ik, toen ik een jaar of twaalf was, altijd
boeken las van Nederlandse auteurs. Ik stond er niet bij stil wat ik precies
las. Het waren boeken die er mooi uitzagen en ze waren ook mooi van inhoud. Op
die manier heb ik mijn literatuur leren kennen. Maar zodra ik in het
boekenwereldje beland was, ben ik bewust gaan opletten op wat een Vlaamse
auteur deed, overigens zonder ene waardeoordeel daaraan te hechten.'
- En? Zijn er kenmerkende verschillen tusseen de Vlaamse en de Nederlandse
auteurs?
'Nee. Niet meer. Er is de laatste jaren sprake van integratie. Maar de
Nederlandse jeugdliteratuur heeft vanaf An Rutgers van der Loeff een mooie
evolutie kunnen doormaken. Er is in Nederland heel geleidelijk veel
geëxperimenteerd, zodat het publiek en de recensenten er aan konden wennen.
In Vlaanderen zijn ze pas de laatste vijf jaar, misschien tien jaar aan het
wakker worden. Op het gebied van de kindercultuur was er bij ons geen sprake
van een evolutie, maar van een revolutie. Het losrukken van de aloude
bevoogding door de kerk. Uit die hoek kwamen uiteraard brave boeken die op z'n
best avontuurlijk en spannend waren. Maar nu zijn er uitgeverijen als Infodok,
die meer durven.
Ook Altiora is in de laatste jaren verschoven, bijna zonder dat men het heeft
opgemerkt. Het is absoluut geen katholieke zuil meer, maar toch heeft zij nog
steeds die reputatie. Dat heb ik nog wel gemerkt. Ooit is er gesuggereerd dat
er in mijn werk geschrapt en gecensureerd was, wat absoluut niet het geval was.
Vroeger was dat echter gebruikelijk bij uitgeverijen.
De Vlaamse auteurs hebben gezien wat er elders bestaat en ze halen heel snel
in. Ze moesten van de traditionele thema's af, ze moesten gaan inzien dat het
boek gewoon mooi geschreven mag zijn en ergens over mag gaan.
Er zijn een paar auteurs, en daarbij denk ik niet alleen aan de jonge
generatie, die daarmee bezig zijn. Gie Laenen bijvoorbeeld, Jaak Dreesen, Gil
van der Heyden, André Sollie, dat zijn er al vier, waar ze in Nederland toch
ook eens wat van moeten lezen. En Anne Provoost, die doet eigenzinnig haar wek
en trekt zich niets aan van wat anderen daarvan zeggen. Dat is een gezonde
instelling, zo van "ik schrijf'. Niet "ik schrijf jeugdboeken', maar
"ik schrijf, ik schrijf toevallig'.'
- Ik heb gemerkt dat kerkelijke instanties als de 'Bond van Jonge en Grote
Gezinnen' en het Katholieke Centrum voor Lectuurinformatie en
Bibliotheekvoorziening zich nadrukkelijk met voorlichten over jeugdliteratuur
bezighouden.
'Dat moet je anders zien. Het KCLB bijvoorbeeld is een instantie die al heel
lang bestaat. Ze is er vooral om informatie te geven aan bibliotheken. Zij
geven een tijdschrift uit, de Jeugdboekengids. Vooral door toedoen van Marita
de Sterck is die club enorm gegroeid. Ze zitten weliswaar met ene directie
opgescheept die alles wil zien en een in hun ogen links boek mag niet te
positief besproken worden. Maar Marita schopte daar heel netjes tegenaan. Zo
werd dat instituut een soort motor voor de jeugdliteratuur. Maar niet de enige.
Uiteindelijk is het Nationaal Centrum voor Jeugdliteratuur belangrijker voor de
ontwikkeling van de jeugdliteratuur in Vlaanderen. Het organiseert de
Jeugdboekenweek en dat heeft heel wat in gang gezet.'
- In recensies is je boek Kus me wel een spprookje genoemd. Wat vind je daarvan?
'Dat lijkt me een verkeerde benadering. Een sprookje is iets dat nooit gebeurt
is. Kus me kan echt gebeurd zijn, delen uit Kus me zijn ook echt gebeurd.'
- Maar er is wel sprake van een directe verrwijzing naar het sprookje 'De
kikkerkoning' van Grimm. Dat is een literaire injectie in je verhaal. Dat heb
je nog niet eerder gedaan.
'Dat is niet bewust gebeurd. Het boek is ontstaan uit het tweede boek dat ik
over Suzanne Dantine wilde schrijven. Deel twee is echter nooit afgemaakt.
Ik schreef een scènetje over Suzanne Dantine en die tien regels zijn gaan
leven. Daar is iets bijgekomen en er is iets afgegaan en tenslotte is dat het
begin geworden van Kus me. En alle elementen van het uiteindelijke verhaal: de
kikkers, het meer, het dubbele van: een kikker wordt een prins, of iets lelijks
wordt iets moois, of andersom, dat heeft het verhaal zelf meegebracht.'
- Maar je hebt dat sprookjeselement toch weel herkend op een gegeven moment?
'Zeker. Toen ik het schreef, merkte ik van: Aha, dat zit er in. Maar je merkt
ook dat recensenten nog verder gaan en me op andere dingen wijzen, die er
absoluut niet bewust zijn ingedaan. Vandaar dat ik altijd weer toegeef aan dat
organisch groeien. Ik heb geen zin om een schema te maken vooraf.
Wat ik wel weet, is de thematiek. In het geval van Kus me moest het gaan over
geheimen en of je die wel of niet bewaart. Als je wat dat betreft geen scherpe
grenzen trekt, kun je oeverloos gaan uitpakken.
Mijn manier van schrijven wordt bovendien sterk bepaald door de boeken die ik
lees en de films die ik zie nadat ik met het verhaal begonnen ben. Op een af
andere manier komen die in het verhaal terecht. Zo las ik het boek van de
neuroloog Klawans met case-histories van zijn patiënten. Een van hen was Jane
Porter, die niet meer kon praten. Zij leed aan de ziekte van Wilson. Niet
kunnen praten, alleen maar geluiden kunnen voort brengen, dat is als een kikker
hè.
Bij Jane Porter was de oorzaak een spiraaltje, dat koper bevatte. Maar het kan
net zo goed uit de lucht komen. In de buurt van een koperfabriek komen altijd
wel stoffen vrij die koper bevatten, en die kunnen die ziekte tot gevolg
hebben.
De muziek van Nicola Piovani bij de film Kaos heeft me zeer geïnspireerd bij
het schrijven van Kus me. De sfeer rond het meer is voor mij sterk verbonden
met het begin van de film A handful of dust (naar een roman van E. Waugh) en de
muziek daarbij.
Elke auteur is een meesterdief. Het kan niet anders dan dat je verhalen, stukken
van verhalen of zinsnedes die je mooi vindt, opsluit in je achterhoofd. Daar
komt ooit iets van in je werk terecht. Maar dat gaat niet bewust.
Toen het verhaal eenmaal goed liep, dacht ik bij mezelf: ik heb geen zin om van
die plek waar het zich afspeelt, weg te gaan. En wie letterkunde gestudeerd
heeft, weet dat als je niet van die plek weggaat, dat je dan een novelle
krijgt. Dus als ik in het vervolg zou opletten en me niet door de personages
zou laten meeslepen naar andere plaatsen, dan zou het ene echte novelle worden.
Door die opbouw zag ik het verhaal als een film in mijn hoofd gebeuren. Vandaar
ook die indeling in scènes. Als in een film.'
- Er zitten verwijzingen naar andere werkenn in je boek, je gebruikt literaire
technieken, je boeken hebben een literair gehalte, zegt men. Er zijn mensen die
vinden, dat je de jeugd niet moet lastig vallen met dat soort dingen. Je moet
gewoon een stevig verhaal vertellen.
'Ik vind het heel gevaarlijk om schrijvers in hokjes te stoppen, maar ik denk
wel dat er soorten zijn. Volgens Aidan Chambers zijn er schrijvers en auteurs.
Schrijvers kunnen zinnen achter elkaar en onder elkaar zetten, en die kunnen
een verhaal vertellen. Ze kennen de technieken van: als het ene triest verhaal
is, dan laat je het regenen, en als het een weemoedig verhaal is dan laat je
het sneeuwen. Ik heb daar geen zin in. Maar mijn eerste boek Duet met vals
noten behoorde eigenlijk wel tot de categorie van 'schrijvers-boeken'.
Ik ben er van overtuigd dat de indeling in: boeken voor kinderen, jeugdboeken,
adolescentenromans, als die al bestaan, en boeken voor volwassenen, dat die
heel handig is voor in de boekwinkel en in de bibliotheek, om aan ouders en
kinderen die ene boek zoeken, duidelijk te maken dat die of die kast het meest
geschikt is. Maar daar moet ik me als auteur niet om bekommeren. De uitgever
beslist wel of het een boek voor 12+ of 16+ is.'
- Maar je zit wel bewust bij een uitgever vvan kinderboeken?
'Nee. Ik schrijf graag en ik heb dat schrijven nodig. Maar het is min of meer toevallig
dat ik bij een jeugdboekenuitgeverij terecht ben gekomen.
Tien jaar geleden was ik nog in de veronderstelling, dat er heel weinig
uitgeverijen waren in Vlaanderen. Ik kende er twee heel goed. Daar had ik bijna
alle boeken van gelezen. Dat waren Lannoo en Altiora. Aan Lannoo heb ik mijn
eerste werk opgestuurd. Ik kreeg een brief terug: 'nee, we doen het niet'. Toen
heb ik het naat 'Altiora' opgestuurd. Dat vond ik ook een goede uitgeverij. Die
nam mijn werk wel. Mijn eerste boek kreeg de prijs van de Vlaamse kinder- en
jeugdjury. Daarmee krijg je een stempel opgedrukt van
vrolijke-verliefdheids-jeugdboekenschrijver. Dus het tweede boek schrijf je in
dezelfde trant, want als je steeds de impuls krijgt van: je bent
jeugdboekenschrijver, je bent jeugdboekenschrijver, dan geloof je dat een
tijdje. Toen kreeg ik een opdracht van Zwijsen om een boekje voor jonge
kinderen te schrijven. Dat deed ik en ik merkte dat het eigenlijk wel lukte. Zo
ervaar je dat uitgevers kunnen bepalen hoe je verder evolueert.
En dan zie ik hoe het nu gaat: Norbert Vranckx, mijn uitgever, houdt van het
spannende, lekker lezende boek. Literaire kwaliteiten, dat mag best, maar
spannend staat voorop. Terwijl zijn rechterhand, of linkerhand, Nikie Lapaire,
veel meer waarde hecht aan literaire kwaliteiten. Had het aan Lapaire gelegen,
dan was ik de andere kant opgegaan, als ik geluisterd had.'
- Een bibliothecaresse vertelde me dat je eeen auteur bent voor ingewijden, voor
liefhebbers. Wat vind je daarvan?
'Leuk om te horen. Aan de andere kant weet ik dat zo'n oordeel door ouderen en
door bibliothecarissen gestuurd wordt. Zij blijven herhalen dat het lekker
lezende spannende boek het ware jeugdboek is. Als een oudere eens een boek zou
geven dat niet alleen maar gemakkelijk te lezen is! Dat is opvoeden. De jongere
kan misschien wel leren lezen!'
- Maar je zette met de titel alleen al de ggemiddelde lezer op het verkeerde
been.
'Het lijkt op het eerste gezicht een cursusboek over verliefdheid. Maar het
woord kus heeft verschillende betekenissen hebben. Het kan een judaskus zijn,
het kan een bezegeling van iets zijn, het kan iets magisch hebben. Door die
titel mee te geven zeg ik bij wijze van spreken tegen de jonge lezer: Laat je
toch niet zo inpakken, laat je niet zo bedriegen. Alleen op het eind komt die
kus voor. Je komt bedrogen uit als je iets anders verwacht.'
- Je draait inmiddels mee in het jeugdboekeencircuit. Ik zie je regelmatig in
Nederland, als er wat te bespreken is op het gebied van de jeugdliteratuur.
'Op die studiedagen bijvoorbeeld. Daar ga ik heen om te horen wat er bij jullie
leeft. En ik kom er ook om mensen te ontmoeten. Imme Dros bijvoorbeeld. Met
haar heb ik een heel prettig contact. Vroeger had ik het idee, als ik er heen
ga, dan sta ik daar alleen. Maar nu ken ik de mensen.
Ik hoor graag wat anderen, die ik voor een deel bewonder, te melden hebben over
hun werk, over jeugdliteratuur in het algemeen. Dat inspireert me. Je eigen
ideeën toetsen aan die van anderen. In Vlaanderen heb je daar maar weinig
gelegenheid voor. Het is hier een beetje keuvelen en koffie drinken. Maar
gesprekken zoals je die kunt hebben met Imme Dros, Joke van Leeuwen en Wim
Hofman, dat gebeurt niet vaak, afgezien dan van de gesprekken met bepaalde
uitgevers.'
- Voel je je aan hen verwant?
'Ja. Soms heb ik dat ook wel met Vlaamse collega's. Er is bijvoorbeeld Anne
Provoost, die drie jaar geleden de Boekenleeuw kreeg. Zij is een lotgenote. Tot
nog toe zit ze ook nog altijd met de last van, ik heb de Boekenleeuw, maar ik
durf mijn tweede boek niet te publiceren. Ze is toevallig van dezelfde leeftijd
als ik. Soms spreken we af en rijden we samen naar lezingen op scholen en dat
soort bijeenkomsten. Ik hoef bij haar niet bang te zijn van als ik nu mijn
verhaal vertel, dan pikt ze het. En dat geldt ook andersom. Het zijn heel
gezonde gesprekken zonder jaloezie of wat dan ook. Bij anderen uit het
wereldje, dat geldt ook in Nederland, is er iets van jaloezie. Dan trek ik me
liever terug.'
- Hoe gaan de media in Vlaanderen om met dee jeugdliteratuur?
'Beter en beter. Het is een tijdlang bedroevend geweest, omdat er geen stevige
recensenten waren als in Nederland Bregje Boonstra en Joke Linders. Maar dat is
veranderd, nu Maria de Sterck bij ons een vergelijkbare plaats lijkt te
veroveren. Zij zet zich er bijvoorbeeld voor in om jeugdboeken besproken te
krijgen in de Standaard der Letteren. Dat zou een grote stap zijn, de
jeugdliteratuur niet meer onderscheiden van de literatuur.
Maar ook De Morgen heeft vaste recensenten, waarvan je merkt, dat die gelezen
worden. Er komen steeds meer en betere kanalen die zich op het verschijnsel
toespitsen. Zelfs de twee Vlaamse televisiezenders komen tegenwoordig opdraven
bij de uitreiking van de Boekenleeuwen en -welpen.
Het is toe te juichen dat de media meer aandacht krijgen voor de
jeugdliteratuur. Voor Vlaanderen is dat van groot belang.'