|
Geerten Meijsing Tussen mes en keel |
||
Het verslag van Geerten Meijsing in Tussen mes en keel over zijn alter-ego Erik Provenier die een aantal pogingen deed om uit het leven te stappen, kan in de romantisch-decadente stroming geplaatst worden. Het is literatuur, en dus onecht. Maar in dit geval is er iets anders aan de hand. De nieuwe roman is een waarheidsgetrouw verhaal over dramatische voorvallen die vanuit menselijk oogpunt meer dan tragisch zijn. 'Fictie bood het voordeel dat je de waarheid onverbloemd kon laten zien. Ook dit verhaal noem ik roman. Dan ben je in ��n keer van het gelazer af,' bedenkt Erik Provenier. Maar de lezer weet wel beter. Meijsing liet zich de afgelopen periode vrijwillig opnemen op een gesloten afdeling van een psychiatrische inrichting. De behandeling was succesvol. 'Het was hem gelukt! Diep afgedaald om in de hel te schouwen, en nu weer onbeschadigd aan het licht!' Het is onmogelijk om Tussen mes en keel anders te lezen dan als het openhartige verslag van een schrijver die het leven voor gezien hield. Dat de pogingen om eruit te stappen mislukten, blijkt vooral op toeval te berusten. Het is precies zoals de psychiater na bijna vierhonderd pagina's nuchter vaststelt: 'Slechts weinig anderen hebben zo'n diepte bereikt en kunnen het nog navertellen.' Er is behoorlijk wat moed voor nodig om zo gedetailleerd over eigen angsten, eigen falen en over alle varianten van zelfhaat te schrijven. Enige ervaring kan Geerten Meijsing niet ontzegd worden. In De grachtengordel (1992) spaarde hij niemand, maar vooral zichzelf niet in de persoon van Erik Provenier. Het blijkt allemaal nog een graadje erger te kunnen: Provenier terroriseert zijn weggelopen geliefde en is, op zijn vriendelijkst gezegd, onmogelijk voor zijn omgeving. Hij wordt door iedereen uitgekotst. Al uit De grachtengordel blijkt dat Erik Provenier een evenwicht zoekt tussen zelfhaat en grenzeloze zelfoverschatting. De schrijver mag zichzelf briljant vinden, hij heeft geen lezers, maar wel een verzameling vijandige critici. In Tussen mes en keel verhaalt Meijsing over de totstandkoming van zijn magnum opus, De ongeschreven leer (1995), en de reacties daarop. 'Ze waren hard aangekomen, de krenkingen die de literaire kritiek hem had aangedaan en de kwetsuren die hij had opgelopen tegen de muur van onverschilligheid van het publiek.' Wie nog eens op LiteRom de ontvangst naleest van zijn vorige roman, moet toegeven dat Meijsing een aantal keren onheus is behandeld. Maar zo erg als hij het in Tussen mes en keel voorstelt, is het nou ook weer niet. Hij vergroot de ellende vanwege het dramatische effect. Daarmee is niet gezegd dat hij zich op dezelfde manier wentelt in zelfbeklag bij de overige zaken. Een jammerklacht is de roman niet geworden, dat geldt alleen voor de passages waarin Provenier wordt gelanceerd als het mislukte schrijvende genie. Wat het ziektebeeld betreft, heeft Geerten Meijsing genoeg afstand kunnen nemen van zijn alter-ego. Dat blijkt vooral uit het laatste hoofdstuk waarin hij een analyse geeft van de oorzaken van de wankele gemoedsgesteldheid van Provenier. De zelfmoordpogingen waren geen roep om hulp of een manier om aandacht te trekken. Na veel gesprekken met de pysychiater en vooral na het bestuderen van vakliteratuur, concludeert Meijsing dat hij lijdt aan MDI (Manic-Depressive Illness): een insluipende stoornis die na de puberteit begint en waardoor het gemoed al vroeg uit het lood raakt. Daarbovenop had hij ook nog eens 'een loeiende depressie' ontwikkeld. Het ziektebeeld heeft te maken met een gebrek aan serotonine, een stof die de hersenen activeert. Met andere woorden: Provenier is 'gewoon' ziek. Dat Meijsing het hele ziekteproces heeft beschreven, deed hij in eerste instantie om verslag uit te brengen aan zichzelf. 'Maar ook voor anderen- voor het eerst dat ik iets dergelijks voelde- want ik wist en zag ook in mijn omgeving hoeveel mensen gehinderd worden door een chemische onbalans in hun kop of gemoed.' Wie autobiografisch schrijft over doorstane ellende, beleeft alles weer opnieuw. In die zin moet het een hele opgave zijn geweest om nog eens die dagelijkse routine in de psychiatrische inrichting op papier te zetten. Tot op het kwartier beschrijft Meijsing wat er met de patienten gebeurt, hoe ze zich gedragen ten opzichte van elkaar en hij verhaalt over het weinige wat er van hen verlangd wordt. Pagina's lang bestaat het relaas uit ziekmakende eentonigheid. De patienten met corvee zijn nog het beste af: zij mogen de kar volladen met borden, bestek, plastic soepbekers, opscheplepels en schaaltjes met peper- en zoutzakjes. En dan is er nog de marteling van het bezoekuur van 13.30-14.15 uur. 'Ik verwachtte geen bezoek; desondanks ging ik vol verwachting in de zaal zitten.() Tot half drie bleef ik altijd verdoofd wachten.' Eveneens weinig opwekkend zijn de groepstherapie�n waaraan Erik Provenier zich onderwerpt. Maar hij doorstaat ze en uiteindelijk wordt hij ontslagen. 'Of liever: ze lieten hem gaan. Op eigen risico.' Dat hij niet echt genezen is, blijkt uit de lotgevallen die volgen. 'De diepste pijn van de zwartkijker is dat hij weet dat hij gelijk heeft alles zo zwart te zien,' concludeert Erik Provenier op de voorlaatste pagina. Of zijn wereldbeeld realistisch is, mag de lezer zelf uitmaken: 'Er is geen betekenis. Het leven is toevallig en het lot is wreed. Structuur is er niet in te vinden. De dingen dragen geen betekenis; en alle betekenis die wij eraan toe willen kennen is misleiding, of kinderspel.' Uit De grachtengordel blijkt dat de naar Itali� ge�migreerde Erik Provenier de allerhoogste eisen stelt aan zichzelf. Met minder neemt hij geen genoegen. Tussen mes en keel laat de kern van het drama zien: het is de persoonlijke tragedie van Geerten Meijsing dat hij aan zijn idealen niet kan voldoen. En dan is leven een opgave. Hij schrijft over zijn dochter die, net voor ze twaalf werd, zelf mocht beslissen en Itali� verruilde voor het Nederland van haar moeder. Even is er 'de glans van de verwachting' als Provenier zich overgeeft aan een vriendin, maar ook dat loopt uit op een volledig echec. De literatuur heeft hij afgezworen. Hij eindigt als een zwerver die door de politie wordt opgebracht. De ontluistering is compleet. Geerten Meijsing kon het niet laten om van zijn 'chemische onbalans' literatuur te maken, maar wat overheerst is toch de realistische weergave van een groot drama. Tragisch en beklemmend.
|
||
|
|
||