De Standaard 14 december 1995

De wereld van Sofie Meijsing

Een roman vol platonitis

GEERTEN MEIJSING
De ongeschreven leer
Amsterdam: De Arbeiderspers
499 blz.

BELANGSTELLENDEN verwijs ik met name naar het Eerste Deel, en naar de tekst die bij de noten hoort en beschouwd kan worden als een grote voetnoot bij de lopende tekst van de noten.'' Geerten Meijsing (1950) stuurt zijn lezer al wandelen met deze voetnoot, nota bene vóór het eerste woord van zijn ,,roman'' die zijn meesterproef moest worden, de neerslag van dertig jaar studie en drie jaar schrijven. Als die goedmenende lezer dan gaat kijken naar dat eerste deel (dat zich achteraan het boek bevindt, want de bladzijden in dit boek lopen niet op maar af), vindt hij niets, want er is geen tekst meer. Dit eerste deel bestaat alleen uit de titel: ,,De ongeschreven leer''. Ja natuurlijk, ik had het moeten weten: de leer is ongeschreven. Dan maar terug naar die voetnoot. Om ze nog vijf keer te herlezen.
Met die voetnoot die zichzelf in de staart bijt, is de toon gezet van deze omgevallen boekenkast, dit verbijsterende, pedante pseudo-boek dat ik heb uitgelezen omdat een recensent dat nu eenmaal moet. En omdat de classicus in me wel wou zien hoe de schrijver zich door het oerwoud van de Platonforschung een weg hakt.
Meijsing etaleert zijn eruditie in 499 voetnoten. Hij verwijst daarin naar andere boeken en vermeldt de gekste hypotesen, interpretaties, tradities en anekdoten die over Plato de ronde doen. Je kan het boek ook zonder voetnoten lezen, leert de gebruiksaanwijzing (ja, dit boek heeft er een, zoals mijn keukenrobot), maar of je er dan iets van begrijpt is nog de vraag.
De lezer die deze secundaire Plato-literatuur doorworstelt, kan zich in ieder geval na het dichtklappen van het boek terecht een tertiair Plato-kenner noemen.
Maar waartoe dient het allemaal?
Deze cijferroman heeft een struktuur die de schepping van de wereld nabootst, lees ik nog in de gebruiksaanwijzing. De tekst bestaat uit precies 144.000 woorden, 499 bladzijden en 499 voetnoten. Het zal allemaal wel een betekenis hebben, maar ze ontsnapt me.
Ik bespaar u nog mijn duiding van de tekstordening op basis van de vijf Platonische meetkundige figuren die op elke linkerbladzijde van het boek prijken en de onvermijdelijke Pythagorische tetractys, die ,,de oorsprong van alle dingen en de bron van de natuur'' is.
Meijsing is niet aan zijn proefstuk toe als het om ,,doortimmerde'' strukturen en getallensymboliek gaat. Deze roman zal ongetwijfeld ook ,,als een kathedraal'' zijn opgebouwd. De auteur is een erudiete esteet die in het Italiaanse Lucca zijn poëtica huldigt, dat de kunst een ontkenning is van het leven, een virtuoos veinzen dat ons de banaliteit van het bestaan moet doen vergeten, een dandyeske pose.

WAAR heeft de auteur zijn inspiratie gehaald? Waaraan hangt hij zijn roman op?
Aristoteles, de dissidente leerling van Plato, vermeldt ergens de ongeschreven leer van zijn leermeester, de agrapha dogmata. De hypotese dat de echte leer van Plato niet in zijn bewaarde dialogen te vinden zou zijn, maar in het mondeling onderricht binnen de Academie, vond vooral aanhangers bij die geleerden die gefrustreerd waren door het literaire, weinig systematische karakter van de platonische dialogen. Als Plato een filozofische gigant was, kon hij toch niet zijn ware gedachten hebben prijsgegeven in deze hybride, literaire vorm die vaak op een aporie eindigt? Zo luidt de cirkelredenering. Nee, de dialogen waren geschreven voor de buitenwacht: het waren teksten die bedoeld waren om sympatie te kweken en leerlingen te werven. De echte leer werd gereserveerd voor de ingewijden in de Academie: naast de exoterische Plato was er dus een esoterische. En deze was de echte.
Het wantrouwen dat de grote schrijver Plato huldigt tegenover het schrift (onder meer in de Phaedrus, maar ook in de tweede en zevende brief die dan natuurlijk aan Plato worden toegeschreven, alhoewel daar geen zekerheid over bestaat) sterkte de adepten van de ongeschreven leer in hun overtuiging: in de mondeling overgeleverde leer school de ware wijsheid van Plato.
Meijsing bouwt op deze hypotese zijn roman. De zoektocht naar de ongeschreven leer wordt een queeste naar de Graal, de steen der wijzen. Duffe kamergeleerden blijken een soort Raiders of the Lost Ark te zijn die de sleutel van het universum in het verschiet weten liggen. De leer drukt het onzegbare uit en maakt alle filozofie overbodig. Daarom wordt hij nagestreefd én verafschuwd.
Natuurlijk is de zoektocht levensgevaarlijk. Natuurlijk is er een komplot. Natuurlijk vallen er doden. Wie de ongeschreven leer in zijn bezit heeft, staat die alleen af bij zijn dood. De ongeschreven leer vraagt erom geopenbaard te worden en tegelijk wordt die openbaring iedereen die haar waagt fataal. Eco heeft in zijn Slinger van Foucault het mekanisme al opgebruikt.
Natuurlijk is dus ook Meijsings boek gevaarlijk. Je mag het niet laten rondslingeren, drukken de redakteurs van De Arbeiderspers ons op het hart. Maar dan is deze recensie ook gevaarlijk. En deze boekenbijlage die u nu in handen houdt. Het is nog niet te laat. Hou hier op met lezen. Gooi dit bijvoegsel weg! Tenzij u gelooft dat de dood uw ziel verlost van haar aardse omhulsel - de kerker! - en haar terugvoert naar haar ware oorsprong. In dat geval zal u wachten op uw moordenaar, terwijl u een haan aan Asclepius, de god van de geneeskunde, offert.
Dat is zowat de boodschap van Meijsing. Maar bij de onthulling van het geheim van de ongeschreven leer blijkt er dus niets te zijn, alleen een lege doos.
We hadden het kunnen weten. Van twee één: of de ongeschreven leer is ongeschreven gebleven, en dan kunnen we haar uit de aard van de zaak niet te pakken krijgen. Of zij is ooit eens neergeschreven, maar dan is ze niet meer wat ze is en zal zij hulpeloos en weerloos worden overgeleverd aan lezers die haar nooit zullen begrijpen, omdat zij de noodzakelijke toelichting van de meester zelf mist.
Het esoterisme waarmee deze roman flirt, bepaalt zijn identiteit altijd door uitsluiting van de andere, de niet ingewijde. Die uitsluiting wordt niet gemotiveerd. Meijsing beperkt zich tot het axioma dat echte kennis niet in geschrifte kan worden vastgelegd en ontslaat zich dus van de verplichting die kennis te argumenteren. De gesloten, tribale samenleving wordt dan weer het model. Een elite roept zichzelf uit tot elite. Dit ,,Platonisme'' leidt tot Pol Pot als het politiek wordt, tot hooghartige literatuur die de lezer misprijst als je Meijsing heet.

HET verhaal dat Meijsing ophangt aan het gegeven van de ongeschreven leer blijft rommelig. In het begin is het ronduit tasten in het duister naar een verhaallijn. Wat de personages uitspoken blijft onduidelijk.
Naarmate je vordert trekt de mist traag op, maar helder wordt het niet. Ik vermoed sterk dat Meijsing zijn informatie ook omgekeerd in het boek heeft gestopt: als de paginering van 499 naar 1 loopt, mag ook mijn verhaal zo lopen, moet hij gedacht hebben. Ik ben er zeker van dat bij een tweede lektuur heel wat op zijn plaats zou vallen. Maar daar ben ik dus niet toe gekomen.
Het verhaal. De warrige fantast Erwin (het fetisjpersonage van Meijsing dat ook in zijn vroegere boeken opduikt) gelooft in de komplotteorie, pleegt zelfmoord en zadelt zijn sceptische schoolvriend Kanger op met de queeste naar de ongeschreven leer. Kanger, de sekretaris van een hoogleraar in een opgeheven filozofisch instituut, gaat zijn verdwenen baas achterna en verzeilt in Tubingen.
Er is de eigenzinnige benedictijn op een motorfiets Gordon, een oom van Erwin. In Tubingen gaat hij werken onder Gaiser en Kramer, de twee coryfeeën van de agrapha dogmata-doctrine. Zijn manuskript met een rekonstruktie van de ongeschreven leer zal in handen vallen van Kanger.
Op het einde van het boek strandt Kanger in Syracuse waar Plato zijn politieke idealen had uitgeprobeerd. Hij ontmoet er Zelda, een jongensachtig meisje dat op haar manier, in het kielzog van haar grootvader en een oudoom, besmet is geraakt door platonitis. De draden van de zoektocht en de personages komen hier samen, maar zoals gezegd is de epopteia (het uiteindelijke vizioen dat de inwijding in de mysterieën bekroont en afsluit) een maat voor niets. Zelda slaat het eerste blad van het manuskript van Gordon op en de roman is uit.
Misschien was de esoterische leer zo eenvoudig dat ze ridikuul werd, laat Meijsing zich ontvallen. Was Plato ook niet afgegaan als een gieter bij een openbare lezing die hij ooit gehouden had, Over het Goede?

DE personages blijven in de steigers staan, de intrige leeft niet, de lokaties zijn willekeurig. Neem nu Syracuse. Meijsing doet weinig met die rommelige, Siciliaanse stad, te provinciaal voor haar groots verleden. Je verblijft er met de helden, zoals het een toerist van stand past in Villa Politi, het Grand Hotel boven de weelderig begroeide steengroeven. Maar als Meijsing je naar het hinterland meeneemt, beweert hij je plots in het Donnafugata te brengen van Lampedusa's boek De Tijgerkat. Dat ligt wel enkele honderden kilometer verder, bij Agrigento.
Meijsing laat nog meer steken vallen. Als hij bij voorbeeld beweert dat Mussolini gevangen zat in Monte Cassino toen hij door een Duits kommando werd bevrijd (p. 274): het was integendeel in Gran Sasso in volle Abruzzen. En het hebben over ,,rechters en jury'' van Socrates toont aan dat men het Atheense rechtssysteem niet kent: de 500 rechters waren de jury (p. 311). Retorika is ook niet hetzelfde als dialektika (p. 232). Meijsing flatert vooral als hij beweert (p. 207) dat Plato niet aanwezig was op het proces van Socrates omdat hij ziek was. Hij verwijst in een voetnoot naar Phaedo, 59b. Als hij die passage zou hebben gelezen, zou hij ontdekt hebben dat het daar over de dood van Socrates gaat. Plato was wél aanwezig op het proces van Socrates (zie Apologie, 38b) maar ziek bij diens dood.
Dat is allemaal schoolmeesterachtig van mij, maar als de schrijver het is, dan mag ik het ook zijn.
Laat ons samenvatten.
Dit boek is een uit de hand gelopen voetnoot, een roman die niet van de grond komt en die op een absurde manier de fameuze opmerking van Whitehead waarmaakt dat de hele westerse wijsbegeerte een serie voetnoten bij Plato is. Volgens Meijsing is dat voor de westerse literatuur nu blijkbaar ook het geval.
Voor wie schrijft Meijsing dit boek? Is het een Plato-cursus voor beginnelingen of gevorderden? Wat moet ik met al die parafrazen van flarden platonische dialogen, uiteenzettingen over transsubstantiatie, masturbatie en celibaat of de zoveelste uitleg van de ,,Vormenleer''? Is dit De wereld van Sofie Meijsing of een status quaestionis, gesponsord door het Fonds voor de Letteren, een late licentiaatstesis die bestaat uit een cocktail van een dozijn boeken? Wie wil de schrijver hier epateren? Gelooft hij zelf nog in het schrijven of wil hij zijn lezer duidelijk maken dat hij nog nergens staat als hij zijn boek heeft gelezen?
Op p. 101 ligt misschien een sleutel: ,,Papier bleef onverschillig, het sprak je niet actief aan; je kon het gemakkelijk negeren of terzijde leggen, het dwong geen aandacht af (of je moest er genoeg moorden of geheimzinnige sterfgevallen op laten plaatsvinden, zoals in zogenaamde pageturners).'' Beschrijft Meijsing hier zijn eigen frustratie als schrijver (kan een schrijver de lezer nog raken?); heeft hij het over zijn eigen boek? En op p. 106 lees ik het volgende: ,,Uiteindelijk wilde iedereen slechts één boek schrijven, waarin alles gezegd werd.'' Maar als je alles wil zeggen, zal je niets zeggen.

DE ONGESCHREVEN LEER is niet de beloofde thriller met finale countdown. Het is niet de aangekondigde philosophical fiction en het heeft mij niet gekonfronteerd met ,,een aantal kernvragen (...): Is de ziel onsterfelijk? Hoe is de wereld geschapen? Wat weten we eigenlijk?'' (flaptekst). Volgens Kanger worden de beste boeken in de gevangenis geschreven, door schrijvers die met hun rug tegen de muur staan. Want hoe kan je iets te vertellen hebben als je leven niet tot een minimum is teruggebracht? Dit boek is niet in een gevangenis geschreven: het is de vrucht van scholè, vrije tijd, van studie en van veel vrijblijvendheid.
Het boek eindigt - uiteraard - met een voetnoot, waarvan de druk altijd kleiner wordt. Als je aandachtig kijkt, kan je een citaat uit de Timaeus ontcijferen over de kunstenaar die zal falen bij het scheppen van het kunstwerk als hij alleen techniek en rede bezit: hij heeft de dwaasheid en de bezieling van de Muzen nodig. Meijsing mist beiden.
De redaktie van de Arbeiderspers eindigt haar gebruiksaanwijzing bij het boek met een citaat van ...Plato: ,,Degene die dit leest, in de waan dat er ook maar iets duidelijk wordt uit hetgeen geschreven staat, is simpel en dwaas.'' Ik zou het niet beter kunnen formuleren.
De dichter J.C. Bloem schreef ooit dat hij ontzaglijk geleerd zou willen zijn en er niets mee doen. Meijsing heeft er iets mee willen doen. En het is hem fataal geworden.
LUC DEVOLDERE


DS Infobib DS Home

[ Infobib ] [ DS home ]

Hosted by www.Geocities.ws

1