GEERTEN MEIJSING
De ongeschreven leer
Amsterdam: De Arbeiderspers
499 blz.
BELANGSTELLENDEN verwijs ik met name naar het Eerste Deel, en naar de
tekst die bij de noten hoort en beschouwd kan worden als een grote
voetnoot bij de lopende tekst van de noten.'' Geerten Meijsing (1950) stuurt zijn
lezer al wandelen met deze voetnoot, nota bene vóór het eerste woord van
zijn ,,roman'' die zijn meesterproef moest worden, de neerslag van dertig
jaar studie en drie jaar schrijven. Als die goedmenende lezer dan gaat kijken
naar dat eerste deel (dat zich achteraan het boek bevindt, want de
bladzijden in dit boek lopen niet op maar af), vindt hij niets, want er is geen
tekst meer. Dit eerste deel bestaat alleen uit de titel: ,,De ongeschreven
leer''. Ja natuurlijk, ik had het moeten weten: de leer is ongeschreven. Dan
maar terug naar die voetnoot. Om ze nog vijf keer te herlezen.
Met die voetnoot die zichzelf in de staart bijt, is de toon gezet van
deze omgevallen boekenkast, dit verbijsterende, pedante pseudo-boek dat ik heb
uitgelezen omdat een recensent dat nu eenmaal moet. En omdat de classicus
in me wel wou zien hoe de schrijver zich door het oerwoud van de
Platonforschung een weg hakt.
Meijsing etaleert zijn eruditie in 499 voetnoten. Hij verwijst daarin
naar andere boeken en vermeldt de gekste hypotesen, interpretaties, tradities
en anekdoten die over Plato de ronde doen. Je kan het boek ook zonder
voetnoten lezen, leert de gebruiksaanwijzing (ja, dit boek heeft er een, zoals
mijn keukenrobot), maar of je er dan iets van begrijpt is nog de vraag.
De lezer die deze secundaire Plato-literatuur doorworstelt, kan zich in
ieder geval na het dichtklappen van het boek terecht een tertiair
Plato-kenner noemen.
Maar waartoe dient het allemaal?
Deze cijferroman heeft een struktuur die de schepping van de wereld
nabootst, lees ik nog in de gebruiksaanwijzing. De tekst bestaat uit precies
144.000 woorden, 499 bladzijden en 499 voetnoten. Het zal allemaal wel een
betekenis hebben, maar ze ontsnapt me.
Ik bespaar u nog mijn duiding van de tekstordening op basis van de vijf
Platonische meetkundige figuren die op elke linkerbladzijde van het boek
prijken en de onvermijdelijke Pythagorische tetractys, die ,,de oorsprong van
alle dingen en de bron van de natuur'' is.
Meijsing is niet aan zijn proefstuk toe als het om ,,doortimmerde''
strukturen en getallensymboliek gaat. Deze roman zal ongetwijfeld ook ,,als een
kathedraal'' zijn opgebouwd. De auteur is een erudiete esteet die in het
Italiaanse Lucca zijn poëtica huldigt, dat de kunst een ontkenning is van het
leven, een virtuoos veinzen dat ons de banaliteit van het bestaan moet
doen vergeten, een dandyeske pose.
WAAR heeft de auteur zijn inspiratie gehaald? Waaraan hangt hij zijn
roman op?
Aristoteles, de dissidente leerling van Plato, vermeldt ergens de
ongeschreven leer van zijn leermeester, de agrapha dogmata. De hypotese
dat de echte leer van Plato niet in zijn bewaarde dialogen te vinden zou
zijn, maar in het mondeling onderricht binnen de Academie, vond vooral
aanhangers bij die geleerden die gefrustreerd waren door het literaire, weinig
systematische karakter van de platonische dialogen. Als Plato een
filozofische gigant was, kon hij toch niet zijn ware gedachten hebben prijsgegeven in
deze hybride, literaire vorm die vaak op een aporie eindigt? Zo luidt de
cirkelredenering. Nee, de dialogen waren geschreven voor de buitenwacht: het
waren teksten die bedoeld waren om sympatie te kweken en leerlingen te
werven. De echte leer werd gereserveerd voor de ingewijden in de Academie:
naast de exoterische Plato was er dus een esoterische. En deze was de echte.
Het wantrouwen dat de grote schrijver Plato huldigt tegenover het schrift
(onder meer in de Phaedrus, maar ook in de tweede en zevende
brief die dan natuurlijk aan Plato worden toegeschreven, alhoewel daar geen
zekerheid over bestaat) sterkte de adepten van de ongeschreven leer in hun
overtuiging: in de mondeling overgeleverde leer school de ware wijsheid van
Plato.
Meijsing bouwt op deze hypotese zijn roman. De zoektocht naar de
ongeschreven leer wordt een queeste naar de Graal, de steen der wijzen. Duffe
kamergeleerden blijken een soort Raiders of the Lost Ark te zijn die
de sleutel van het universum in het verschiet weten liggen. De leer drukt
het onzegbare uit en maakt alle filozofie overbodig. Daarom wordt hij
nagestreefd én verafschuwd.
Natuurlijk is de zoektocht levensgevaarlijk. Natuurlijk is er een
komplot. Natuurlijk vallen er doden. Wie de ongeschreven leer in zijn bezit heeft,
staat die alleen af bij zijn dood. De ongeschreven leer vraagt erom
geopenbaard te worden en tegelijk wordt die openbaring iedereen die haar waagt
fataal. Eco heeft in zijn Slinger van Foucault het mekanisme al
opgebruikt.
Natuurlijk is dus ook Meijsings boek gevaarlijk. Je mag het niet laten
rondslingeren, drukken de redakteurs van De Arbeiderspers ons op het hart.
Maar dan is deze recensie ook gevaarlijk. En deze boekenbijlage die u nu in
handen houdt. Het is nog niet te laat. Hou hier op met lezen. Gooi dit
bijvoegsel weg! Tenzij u gelooft dat de dood uw ziel verlost van haar aardse
omhulsel - de kerker! - en haar terugvoert naar haar ware oorsprong. In dat
geval zal u wachten op uw moordenaar, terwijl u een haan aan Asclepius, de
god van de geneeskunde, offert.
Dat is zowat de boodschap van Meijsing. Maar bij de onthulling van het
geheim van de ongeschreven leer blijkt er dus niets te zijn, alleen een lege
doos.
We hadden het kunnen weten. Van twee één: of de ongeschreven leer is
ongeschreven gebleven, en dan kunnen we haar uit de aard van de zaak niet te
pakken krijgen. Of zij is ooit eens neergeschreven, maar dan is ze niet meer
wat ze is en zal zij hulpeloos en weerloos worden overgeleverd aan lezers
die haar nooit zullen begrijpen, omdat zij de noodzakelijke toelichting van
de meester zelf mist.
Het esoterisme waarmee deze roman flirt, bepaalt zijn identiteit altijd
door uitsluiting van de andere, de niet ingewijde. Die uitsluiting wordt
niet gemotiveerd. Meijsing beperkt zich tot het axioma dat echte kennis niet
in geschrifte kan worden vastgelegd en ontslaat zich dus van de verplichting
die kennis te argumenteren. De gesloten, tribale samenleving wordt dan
weer het model. Een elite roept zichzelf uit tot elite. Dit ,,Platonisme''
leidt tot Pol Pot als het politiek wordt, tot hooghartige literatuur die de
lezer misprijst als je Meijsing heet.
HET verhaal dat Meijsing ophangt aan het gegeven van de ongeschreven
leer blijft rommelig. In het begin is het ronduit tasten in het duister
naar een verhaallijn. Wat de personages uitspoken blijft onduidelijk.
Naarmate je vordert trekt de mist traag op, maar helder wordt het niet.
Ik vermoed sterk dat Meijsing zijn informatie ook omgekeerd in het boek
heeft gestopt: als de paginering van 499 naar 1 loopt, mag ook mijn verhaal zo
lopen, moet hij gedacht hebben. Ik ben er zeker van dat bij een tweede
lektuur heel wat op zijn plaats zou vallen. Maar daar ben ik dus niet toe
gekomen.
Het verhaal. De warrige fantast Erwin (het fetisjpersonage van Meijsing
dat ook in zijn vroegere boeken opduikt) gelooft in de komplotteorie, pleegt
zelfmoord en zadelt zijn sceptische schoolvriend Kanger op met de queeste
naar de ongeschreven leer. Kanger, de sekretaris van een hoogleraar in een
opgeheven filozofisch instituut, gaat zijn verdwenen baas achterna en
verzeilt in Tubingen.
Er is de eigenzinnige benedictijn op een motorfiets Gordon, een oom van
Erwin. In Tubingen gaat hij werken onder Gaiser en Kramer, de twee coryfeeën
van de agrapha dogmata-doctrine. Zijn manuskript met een
rekonstruktie van de ongeschreven leer zal in handen vallen van Kanger.
Op het einde van het boek strandt Kanger in Syracuse waar Plato zijn
politieke idealen had uitgeprobeerd. Hij ontmoet er Zelda, een jongensachtig
meisje dat op haar manier, in het kielzog van haar grootvader en een
oudoom, besmet is geraakt door platonitis. De draden van de zoektocht en de
personages komen hier samen, maar zoals gezegd is de epopteia (het
uiteindelijke vizioen dat de inwijding in de mysterieën bekroont en afsluit)
een maat voor niets. Zelda slaat het eerste blad van het manuskript van
Gordon op en de roman is uit.
Misschien was de esoterische leer zo eenvoudig dat ze ridikuul werd, laat
Meijsing zich ontvallen. Was Plato ook niet afgegaan als een gieter bij
een openbare lezing die hij ooit gehouden had, Over het Goede?
Meijsing laat nog meer steken vallen. Als hij bij voorbeeld beweert dat
Mussolini gevangen zat in Monte Cassino toen hij door een Duits kommando
werd bevrijd (p. 274): het was integendeel in Gran Sasso in volle Abruzzen.
En het hebben over ,,rechters en jury'' van Socrates toont aan dat men het
Atheense rechtssysteem niet kent: de 500 rechters waren de jury (p. 311).
Retorika is ook niet hetzelfde als dialektika (p. 232). Meijsing flatert
vooral als hij beweert (p. 207) dat Plato niet aanwezig was op het proces
van Socrates omdat hij ziek was. Hij verwijst in een voetnoot naar
Phaedo, 59b. Als hij die passage zou hebben gelezen, zou hij ontdekt
hebben dat het daar over de dood van Socrates gaat. Plato was wél aanwezig op
het proces van Socrates (zie Apologie, 38b) maar ziek bij diens
dood.
Dat is allemaal schoolmeesterachtig van mij, maar als de schrijver het
is, dan mag ik het ook zijn.
Laat ons samenvatten.
Dit boek is een uit de hand gelopen voetnoot, een roman die niet van de
grond komt en die op een absurde manier de fameuze opmerking van Whitehead
waarmaakt dat de hele westerse wijsbegeerte een serie voetnoten bij Plato
is. Volgens Meijsing is dat voor de westerse literatuur nu blijkbaar ook het
geval.
Voor wie schrijft Meijsing dit boek? Is het een Plato-cursus voor
beginnelingen of gevorderden? Wat moet ik met al die parafrazen van flarden
platonische dialogen, uiteenzettingen over transsubstantiatie, masturbatie en
celibaat of de zoveelste uitleg van de ,,Vormenleer''? Is dit De wereld
van Sofie Meijsing of een status quaestionis, gesponsord door
het Fonds voor de Letteren, een late licentiaatstesis die bestaat uit een
cocktail van een dozijn boeken? Wie wil de schrijver hier epateren? Gelooft
hij zelf nog in het schrijven of wil hij zijn lezer duidelijk maken dat
hij nog nergens staat als hij zijn boek heeft gelezen?
Op p. 101 ligt misschien een sleutel: ,,Papier bleef onverschillig, het
sprak je niet actief aan; je kon het gemakkelijk negeren of terzijde
leggen, het dwong geen aandacht af (of je moest er genoeg moorden of
geheimzinnige sterfgevallen op laten plaatsvinden, zoals in zogenaamde
pageturners).'' Beschrijft Meijsing hier zijn eigen frustratie als schrijver (kan
een schrijver de lezer nog raken?); heeft hij het over zijn eigen boek? En
op p. 106 lees ik het volgende: ,,Uiteindelijk wilde iedereen slechts één
boek schrijven, waarin alles gezegd werd.'' Maar als je alles wil zeggen,
zal je niets zeggen.
DE ONGESCHREVEN LEER is niet de beloofde thriller met finale
countdown. Het is niet de aangekondigde philosophical fiction en het
heeft mij niet gekonfronteerd met ,,een aantal kernvragen (...): Is de ziel
onsterfelijk? Hoe is de wereld geschapen? Wat weten we eigenlijk?''
(flaptekst). Volgens Kanger worden de beste boeken in de gevangenis geschreven, door
schrijvers die met hun rug tegen de muur staan. Want hoe kan je iets te
vertellen hebben als je leven niet tot een minimum is teruggebracht? Dit boek
is niet in een gevangenis geschreven: het is de vrucht van scholè,
vrije tijd, van studie en van veel vrijblijvendheid.
Het boek eindigt - uiteraard - met een voetnoot, waarvan de druk altijd
kleiner wordt. Als je aandachtig kijkt, kan je een citaat uit de
Timaeus ontcijferen over de kunstenaar die zal falen bij het scheppen van
het kunstwerk als hij alleen techniek en rede bezit: hij heeft de dwaasheid
en de bezieling van de Muzen nodig. Meijsing mist beiden.
De redaktie van de Arbeiderspers eindigt haar gebruiksaanwijzing bij het
boek met een citaat van ...Plato: ,,Degene die dit leest, in de waan dat er
ook maar iets duidelijk wordt uit hetgeen geschreven staat, is simpel en
dwaas.'' Ik zou het niet beter kunnen formuleren.
De dichter J.C. Bloem schreef ooit dat hij ontzaglijk geleerd zou willen
zijn en er niets mee doen. Meijsing heeft er iets mee willen doen. En het
is hem fataal geworden.
LUC DEVOLDERE