Schrijver Meijsing, Doeschka
Titel Robinson
Jaar van uitgave 1976
Bron NRC Handelsblad
Publicatiedatum 16-04-1976
Recensent Reinjan Mulder
Recensietitel De verwarring van de jonge Robinson
Een prachtig boek, spannend en toch ook een beetje zielig. Dat is Robinson, het tweede boek van
Doeschka Meijsing, wanneer je het snel en heel oppervlakkig doorleest.
Een zeventienjarig meisje verhuist met haar moeder naar een plaats dicht bij de zee en komt op een nieuwe school. Ze maakt dingen mee die iedereen op zulke scholen meemaakt: er is een strenge rector die niets liever doet dan heersen en dorheid kweken, leerlingen schrijven huiswerk van elkaar over. En er is natuurlijk de brutale klasgenoot die de leraren recht in hun gezicht de waarheid durft te zeggen. De moeder van het meisje is een stijve, door en door fatsoenlijke datne die zich ergert aan spijkerbroeken met rafels en vragen stelt als "Wassen we ons tegenwoordig niet meer?" Er bloeit een liefde op, een buitenechtelijke verhouding, gevolgd door haat en jaloezie. Ten slotte lezen we over een progressieve lerares die het leven veel beter begrijpt en daarom ontslagen wordt.
Deze spannende zaken vormen echter niet meer dan het topje van een reusachtige ijsberg. Achter het verbluffend goed geschreven verhaal over het leven van een schonere gaat heel wat meer schuil. Het maakt Robinson tot een evenwichtig opgebouwde roman, over problemen die je niet anders kunt omschrijven dan met woorden zoals vrijheid, liefde, macht. Kortom: een boek over het menselijk bestaan.
Het begint meteen goed op de eerste bladzijden. "En plotseling was alles anders dan vroeger. De zomer was wel zo warm als ze zich herinnerde, de mussen vielen als vanouds van de daken, maar daar bleef het bij. Deze stad was nieuw." En het eindigt niet minder op de laatste bladzijde als de hoofdpersoon ziet dat er voorlopig geen kans is om het leven te leiden dat ze zelf wil. Maar op die laatste bladzijde is ze wel een stuk wijzer geworden. Ze weet in ieder geval welk leven ze wil leiden.
De schonere waar het allemaal om draait heet Robinson en daarmee zitten we al midden in de problemen. Een meisje met een jongensnaam, daar is wat mee.
Haar vader, kapitein op een groot schip, had op een zoon gerekend en toen het dan een meisje bleek te zijn moest ze, zo koppig als hij was, Robinson heten, "... een naam in plaats van een werkelijkheid, een eiland in plaats van het vasteland. In één klap kwamen alle herinneringen weer boven, in onstuitbare golven, en zij moest er maar mee zien klaar te komen."
Moeder en vader
Omdat de vader vaak maanden op zee is, heeft haar moeder, een vrouw met grijze ogen, alle kans om ongestoord de ouderlijke macht uit te oefenen. En dat is me een macht. Niet met klappen of verbieden, maar gemener. Jennend en slijmend weet ze haar dochter alle zelfvertrouwen te ontnemen. Robinson sluit zich af, geeft nietszeggende antwoorden op alle vragen die haar gesteld worden. Hoe meer haar moeder zou weten, en er is eigenlijk niets te weten, des te sterker zou haar macht worden. Als de rector van de nieuwe school al evenzeer op regelmaat en fatsoen gesteld blijkt te zijn, is haar moeder zeer tevreden, "een kleine man aan wie alles grijs was, zijn pak, zijn haren, zijn ogen, zijn vulpen." Binnen korte tijd weet ze, als vrouw van een kapitein, een plaats in het oudercomité te bemachtigen.
Zo is de situatie als het verhaal begint. Robinson ziet scherp welke mensen niet deugen, wie de goede mensen zijn blijft voorlopig vaag. Aanvankelijk wordt ze geboeid door haar klasgenoot Daniel, een vrijgevochten jongetje met veel praatjes. Toch vertrouwt ze hem meteen al niet. Daar zijn zijn ogen te licht voor. Het wantrouwen groeit als hij een neeije van de rector blijkt te zijn, en helemaal als haar moeder hem een aardig jongetje met manieren vindt. Steeds duidelijker wordt dat hi . niet alleen probeert macht uit te oefenen, maar dat hij mensen gewetenloos tegen elkaar uitspeelt. Vol haat en jaloezie zit hij, zonder dat hij er weet van heeft. Hij is slecht en dom tegelijk.
Tegenover deze lieden die er op uit zijn de mooie dingen van het leven te vernietigen komen een paar goede mensen naar voren. Als eerste Robinsons vader, een charmante gebruinde zeekapitein, die het varen nooit voor zijn echtgenote heeft willen opgeven. Iemand die weet wat vrijheid is. Meer dan eens associeert Robinson hem met alles wat leeft: zeilschepen, piraten, zeeslagen, vreemde landen, en ook met liefde.
De andere persoon die zich in het leven goed opstelt is de ongeremde lerares Duits, Johanna Freida, door Robinson onmiddellijk met een schip vergeleken: de Johanna Freida. Een lange vrouw met donkerbruine ogen. Zoals haar vader thuis de bekrompen moeder tegenspel biedt, zo lapt deze Johanna Freida op school alle orderegels van de rector aan haar laars. Zij wordt een symbool van vrijheid en leuke dingen. Robinson bewondert haar. Na lang aarzelen gaat ze bij haar op bezoek. De verwarring bereikt een hoogtepunt. De lerares legt uit wat verliefdheid is en Robinson voelt hoe haar gevoelens in de knoop komen te zitten, "hoe dat verdriet zich uitkristalliseerde en haar hard en onbruikbaar maakte, stamelend in haar woorden". Het is Daniel, die al het mooie wat zich zou kunnen ontwikkelen verprutst en het verhaal eindigt met smart en verlangen.
Alles past perfect
Doeschka Meijsing debuteerde in 1974 met de verhalenbundel De Hanen. Zeven
geconcentreerde verhalen die zich niet allemaal op het eerste gezicht lieten overzien. Knappe constructies, maar tamelijk gedekt opgeschreven. Geen boekje om in één ruk en met rooie oortjes uit te lezen. Nu, met Robinson, heeft Doeschka Meijsing laten zien dat ze tot veel meer in staat is.
Het zijn weer knappe constructies, maar daarbij zijn ze ongemerkt in de roman opgenomen. Al lezend merkje nauwelijks hoe de schrijfster op het juiste moment, als doorvertellen de spanning zou breken, stopt voor een intermezzo. Hoe ze bepaalde gebeurtenissen over slaat om pas veel later summier aan te geven wat zich heeft afgespeeld. Alles past perfect in elkaar en aan het eind gekomen zie je dat niets weggelaten had kunnen worden.
De roman bevat stukjes over zeevaart, over zeehelden, heksenprocessen, een uitweiding over de
natuurkundige eigenschappen van water, korte herinneringen aan eerdere levensjaren. Feilloos
zijn ze in het geheel ingevoegd. Steeds ben je benieuwd hoe het met Robinson verder gaat, maar
nergens krijg je de neiging om daarom de zijpaden maar over te slaan.
Het mooiste is echter dat de schrijfster van De Hanen nu wat meer van zichzelf laat zien. Het is allemaal niet meer zo gedekt opgeschreven. De gebeurtenissen liggen dan ook dichter bij huis. Een stad die sterk aan Haarlem doet denken, een schoolsituatie zoals velen van nabij hebben meegemaakt en een paar romanfiguren waar de schrijfster zich nauw bij betrokken voelt. Dit heeft Robinson tot een levend boek gemaakt. Een boek met zinnen, zo scherp dat ze soms een agressieve toon krijgen. Deze felheid (die je op elke bladzijde voelt, maakt Robinson tot een enorm boek. Al gaat het voortdurende gekanker op mensen met grijze ogen me wel vervelen. Die mensen kunnen dat immers ook niet helpen.