De bij Vaco N.V. uitgegeven roman Herinneringen aan Mariënburg bechrijft de levensgeschiedenis van Sita. Zij werd geboren als oudste dochter van Susila Sahaldeo, beslist geen gewone koeliemeid: in haar eigen land behoorde ze tot een schatrijke familie. Haar vader was grootgrondbezitter, de belangrijkste man in een dorp niet ver van Bombay in het voormalige Brits-Indië. In 1888 kwam Susila naar Suriname en werd tewerkgesteld in het huis van de directeur van de suikeronderneming Mariënburg. |
Deze directeur, de Scot Mavor, begon een buitenechtelijke verhouding met haar en hieruit werden twee dochters geboren. In 1902 werd Mavor vermoord tijdens een opstand op de plantage ten gevolge van de zoveelste loonsverlaging. Op de lonen werd namelijk steeds vaker in de opdracht van de eigenaren een bedrag in mindering gebrachat en toen er weer sprake was van een verlaging, raakten de gemoederen danig verhit; de directeur werd als gevolg daarvan "door meer dan 200 razende en tierende koelies buiten de fabriek met houwers op de meest barbaarsche wijze afgemaakt". Aldus een citaat uit Het Koloniaal Verslag, opgenomen in DeKlerk (De immigratie der Hindoestanen in Suriname. Urbi et Orbi, Amsterdam, 1953: 141-142). Deze opstand werd bloedig onderdrukt: er vielen ongeveer twintig doden en de lijken werden op een verborgen plek in een massagraf geworpen tussen twee lagen ongebluste kalk.
Susila werd na de dood van Mavor als kindermeisje tegengewerkt op Plantage Peperpot. Haar kinderen werden haar afgenomen en ondergebracht in een weeshuis van de R.K.-missie. Het jongste meisje, Damayanti, werd al snel geadopteerd door een echtpaar, dat kort daarop naar England terugkeerde en Sita bleef bleef bij de nonnen wonen tot ze op eigen benen kon staan. Net als haar moeder kreeg ze een relatie met haar werkgever, waaruit twee (buitenechtelijke) kinderen geboren werden. Na de dood van haar geliefde trouwde ze met een Creoolse oppasser en ging terug naar Mariënburg toen haar man er een baan aangeboden kreeg. Daar hoorde ze hoe het met de plantage gelopen was en dat er van tijd tot tijd allerlei ongelukken gebeurden waar geen plausibele verklaringen voor gegeven kon worden. De bevolking fluisterde dat het een schuldaflossing betrof (payman, kwalat), omdat van de doden die tijdens de ongeregeldheden waren gevallen geen afscheid was genomen door de nabestaanden, die immers niet wisten waar het massagraf was. Sita's dochter stierf kort na de geboorte de zg. wiegedood (ook een payman?) en vanaf toen was het leven op Mariënburg een kwelling voor Sita. Na enkele jaren verhuisde ze weer naar Paramaribo in de wetenschap dat Mariënburg nog steeds zijn payman, zijn kwalat had: Mariënburg bleef verbonden met nare herinneringen.
Rondom dezelfde opstand van de koelies had Mc Leod al een boek geschreven, dat ongeveer vier maanden eerder verschenen was: Tweemaal Mariënburg (Conserve, Schoorl, 1997). Beide boeken hebben Mariënburg tot onderwerp, wat al direct tot uiting komt in de titels. De vraag die bij het lezen rijst is: waarom twee boeken over hetzelfde onderwerp?
In beide boeken wordt de geschiedenis van de opstand verhaald en lezen we over de ongelukken (payman, kwalat?) die in de jaren daarna plaatshadden. In beide boeken worden de gebeurtenissen op de suikerplantage Mariëmburg uit de herinnering van een oude vrouw verteld, een oude vrouw die in de deel van haar herinnering weer het 10-jarige meisje is, dat op Mariënburg woont voor en kort na de bloedige onderdrukking van de opstand waarbij de plantagedirecteur vermoord was, de tijd dat het voor de nabestaanden verborgen massagraf zijn tol begint te eisen. In Tweemaal Mariënburg is dat Jetje, de dochter van boekhouder Bergen, in Herinneringen aan Mariënburg is dat Sita, de dochter van Susila, het liefje van de plantagedirecteur.
Beide meisjes verlaten Mariënburg kort na de opstand en keren er terug als ze getrouwd zijn en hun respectieve echtgenoten er gaan werken: Vaneyke, de man van Jetje, als geneesheer en Emiel Rijken, de man van Sita., als oppasser. Beide vrouwen verliezen een kind in deze periode, wat ertoe leidt dat ze Mariënburg ten slotte de rug toekeren. In beide boeken fluisteren de mensen dat deze ongelukken (waaronder de dood van de beide kinderen dus) te maken hebben met het feit dat de families na de opstand in 1902 geen afscheid hebben kunnen nemen van hun doden.
Wat ziet de lezer dus?
Bij zowel Jetje als Sita speelt Mariënburg in haar herinneringen een rol. Beide verhalen gaan over de payman. Waarom dan twee boeken? Mc Leod geeft op deze vraag een antwoord. In een interview met Rudi Wester in Vrij Nederland van 11 oktober 1997 zegt ze: "Het boek dat ik voor de Surinaamse uitgeverij Vaco heb en dat nog lang niet uit is, heet dan ook Hoeveel Payman had Mariënburg en dat is overigens geschreven vanuit het perspectief van een koeliekind."
Mc Leod suggereert hiermee dat in dit boek (dat nu de titel Herinneringen aan Mariënburg draagt) de geschiedenis beschreven wordt vanuit de ogen van de koelie, vanuit de koeliecultuur dus, maar is dat wel zo?
Sita was inderdaa een koeliekind, omdat haar moeder als contractarbeidster uit Brits-Indië werkte op de plantage (N.B. als een soort kamermeisje van de dochters van de directeur), maar dat is ook het enige waardoor ze als een koelie aangeduid kan worden. Ze behoorde voor de rest in feite beslist niet tot de koeliecultuur. Allereerst kwam Sita's moeder, zoals eerder gezegd, uit een zeer rijk gezin, wat beslist uniek mag worden genoemd onder de koelies. Thuis spraken Sita en haar zus Engels tot elkaar en tot hun moeder, die zelf haar goede beheersing van deze taal van huis uit had meegekregen. Ook dit is uniek in de koeliecultuur. Mc Leod laat Sita verder beschrijven hoe weinig contact er was tussen haar moeder Susila en de koeliegemeenschap, omdat deze haar als liefje van de directeur als een verraadster beschouwde (blz 27), hoewel Sita zichzelf daarna in feite tegenspreekt als ze op pag. 63 aangeeft dat ze vroeger op Mariënburg genoeg hindoehuwelijken had meegemaakt: zelfs met haar vriendin Usha onderhield Sita alleen contact al Usha's vader en overige familie niet in de buurt waren. Usha kookte vaak en gaf Sita koelie-eten te proeven (pag 23), want dat kende Sita niet: haar moeder kookte nooit, dus ook geen koelie-eten (pag 25): dat haalden ze later op de koeliemarkt.
Welk echt koeliekind leefde zo rond 1902? Als Susila (die zoals eerder gezegd Engels praat tegen de meisjes) niet wenst dat haar dochter over bepaalde zaken praat, zegt ze op blz 18: "Tyup kare", wat betekent: ik laat iemand (anders) stil zijn (tuyp zijn), zwijgen. Zo praat een koelie niet. Susila zou zeggen: "Tu tyup rah" of "Tu tyup rahu", wat "wees stil" of "blijf stil" betekent. Mc Leod gebruikt "tyup kare", wat alleen door niet-koelies en niet-kenners van de taal, die toen (rond 1900) al volop in ontwikkeling was, gebruikt wordt. Het doet denken aan "kakere, kakere" als er denigrerend over de koelietaal gesproken wordt door mensen die niet tot die cultuurgroep behoren. Mc Leod zegt in het interviewdat er weinig respect was voor koelies en het zou daarom verwactbaar zijn dat ze meer zorgvuldigheid blijk zou geven, wat gemakkelijk had gekund als ze te rade was gegaan bij een kenner van de taal.
Sita lijkt ook verder in niets op een koeliekind. Hiermee bedoel ik dat er in dit boek geen sprake is van een perspectief vanuit de koeliecultuur, zoals Mc Leod suggereert. Wat over deze cultuur gezegd wordt, is een beschouwing van buitenaf, is een gebruikmaken van stereotypen over die cultuurgroep.
Mc Leod geeft zowel Sita als Jetje in haar jeugd grote-mensen-gedachten. Een voorbeeld hiervan staat op pag 44. Sita heeft het over "het katholieke bolwerk". De verklaring die eraan voorafgaat, is dat Sita dat woord pas op school heeft geleerd. Arme Sita, net van plantage, weg van haar moeder die alleen Engels met haar sprak (behalve natuurlijk als ze tyup kare zei), net weg van de koelieschool op Mariënburg, waar ze nog geen Nederlands geleerd had, en de ondeugende Sita, nauwelijks op school bij de katholieken, praat al over "het katholieke bolwerk", net als een bige s'ma. [Op koeliescholen, waarvan de eerste op Mariënburg en Waterloo in 1890 werden geopend, was het hindostaans (of wat in die tijd daarvoor mocht doorgaan) de voertaal en deze koeliescholen werden eerst in 1907 op last van de Koloniale Staten gesloten].
In Tweemaal Mariënburg is het de 9-jarige Jetje die de koeliemarkt op blz 33 als feeëriek beschrijft. Natuurlijk had ze ook kortgeleden geleerd wat dat betekende: nadat ze het woord had gelezen in een boek had haar moeder haar uitgelegd wat het betekende.
In hetzelfde boek laat Mc Leod op blz 59 het 14-jarige koeliekind Shakuntala eraan denken dat "zij, de koeliekinderen hadden geleerd dat ze onderdanig moesten zijn". Hoe bedenkt Shakuntala dat zo, en hoe valt dat te rijmen met de verre van onderdanige reactie van Shakuntala's vader als op de dag dat Skakuntala en de zoon van haar werkgever "betrapt zijn" de twee vaders de zaak bespreken? "Mahadeo sprak heel hard en zei een heleboel boze woorden" (blz 81). Nee, de gedachte aan het zg. onderdanig opgevoed worden van koeliekinderenn is niet alleen incorrect en niet kinderlijk, maar -en dat is pas ernstigvooroordeelbevestigend. Ik volsta met dit voorbeeld en laat andere vooroordeelbevestigende opvattingen t.a.v. de koelie in het destbetreffende boek voor wat ze zijn. Wat het hier om gaat, is dat de hindoeïstische levensbeschouwing die ten grondslag ligt aan het handelen van deze cultuurgroep volstrekt niet aan de orde komt. Het is daarom heel goed dat de nationale televisie hindoe-epen, zoals de Ramayana en de Mahabharata, die behoren tot de klassieken uit de wereldliteratuur, in afleveringen heeft uitgezonden: zulke zaken kunnen ertoe bijdragen dat veroordelen verdwijnen. Door een zekere mate van bekendheid met elkaars culturen zullen we dan ook een pandit rond 1902 (toen er sprake was van een overschot aan mannen onder de koelies) geen huwelijk laten arrangeren tussen een hindoevrouw (Susila) en een Moslim (Emambux), zoals Mc Leod (op blz 40 in Tweemaal Mariënburg ) doet. En we zouden dan ook weten dat het na de huwelijksvoltrekking zonder meer voortzetten van een verhouding met een andere man (de verhouding Sita - Mavor) ook op zijn minst een vreemde zaak is, om niet te zeggen volstrekt niet past binnen de levensbeschouwing van de koelies,
Een andere vreemde zaak (in de zin dat de functie ervan onduidelijk is ) is de veschillende levensloop van Susila in de twee boeken. Van Susila, de moeder van Sita, wordt in Herinneringen aan Mariënburg verteld hoe ze uit Brits-Indië vlucht met haar geliefde Radjen. Ze worden tewerkgesteld op de plantage en omdat Susila voor verdarbeider niet geschikt was - ze was immers een rijk meisje en "rijke meisjes leerden in India dus over kleren en sieraden, religieuze liederen en gebeden maar daarmee kan je geen veldwerk of huishouding doen:. (pag. 16-17) -, mocht ze in het huis van Mavor werken als een soort kamermeisje van de dochters van de directeur. Radjen stierf na drie jaar en Mavor begon toen een relatie met haar. Van een huwelijk met Emambux, zoals in Tweemaal Mariënburg wordt hier niet gerept. Er is gewoon geen man in huis.
Concluderend kan gesteld worden dat er geen essentieel (cultureel) verschil bestaat tussen Sita en Jetje. Sita of Jetje maakt weinig uit: het vershil bestaat slechts uit aan de oppervlakte. Twee wezenlijk verschillende romans schrijven over één gegeven kan, zoals o.a. Albert Helman (zie De laaiende stilte en De stille plantage) heeft bewezen. Mc Leod echter slaagt daar in haar laatste twee romans niet in, al heeft ze dit procédé al eerder gehanteerd. In 1993 schreef ze Vaarwel Merodia (Vaco, Paramaribo), een kroniek van een Surinaamse familie 1820 - 1890 en in 1996 Ma Rochelle Passée, Welkom Eldorado (Conserve, Schoorl), twee roman met hetzelfde thema. Het zou interessant zijn (o.a. in verband met dit procédé) een intertekstueel onderzoek te doen naar het Oeuvre van Mc Leod, Wie weet zou daaruit blijjken dat Mc Leods verhaalfiguren zichzelf blijven herhalen, alleen telkens in een ander jasje.
Als we een foutje tegen de historie (zoals het naar Nederland laten gaan van Paul in Tweemaal Mariënburg en de jongen in de Eerste Wereldoorlog laten sterven, terwijl Nederland in die tijd een neutrale positie innam) buiten beschouwing laten, kunnen we het volgende opmerken. Mc Leod heeft de geschiedenis van Mariënburg zorgvuldig bestudeerd en nauwgezet weergegeven. Dat moet haar nagegeven worden. Ze laat zien hoe de suikeronderneming alleen maar geïnteresseerd was in winst, winst en nogmaals winst en daarvoor moesten o.m. de lonen steeds omlaag, wat regelmatig tot ongeregelheden leidde en in 1902 tot de opstand methet bekende noodlottige gevolg. Maar dezelfde geschiedenis romantiseren in twee boeken legt op de schrijver zekere verplichtingen en daarin shiet Mc Leod te kort. Ze slaagt er niet in de historische gebeurtenissen vanaf na de bloedige onderdrukking van de opstand in 1902, die door de plaatselijke bevolking payman/kwalat genoemd worden in te bedden in twee wezenlijk verschillende historische romans en dat is jammer, want verhaaltjes vertellen kan ze wel.
Schrijver: Lila Gobardhan-Rambocus
Cynthia Mc Leod
|