De bundel valt in feite uiteen in drie groepen gedichten. In de eerste
zes gedichten beschrijft hij zijn gevoelsleven als twaalfjarige. Hij
worstelt nog altijd met de dood van zijn vader (die hij op zijn achtste
verloor). Hij zou zich graag meer losmaken van zijn bezorgde, inperkende
moeder. Hij zoekt naar geborgenheid, is tegelijk bang en gehaast om groot
te worden, slaagt er als geboren afstandelijk observator niet in deel te
nemen aan en te genieten van het leven en lijdt onder gevoelens van
weemoed, gemis en verdriet. Dit alles behoort tot de vaste ingrediënten
van Van Lieshouts poëzie, maar het levert nog maar eens knappe gedichten
op.
In een tweede groep van zeven gedichten verschijnt in deze emotionele
woestenij de figuur van ,,mijn meneer mijn vriend''. Zo genuanceerd
mogelijk probeert Van Lieshout te omschrijven wat zijn intieme relatie met
deze man voor hem als twaalfjarige - en later - betekende. De reeks opent
met het gedicht ,,Dordrecht 1968''. Daarin beschrijft hij een bezoek aan
die stad, samen met de man. Hij mag met zijn camera foto's nemen. Acht van
deze foto's (straatgezichten en een paar details van interieurs) zijn in
de bundel opgenomen als illustratie. Dit is een knappe vondst: als Van
Lieshout nu, als volwassene, de bundel zoals gewoonlijk met tekeningen
geïllustreerd had, zou dit de gevoelsmatige eenheid van de bundel hebben
aangetast.
De vier daaropvolgende gedichten verschenen eerder in de bundel Als
ik geen naam had kwam ik in de Noordzee uit (1987). De cyclus probeert
in woorden te vangen wat de man voor hem betekend heeft. Hij gaf de jongen
aandacht, behandelde hem niet als een onmondig kind, zorgde ervoor dat hij
,,iemand met een eigen naam'' was; hij liet de jongen voelen ,,hoe
bijzonder ik was en mooi en meer'' en ,,Hij sloeg/zijn armen om me heen
waardoor ik hem verstond/en liet me zien dat het verschil/tussen ons
daarna nooit meer was.''
De vier gedichten worden aangevuld met drie brieven, die 25 jaar na
datum echt verstuurd werden, maar door Van Lieshout volgens het nawoord
werden bewerkt omdat ze zonder toestemming werden gepubliceerd. Ze zijn
psychologisch zo meerlagig dat een korte samenvatting hier niet op zijn
plaats is.
Dit onderdeel wordt afgesloten met twee gedichten waarin de relatie
verder wordt beschreven. Het intrigerende ,,Mijn meneer'' bevat het grote
crisismoment in de relatie: de jongen wil geen vervangingszoon zijn (,,U
als vader zien, had mijn vader niet verdiend'') en vraagt zich af of hij
voor de man wel de enige is.
De laatste vier gedichten zijn geschreven vanuit het perspectief van
een volwassen man: de schrijver is ontgoocheld dat de man nooit meer
contact heeft opgenomen, vindt dat het tijd wordt dat het geheim ,,op
zichzelf gaat wonen'' en beklemtoont nog eens zijn loyaliteit (,,Ik heb u
niet verraden''). In het intimistische slotgedicht, met de mooie
beginverzen ,,U bent zo stil/en in mij moe'', erkent hij dat die ervaring
van lang geleden, ondanks vervaging, een integrerend onderdeel blijft van
zijn psyche als volwassene.
Van Lieshout is erin geslaagd een genuanceerd beeld op te hangen van
wat een pedofiele relatie in het leven van een kind kan betekenen. Hij
weigert de pedofilie eenduidig in de perverse hoek te klasseren en weigert
eveneens de slachtofferrol. Hij blijft loyaal tegenover de volwassene, en
neemt tegelijk zijn gevoelens als kind heel ernstig.
Of we hier te maken hebben met klef exhibitionisme en een
onwelvoeglijke drang tot outing, dan wel met een waardevol document
humain , hangt van de persoonlijkheid van elke lezer apart af. In elk
geval is er nergens een goor detail te bespeuren, het gaat uitsluitend
over het emotionele aspect van de zaak, voyeurs komen niet aan hun
trekken.
Dat het verschijnsel pedofilie wellicht niet met algemene geldigheid
wordt beschreven, is niet het probleem van de schrijver: hij schrijft geen
essay, hij geeft een getuigenis van een persoonlijke ervaring.
Rest me nog iets te zeggen over Van Lieshouts poëtische
instrumentarium, dat een paar constanten bevat. Hij leunt in zijn
gedichten bij voorkeur zo dicht mogelijk aan bij de spreektaal. Een enkele
keer leidt deze optie tot een flets geheel zonder poëtische spankracht of
taalsurplus, zoals in het gedicht ,,Het ligt hier nog'': het klinkt als
een stukje proza, waarvan de zinnen in stukken zijn gekapt en onder elkaar
gerangschikt. Ook ,,Dordrecht 1968'' vind ik niet meteen een sterk
gedicht. Maar in alle andere gedichten smokkelt van Lieshout in zijn
onnadrukkelijke parlandostijl poëtische combinaties en subtiele
taalvondsten binnen. In het vadergedicht staat: ,,Ik droomde van ons huis
vol opgebaard boeket en zon/die zich naar binnen scheen...'' Door het
werkwoord ,,schijnen'' wederkerig te maken krijgt dit stukje zin een
geladenheid die verder in het gedicht verduidelijkt wordt. Vaak herbergen
beelden een symbool voor zijn gemoedstoestand. In ,,Zomer'' noemt hij lege
schelpen ,,weeshuizen met scherpe randjes''. Het riet in de herfst ,,is
levensmoe het ven ingelopen en wuift gedwee.''
Het is net door deze combinatie van natuurlijk aandoende spreektaal en
subtiel poëtisch smokkelwerk dat de dichter de lezer verplicht om
voortdurend op zijn hoede te zijn. Gewoon en toch verrassend. Verstaanbaar
en toch bij flitsen geheimzinnig. Simpel en toch speciaal. De formule
werkt.
Van Lieshout hanteert bij voorkeur het contrast als compositieprincipe.
Minstens de helft van de gedichten is zo opgebouwd. Het openingsgedicht
(over zijn dode vader) drukt het verlangen naar de aanwezigheid van zijn
vader uit, en tegelijk de behoefte om hem definitief in zijn graf te
houden ,,met een zware steen''. In het gedicht ,,Lente'' contrasteert de
drang om groot te worden met de angst om wat het met zich mee zal
brengen.
Het principe van het contrast is nog op een tweede manier werkzaam.
Regelmatig plaatst Van Lieshout relativerende humor tegenover de
neerslachtigheid van zijn gevoelspanorama, bijvoorbeeld in zijn
baldadig-grimmige commentaar bij een omarming: ,,Er is mijn voor- of
achterkant/die op de tocht blijft staan.'' Maar de humor is schaarser dan
in zijn vorige bundels.
Zeer kleine liefde is een intrigerende, gedurfde en - naar het
mij voorkomt - eerlijke bundel over een delicaat probleem. Voor wie
geïnteresseerd is in een originele en ervaringsgerichte benadering van
pedofilie is het een interessant egodocument: het perspectief van de
twaalfjarige haalt heel wat vooroordelen onderuit. Voor wie niet in het
onderwerp maar wel in de dichtkunst van Van Lieshout geïnteresseerd is,
heeft de bundel genoeg mooie poëzie te bieden om aantrekkelijk te zijn.
Maar of je in dat geval voor slechts dertien nieuwe gedichten 500 fr. wil
neertellen, moet je zelf uitmaken.
Zeer kleine liefde , Leopold, Amsterdam, 44 blz., 499
fr.