|
Trouw, 15 juni 2002 |
|
|
|
|
|
Een museum met muren van papier |
|
|
|
|
|
ODILE JANSEN |
|
|
|
|
|
Op de eerste bladzijdes van 'Papieren museum' van
dichter/illustrator Ted van Lieshout staan twee
jongens afgebeeld die verrassend veel op elkaar lijken. Alletwee
zijn ze knap, blond en tenger. Toch is er ook een verschil. De een kijkt ons
fier aan vanaf een negentiende-eeuws schilderij, gekleed in een donker pak en
een wit overhemd met ruches. De ander zien we op een foto, hij draagt een
poloshirt en blikt met een verlegen glimlach de camera in. Het is een kiekje van Ted van Lieshout uit 1966, elf jaar oud. Ooit, lezen we,
kreeg hij eens een kaart van het schilderij, dat in een Berlijns
museum hangt. Hij schrok zich dood, want de afgebeelde jongen was hijzelf!
Jaren later, vertelt Van Lieshout, bezocht hij, met zijn zuster, zijn
dubbelganger in Berlijn: Hans Haubold, graaf van Einsiedel. Eigenlijk had hij toen graag een tijdje alleen
met het schilderij willen doorbrengen. Maar dat ging niet. Daarom begon hij
thuis zijn eigen 'museum' in een leeg schrift waarin hij de prentbriefkaart
plakte en de foto van hemzelf. Zo maakte hij: ,,Een museum met muren van papier, waar niemand je voor de
voeten loopt en niemand zich bemoeit met waar je naar kijkt'. In dit papieren
privé-museum geeft Van Lieshout een uitgebreide rondleiding, die duidelijk
maakt dat kijken naar kunst niet moeilijk is als je je
laat leiden door wat het bij je oproept, of dat nu herkenning, verbazing of
afschuw is. De rondleiding voert langs verschillende afdelingen, maar ook
langs het trappenhuis, de toiletten en de Carla van
Lieshoutzaal. Daar zien we onder meer het
trappenhuis van Escher, het beroemde urinoir van Duchamps en een geliefd schilderij van Van Lieshouts zus. Ondertussen babbelt de gids honderduit over zijn fascinatie voor het
ene doek en afkeer van het andere en leidt zijn bezoeker kriskras door de
vertrekken zonder zich te storen aan stromingen, genres of periodes. Het
gebrek aan structuur is wel eens storend, maar de associatieve
gedachtesprongetjes die Van Lieshout maakt, leiden ook vaak tot verrassend
aardige vergelijkingen. Bijvoorbeeld tussen het inpakken van de Reichstag door Christo en 'De
Toren van Babel', een schilderij van Pieter Breugel de Oude. De liefde voor de
kunst spat van deze bladzijdes af. Dat is niet vreemd, want hoewel Van
Lieshout vooral bekend is als dichter van kinder-
en jeugdpoëzie, studeerde hij aan de Rietveldacademie in Amsterdam en werkte een tijdlang als illustrator en ontwerper. Zijn
dubbeltalent bleek in bundels als 'Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel'
(1990); 'Multiple Noise' (1992); 'Een lichtblauw
kleurpotlood en een hollend huis' (1997). Dat waren eigenlijk multiple-kunstprojecten: dichtbundel en artistiek
prentenboek ineen. 'Papieren museum' lijkt wel een beetje op die bundels. Van
Lieshouts verhaal wordt namelijk afgewisseld met
gedichten, die zonder uitzondering fraai zijn geïllustreerd met fotocollages
en tekeningen. Dat is allemaal mooi
en zorgvuldig gedaan. Maar een bezwaar is wel dat deze gedichten en het grafisch werk geen duidelijke functie hebben in het
verhaal. Het lijkt erop dat Van Lieshout niet heeft kunnen kiezen tussen een
inleiding in de kunst voor kinderen en een nieuwe dichtbundel. 'Papieren
museum' hinkt kortom te veel op twee gedachten. Verder zit me als
'museumbezoeker' de willekeur van de gids toch dwars: 'Papieren museum' is te
veel een privéproject. Met het openslaan van de
vijftiende-eeuwse bronzen 'Paradijsdeuren' van Lorenzo
Ghiberti, waarmee het boek begint, krijgen we
vooral toegang tot Ted van Lieshouts
eigen verbeelding. Toegegeven, dat is in zekere zin de opzet, en het geeft 'Papieren museum' ook iets bijzonders en intiems;
bovendien leert het kinderen zelfstandig te kijken naar kunst. Maar een
minder hermetische gedachtegang was ook in hun belang geweest. Bewijzen dat
het anders kan zijn er genoeg. Een voorbeeld is het fraaie 'Uit de doeken:
verhalen over kinderen in schilderijen' (1997) van Rudy
Vandendaele, een rondgang langs schilderijen uit
uiteenlopende periodes. Verder moet het prachtige 'Dada' genoemd worden. Dit
van origine Franse kunsttijdschrijft
voor kinderen wordt in vertaling uitgebracht door Stichting Plint in
Eindhoven. 'Dada' is speels, fantastisch vormgeven en van een constant hoog
niveau. Maar het mooiste
museum blijft uiteraard het museum dat je zelf maakt in een leeg schrift. |
|