|
Trouw, 11 februari 1998 |
|
|
|
|
|
Iets kan mooi zijn, ook al is het lelijk |
|
|
|
|
|
LIEKE VAN DUIN |
|
|
|
|
|
Voor Ted van Lieshout (41) kunnen
kleuren klinken en gedichten dansen. Misschien komt dat omdat hij als
dubbeltalent, dichter/schrijver en beeldend kunstenaar, steeds meer de
neiging vertoont om in de kinderboeken die hij maakt de verschillende kanten
van zijn kunstenaarschap in elkaar uit te drukken. Daar begon hij mee in
1990, met zijn poëzieprentenboek 'Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel'.
Dat is méér dan zomaar een geïllustreerde gedichtenbundel: veel teksten
hebben een bewust grafisch effect en sommige illustraties zijn net een
gedicht of dansstuk in tweedimensionale vorm en kleur. Daarnaast is het boek
ook een soort leergang teken- en
schildertechnieken, want van elke plaat vertelt de auteur hoe hij die gemaakt
heeft, waarbij hij en passant ook ingaat op kunststromingen, zoals het
kubisme. Dit meermalen
bekroonde boek heeft nu in twee richtingen een vervolg gekregen: in het
poëzieprentenboek 'Een lichtblauw kleurpotlood en een hollend huis' dat bij Leopold uitkwam, en in het eind vorige week bij SUN verschenen 'Stil leven, een tentoonstelling', een
verzameling kunsthistorische beschouwingen voor jongeren. Wat meteen
opvalt aan 'Een lichtblauw kleurpotlood en een hollend huis' is, dat de
teksten rijmen, wat niet gebruikelijk is bij Ted
van Lieshout, en dat hij transparante pagina's gebruikt die aan beide zijden
bedrukt zijn met alles wat geen gedicht is: commentaren op de gedichten - in
de vorm van dialogen tussen een tienjarige zoon en zijn moeder - en
taalgrapjes. Dat rijmen heeft een
reden: Van Lieshout vond dat er weinig moderne kinderpoëzie is tussen
enerzijds bakerrijmen voor peuters en kleuters, anderzijds jongerenpoëzie
zoals hijzelf veel schreef. Met een knipoog naar Annie
M.G. Schmidt, wier 'Het
schaap Veronica' hij omwerkte tot een nieuw
gedicht, schreef hij een reeks verhalende gedichten die net zo lekker lopen
als die van good old Annie. Veel gedichten gaan over ziek zijn en
ansichtkaarten krijgen met 'Beterschap' erop. Ontroerend is een gedicht over
een astmatisch jongetje van vijf jaar, geschreven vanuit zijn moeder: Ik zou
de muren uit zijn kamer willen breken,/ om hem de lucht te geven waar hij zo
naar snakt. Die muren en lucht heeft Van Lieshout visueel uitgedrukt als een
stralenkrans van pleisters om een rondje blauwe hemel. Als je anders kijkt
zie je diepte: dan is de stralenkrans een buis of tunnel met blauwe lucht aan
het eind. De transparante
pagina's zijn in verschillende opzichten functioneel. Niet alleen om het
praten over poëzie te onderscheiden van de poëzie zelf, maar ook visueel.
Bijvoorbeeld waar een gecalligrafeerd lied met
notenschrift door een dialoog-in-dichtvorm over het
maken van een lied heen schijnt. En waar twee versies van één gedicht
zichtbaar over elkaar heen vallen. Grappig is daar het beeldcommentaar op de
tekst die op het smartlapperige af is: hij is
afgedrukt tegen een ready-made papieren taartonderleggertje met ingestanst
randje nepkant. Het is echter niet
overal gelukt om de transparante pagina's naar links én rechts een functie te
geven. Soms vallen blokken tekst en/of beeld over elkaar heen zonder dat er
een reden te vinden is waarom dat op díe plek zó zou moeten. Maar dat is
nauwelijks storend in dit prachtig uitgevoerde boek, waarin de poëzie
beeldend is en het beeld poëtisch. Verliefd op kunst Naar aanleiding van
'Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel' kwam redacteur Henk Peters van
uitgeverij SUN op nog een heel ander idee. Hij vroeg of Ted
van Lieshout zin had om voor jongeren een beschouwing over kunstgeschiedenis
te schrijven. Leren kijken, zoals K. Schippers dat bijvoorbeeld doet in 's
Nachts op dak'. Ja, meteen!, schreef Van Lieshout per kerende post, als het
maar op mijn eigen manier mag. En zo ontstond 'Stil
leven, een tentoonstelling'. Zónder tijdbalk, zoals de SUN graag had gewild,
omdat Van Lieshout heel onsystematisch nu eens met reuzenstappen door de
kunstgeschiedenis banjert, om dan weer weer lang stil
te staan bij een bepaalde periode. Toch is die
persoonlijke benadering veel boeiender dan de objectief bedoelde
kunsthistorische. Het is alsof je met de auteur door een museum wandelt,
waarbij hij je vertelt wat hij hééft met bepaalde schilderijen. Daarbij
vergelijkt hij op elke dubbele pagina twee kunstwerken. Soms uit eenzelfde
periode, soms met honderden jaren ertussen. Hij vertelt op welke hij verliefd
is, op welke hij wel kan schieten, en waar hij niets van snapt. En waarom.
Dus niet als kunsthistoricus, maar als liefhebber, niet met wetenschappelijke
eruditie, maar met sensitieve intelligentie en vooral: nauwkeurig, geduldig
en met verbeeldingskracht kijkend. Op een manier, waardoor je met nieuwe ogen
gaat kijken, zelfs naar schilderijen waarop je allang uitgekeken bent. Of hij
gelijk heeft is dan helemaal niet belangrijk meer. Zo komt hij tot
verrassende veronderstellingen; bijvoorbeeld dat Albrecht
Dürer wel eens homo geweest zou kunnen zijn en dat Monet vast geïnspireerd is geweest door bewogen en dus
vage foto's uit zijn tijd. Op een natuurlijke manier laat hij zien dat elk
mens een eigen receptiegeschiedenis ontwikkelt: door bij verschillende
schilderijen te vertellen dat hij er vroeger, toen hij twaalf was, of
zeventien, of twintig, heel anders over dacht: ``Ho! Wacht eens even.
Schitterend? Betoverend? Toen ik twintig was riep ik nog dat ik de
schilderijen van Rembrandt niks
vond. En nu verkondig ik iets heel anders! Dat zit zo: vroeger vond ik de
mensen op zijn schilderijen domweg foeilelijk. Pas toen ik dit werk zag, één
van de ongeveer honderd zelfportretten die Rembrandt
maakte, veranderde ik mijn mening. Ik vond het schilderij veel te mooi om me
te laten afleiden door zoiets onbenulligs als een al of niet knappe snoet.'' Op de pagina ernaast
laat hij dan een schilderij van Holbein zien, van
anderhalve eeuw eerder, waarop Holbein zijn lelijke
vrouw heeft geschilderd. En komt dan tot de volgende conclusie: ``Holbein wist wat ik ook te weten ben gekomen: iets kan
mooi zijn ook al is het lelijk. Hij schilderde van zijn lelijke vrouw het
allermooiste portret dat ooit van een moeder is gemaakt. Dat vond hij. Dat
vind ik. Het mooiste mooi is namelijk nooit van mooiigheid,
maar altijd van lelijkheid. Echt waar.'' Als je zo bevlogen
over kunst kan vertellen, moet zelfs de de meest
nihilistische Generatie-Nixer wel geraakt worden.
Een boek om te Zoenen of te Griffelen. |
|