|
Trouw, 27 augustus 1997 |
|
|
|
|
|
Een meisje dat kleitabletten kon ontcijferen |
|
|
|
|
|
LIEKE VAN DUIN |
|
|
|
|
|
Bijbelse verhalen gaan meestal over mannen, en áls ze over
vrouwen gaan, dan vanuit mannelijk standpunt. Begrijpelijk: de bijbelse samenleving
was patriarchaal, en daarmee waren de bijbelschrijvers dat ook. Een
jeugdroman over een bijbels meisje prikkelt dan ook bij voorbaat de nieuwgierigheid, zoals 'Hadassa',
het kinderboekendebuut van de sinds 1976 in Nederland wonende Israëlische schrijfster
Tsafrira Levy. In de bijbel is Hadassa, of Ester (haar Perzische of Babylonische naam),
een joods weesmeisje uit Susa, opgevoed door haar
oom Mordechai. Nadat koningin Vasti
in ongenade is gevallen komt Hadassa vanwege haar
schoonheid aan het hof van koning Ahasveros
(485-465 voor Chr.). Daar krijgt ze samen met een aantal andere mooie meisjes
een schoonheidskuur van een jaar. Uit al die meisjes kiest de koning haar als
nieuwe koningin, en vanuit die positie is ze in staat haar volk te redden als
dat door Haman, de eerste vertrouweling van de
koning, met uitroeiing bedreigd wordt. In het
bijbelverhaal wordt de naam Ester gebruikt, en wordt het meisje qua karakter
vrij neutraal beschreven: aanvankelijk puur gehoorzaam zoals het vrouwen
betaamde, later, als ze als koningin meer macht krijgt, moedig, slim,
diplomatiek en doortastend. Die sterke kant van Hadassa
heeft Tsafrira Levy nader
uitgewerkt. Bewust, vertelt de schrijfster - in het dagelijks
leven psychotherapeute in Groningen - omdat het haar intrigeerde hoe zo'n
meisje, wier lot in handen van mannen lag, de marges van haar kleine beetje
vrijheid uitgebuit zou kunnen hebben. Zo laat ze Hadassa
als twaalfjarige, als ze net 'de wijze van vrouwen' begint te krijgen,
stiekem de lessen van de jongens volgen, zodat ze kleitabletten kan
ontcijferen, een vaardigheid die normaal aan mannen voorbehouden bleef.
Later, aan het hof van de koning, blijkt die kennis macht. Verder stelt Levy het hof voor als een slangennest vol intriges en
gekonkel, waarin Hadassa al snel doorheeft dat het
een zaak van leven en dood is om de juiste bondgenootschappen te sluiten, hetgeen ze onmiddellijk doet. Levy
laat vooral twee kongsi's elkaar bestrijden: die van Haman
en zijn nichtje Nemus - die net als Hadassa in het 'maagdenhuis' woont en die door Haman als koningin gewenst wordt - contra die van Mordechai en Hadassa. Deze
onverzoenlijke vete maakt haar voorzichtig, koelbloedig en ad rem. Uiterlijk
beheerst is ze, ook als ze vanbinnen kookt van woede of wanhopig is. Een geloofwaardig
karakter, niet alleen mooi en aardig, maar ook gewiekst, wraakzuchtig. Haman is stereotieper uitgewerkt, nog erger dan in het
bijbelverhaal. Bij Levy is hij de notoire slechterik, een racist die een schrikbewind uitoefent. Hij
smeert de koning stroop om de mond en lange tijd is deze slechts een marionet
aan zijn touwtjes. Levy voert een zoontje van Vasti, een troonopvolger, op het toneel, en een genezeres, die beiden door toedoen van Haman vermoord worden. En als een meisje uit het
maagdenhuis heeft staan zoenen met een stalknecht, worden beiden zonder
pardon publiekelijk opgehangen. Intussen is de koning
een goedgelovige, vriendelijke zuiplap en onverzadigbare vrijdoos. Je vraagt
je af hoe zo'n argeloos type ooit koning van zo'n
machtig rijk heeft kunnen worden. Pas wanneer Hadassa
hem laat zien hoe hij gemanipuleerd is door Haman,
vallen hem de schellen van de ogen. Qua verhaalstructuur
en schrijfstijl is 'Hadassa'
nogal ouderwets: gewoon een degelijke opbouw met oplopende spanning en een
redelijk happy end, waarin de schurk zijn verdiende loon krijgt. Het
taalgebruik is onevenwichtig, soms fraai beeldend ('Het zachte gefluister was
overal, binnen en buiten de muren, als een zachte wind door het riet'), soms
pathetisch ('Het gegil en gekrijs steeg op tot aan de sterren') of met teveel
bijwoorden. Toch lees je het boek in één ruk uit, vooral door de filmisch-beeldende beschrijvingen en de levendige
dialogen. Niet alleen Hadassa, maar ook
kamermeisjes, andere schoonheden uit het maagdenhuis, en hun leraren, de
eunuchen, krijgen een gezicht, vooral in hun onderlinge relaties. Voor wie
alleen het bijbelverhaal kent is dat verrassend, omdat het inderdaad, wat de
schrijfster beoogde, een beeld geeft van de beperkte speelruimte die de
meisjes in zo'n maagdenhuis nog hadden en hoe een
meisje als Hadassa/Ester die grenzen opgerekt zou
kunnen hebben. Het laat echter impliciet ook zien dat je als meisje in die
tijd alleen enige macht kon verwerven als je én mooi én intelligent én
gewiekst was. Tsafrira Levy
is gelukkig niet in de val getrapt om van Hadassa/Ester
een soort feministe avant-la-lettre te maken.
Natuurlijk zegt elke historische roman ook iets over de tijd van de
schrijver, alleen al omdat de schrijver mensen probeert neer te zetten met
wie de lezer zich kan identificeren. Zo doet Akky
van der Veer dat in haar prachtige 'Gezworen woorden', over een groep Friezen
rond het begin van de jaartelling, expliciet: haar roman is echt een boek van
eind twintigste eeuw, bijvoorbeeld met een personage dat twijfelt aan het
geloof (in de Edda-goden): een eeuw geleden zou dat
totaal anders geschreven zijn. Bij 'Hadassa' is die link naar het heden implicieter.
Alleen Haman lijkt erg veel op een personage uit
onze eeuw: Hitler. Hij wordt daardoor clichématig.
Bij de overige personages heeft de schrijfster een goede balans gevonden
tussen historische verbeeldingskracht en identificatie vanuit het heden. Deze
balans zal het komend najaar steeds weer opduiken in
de jeugdliteratuur, want het thema van de Kinderboekenweek is 'de
tijdmachine' waarin het juist om die relatie tussn
toen en nu - of nu en later - gaat. |
|