Kukel
Auteur
J. van Leeuwen

Uitgever
Querido

Rubriek
Kinderboeken
Fictie kinder- en jeugdboeken algemeen
Trouw, 25 november 1998
Rood is een zritterendzde kleur
NANDA ROEP
Een boek van Joke van Leeuwen is niet alleen te herkennen aan de fantasievolle verhaal, maar ook, en misschien vooral, aan de grappige manier waarop Van Leeuwen speelt met taal. In 'Dit boek heet anders' neemt ze standaarduitdrukkingen letterlijk, waardoor kinderen denken dat ze op schoolreisje zijn, terwijl dat niet zo is. In 'Iep!', dat is bekroond met de Woutertje Pieterseprijs 1997, kwam Van Leeuwen met zelf bedachte woorden als 'humsel me' en 'je horpt zo'. De hoofdpersoon uit 'Iep!', een wezentje dat half mens en half vogel is, zegt bovendien in plaats van klinkers de 'ie'. De langste zin die ze kan zeggen, is: ``Ik miet un bieteriemetje mit pindekies.''

Van Leeuwen vindt dat in de Nederlandse taal veel dingen gebrekkig worden uitgedrukt en is altijd bezig nieuwe woorden uit te vinden. Ze vertelt bijvoorbeeld niet gewoon dat een koningin deftig spreekt, maar ontwikkelt een manier om de deftige uitspraak te laten zíen. De koningin uit haar nieuwste boek, 'Kukel', spreekt zo: ``Ik kan niet zomaar zeggen dat ik rood de zritterendzde kleur vind. Ik moet er voor alle mensen zijn, en het is zeer zdorend voor mensen die rood een afzruwelijke kleur vinden, als ik zeg dat ik rood zo zritterend vind.'' Het is een taal die je automatisch hardop gaat lezen en waarbij je stem deftig de hoogte in moet.

Daarnaast werkt Van Leeuwen opnieuw met standaarduitdrukkingen, die in 'Kukel' nogal eens uit officiële uitnodigingen lijken te komen: ``De koningin had niet veel meer te doen. Eigenlijk moest ze alleen nog maar opluisteren met haar aanwezigheid. Als er in het land iets ernstigs werd herdacht of iets vrolijks werd gevierd, moest zij komen.'' 'Opluisteren' is in 'Kukel' een serieuze functie. ``Iets opluisteren met aanwezigheid is vermoeiender dan zomaar ergens aanwezig zijn. Iedereen lette op de koningin. Ze kon nooit met ongewassen haren naar beneden komen, of met een sliertje in haar neus dat je kon zien zitten.''

Tijdens het opluisteren met haar aanwezigheid, zal de koningin een 'klein woordje spreken tot deze en gene'. Waarna het wachten is op wélke kleine woordjes dat zullen zijn. 'Ja', 'dag' en 'help' zijn kleine woordjes, bedenkt Kukel, maar 'help' zal ze waarschijnlijk niet spreken. En het is natuurlijk meteen de vraag wie deze of gene zullen zijn. Deze manier van schrijven geeft het verhaal naast een grappige, een absurde toon.

Hoofdpersoon Josofus wordt Kukel genoemd, omdat hij gemakkelijk tegen dingen aan kukelt, gemakkelijk dingen laat omkukelen. Kukel heeft zeven grote zussen, die prachtig kunnen zingen. Hij mag nooit meedoen, omdat hij klinkt als 'een kalfje dat met zijn achterpoten klem zit'.

De zeven zussen zullen zingen voor de koningin op Jadag. Dat is de dag waarop gevierd wordt dat de koningin zo mooi 'ja' zei, toen haar werd gevraagd of ze de koninklijke functie aannam. Direct daarna moet Kukel naar het opvanghuis, zodat de zussen eindelijk ongestoord kunnen oefenen. Want met Kukel in de buurt, lukt dat niet.

Als zijn zussen aan de beurt zijn om te zingen, gaat Kukel achter hen staan op het podium. Daar vandaan kan hij de koningin goed zien. Het lijkt zelfs alsof de koningin ook naar hem kijkt... Hoe langer Kukel naar de koningin kijkt, hoe meer hij gelooft dat ze inderdaad naar hem kijkt. Hij raakt ervan overtuigd dat hij eigenlijk bij de koningin hoort; dat hij een prins is: ``Ja, hij was eigenlijk haar zoon, die ze ergens onderweg had verloren, toen hij nog zo klein was dat hij zich er niks van kon herinneren.''

Wanneer hij tijdens het lied plotseling keihard 'Jaa!' roept, rennen zijn zussen heftig geschokt van het podium. Kukel ontsnapt uit de greep van het opvanghuis en verstopt zich in de verpakking van een van de cadeautjes die aan de koningin zijn geschonken. Zo komt hij het paleis binnen.

Na een misverstand moet hij weer weg, maar later mag hij toch blijven logeren in het paleis. Een heleboel verwikkelingen verder, krijgen zijn zeven zussen de koninklijke opdracht een lied te zingen. Dit lied moet eindigen met een tekst over zeven dunne en zeven dikke kalveren die met hun poten vastzitten in een boerensloot. Op die manier kan Kukel tenminste meedoen met zijn valse stem.

``Valze tonen bezdaan,'' zei de koningin. ``Het zijn ook tonen. Dat kunnen de menzen niet ontkennen.'' Taalkunstenaars verliezen nogal eens een helder verloop van hun verhaal uit het oog. En verhalenvertellers spelen minder kunstig met taal. Maar Van Leeuwen voegt de twee samen. 'Kukel' is een verrassend, fantasievol, avontuurlijk, grappig, waardig, ontroerend én helder boek geworden.

Hosted by www.Geocities.ws

1