Voorkant
De nieuwste bundel van Tom Lanoye, Spek en bonen, valt alleen
al door het omslag op. Dat is namelijk godsgruwelijk, ontiegelijk hemeltergend.
Op de voorkant staan geen titel en schrijversnaam, die staan op de achterkant.
Voorop zie je de naakte rug van een man met daarop geprojecteerd een beeld
van een man en vrouw die, zo te zien, aan een heftige vrijpartij bezig
zijn. De rug van het boek zelf geeft een opsomming van de prozawerken die
Lanoye eerder heeft geschreven. Kortom: het boek valt wel op. Op verzoek
van veel boekhandels is er een buikbandje om het boek gedaan, waardoor
een gedeelte van het plaatje is afgedekt en de koper meteen weet dat het
een boek van Tom Lanoye is. Dat vind ik weer jammer. Als je een idee hebt,
dan moetje het idee niet zelf doorbreken.
Gewild
De onderverdeling in een afdeling Spek en een afdeling Bonen komt me
enigszins gewild voor. Alleen het verhaal 'Johannesburg, le bain' valt
namelijk uit de toon bij de rest van de varhalen. Dit verhaal is
een reisverslag in fragmenten, waarin Lanoye zijn impressies van Zuid-Afrika
opschrijft. Het verhaal maakt duidelijk dat het land zindert van onderhuidse
spanning. Door gesprekken in een winkel, in een homosauna en natuurlijk
een taxi (de vox populi bij uitstek) wordt duidelijk dat het land afstevent
op twee rampen: een burgeroorlog en een aids-epidemie. Het verhaal
mist als enige de lichte toets, die het proza van Lanoye normaal kenmerkt.
In die overige verhalen zit altijd een onwerkelijk element. Het eerste
verhaal gaat over een man die een minnaar heeft die elke week verandert.
Het blijft dezelfde persoon, maar hij doet zich steeds op een andere wijze
voor. Zo kan hij de ene week een blanke zijn en de andere week een neger.
Neger
En juist de neger brengt de hoofdpersoon het hoofd op hol. Deze minnaar
zou hij na een week niet willen zien veranderen in weer een andere vriend;
deze minnaar wil hij voor altijd houden. Dat moet natuurlijk mis gaan en
dat doet het ook. Het einde van het verhaal is een Oscar Wilde-achtige
vondst die ik niet verklap. Die merkwaardige onderdelen in de verhalen
geven de bundel de lichte toets. Daarnaast heeft het boek voortdurend
een wrange ondertoon. Aids speelt, alhoewel de ziekte niet voortdurend
voorkomt, wel een bijrol in veel verhalen. In het verhaal 'Marlon, tu n'es
pas un ange' hangen seksualiteit, ziekte en dood met elkaar samen. Dat
gebeurt overigens niet in een fel realistische weergave van de werkelijkheid.
Je ontmoet een aantal hoofdrolspelers. Marlon, een op dames beluste jongen,
speelt spelletjes met zijn in ontwikkeling achtergebleven broer Johnny.
Hij laat hem onder meer toekijken als hij aan het vrijen is.
Op het eindé van het verhaal is Marlon totaal vermagerd en ziet
hij er slecht uit. Johnny moet hem dan doden. Niet direct een synopsis
voor een Hollywood-film denk je dan. Daarvoor zijn de personen net iets
te grotesk getekend. Maar dat naargeestige eind van het verhaal kan een
vingerwijzing zijn naar de dood die aids heet en waarop Marlon niet wilde
wachten. Zoals de Decamerone zich afspeelt tegen de achtergrond van de
pest, spelen deze verhalen allemaal tegen de pest van nu, aids. Die betrokkenheid
met de actualiteit geeft goed de ontwikkeling weer die Lanoye heeft doorgemaakt
in de laatste tien jaren. Stonden zijn eerste verhalen nog behoorlijk op
zichzelf, deze nieuwe verhalen hebben een context waarbinnen je ze moet
lezen. Niet alleen in zijn boeken, ook tijdens zijn optredens als
performer-poëet of gewoon als hij voor de tv geïnterviewd wordt,
laat hij merken dat hij een schrijver is die nota neemt van datgene wat
om hem heen gebeurt. Hij laat geen kans onbenut om bijvoorbeeld het extreem-rechtse
Vlaams Blok aan te vallen. Misschien vind ik de schrijver ook daarom wel
erg sypmathiek.
Valkuil
De valkuil voor een schrijver is natuurlijk dat hij te opzettelijk
zijn mededogen of medelijden met een bepaalde groep toont. Dan wordt een
verhaal een preek voor eigen parochie. Lanoye doet dat nooit. Hij situeert
zijn verhalen in de milieus die door hun grauwe hardheid verstoken lijken
van elke weelde. Maar daardoor dromen de mensen des te meer en komt die
val uit de droom harder aan dan ergens anders. En dat wekt het onbewuste
mededogen op met de prostituée, de moeder die de minnaar van haar
dochter afpakt, de weduwe die in een verlopen kroeg zit en al die andere
personages. Die Fellini-achtige omgevingen zijn nooit karikaturaal beschreven,
zoals een buitenstaander dat zou doen. Ze lijken, ondanks hun uitvergrotingen
werkelijk. Dat kan alleen gedaan worden door een schrijver die weet waar
het hart moet liggen.
Coen Peppelenbos