De Standaard 25 september 1997

Het goddelijk monster België

Roman van een politiek helderziende, Tom Lanoye

Jeroen Overstijns

TOM LANOYE
Het goddelijke monster
Prometheus, Amsterdam, 337 blz.

SOMS - overdrijven is niet gezond, dus niet te vaak maar toch soms - bedenk ik: de Heer zij geprezen omdat hij de Vlaamse literatuur Tom Lanoye schonk. Bijvoorbeeld omdat Lanoyes vorige roman Kartonnen dozen (alweer uit 1991) indien geen onsterfelijk boek dan toch een fikse semi-klassieker is. Omdat Lanoye wellicht de beste Vlaamse columnist is. Omdat zijn eigengereide denken en doen mij wel aanstaan. Omdat de Blauwe Maandag nu de Willy-Courteauxvertalingen niet hoeft te gebruiken.
En sinds kort ook omdat hij de roman Het goddelijke monster heeft geschreven. Voor sommigen kunnen deze woorden volstaan. Voor anderen (men kan niet kritisch genoeg zijn) hieronder enige tekst en uitleg.
U herinnert het zich vast nog. Hugo Claus had net De geruchten geschreven en de cultureel correcte goegemeente hing aan zijn lijf met de vraag hoe de meester het toch deed: een boek over de Dutroux-actualiteit schrijven nog voor de lugubere feiten werden bovengespit? Een vraag waarop Claus, welwillend meedeinend op die overspannen clichés, altijd minzaam riposteerde met het adagio dat ,,le poète est un voyant''.
Lanoye heeft zijn literaire erkentelijkheid tegenover Claus nooit onder stoelen of banken gestoken. Misschien zal hij dus ook wel enige minzaamheid aan de dag kunnen leggen wanneer de verzamelde culturele pers hem in het gelaat zal werpen dat je al een Noord-Oesbeekse nitwit moet zijn om in zijn personage - tapijtindustrieel Leo Deschryver uit Het goddelijke monster - niet de tragisch gevallen vader van het al even legendarische Antonieke te herkennen. Die potdorie net als Leo zijn textielimperium ziet sidderen en beven wanneer het gerecht een rist fiscale malversaties op het spoor komt. Ondergetekende vernam de Domo-deemstering nota bene terwijl hij deze roman aan het lezen was. Dat kan toch geen toeval meer zijn, mijnheer Lanoye?
Gewiekst maar met de ogen toch enige gelatenheid verradend antwoordt de schrijver bijvoorbeeld dat een roman voor zich spreekt en niet voor de werkelijkheid. Is het vrouwelijke hoofdpersonage in deze nieuwe roman bijvoorbeeld niet drager van een universele tragiek die met de actualiteit weinig of geen uitstaans heeft?

KATRIEN Deschryver gaat naar de veertig toe wanneer ze tijdens een jachtpartij in Frankrijk per ongeluk maar welgemikt haar echtgenoot de eeuwigheid instuurt. Katrien is met een goddelijke schoonheid en een even goddelijke raadselachtigheid toebedeeld, maar ook behekst met het monstrueuze talent het noodlot in gang te trekken. Kinderen breken hun nek in een zwembad dat Katrien net had laten leeglopen, ooms elektrocuteren zichzelf door met de grasmaaier over een draad te rijden die Katrien zeer welwillend maar weinig zichtbaar had verlegd.
En eerlijk gezegd, dat monstrueuze staat Katrien niet slecht. Het verleent aan haar sprookjesachtige uiterlijk een tragische glans. De tragiek van deze femme fatale wordt bezegeld door haar neiging te worden wat anderen van haar verlangen, een scherm te zijn ,,van namaakzilver waarop niet de werkelijkheid zich openbaarde maar waarop elkeen projecteerde wat hij het meest begeerde of verachtte''. Katrien is een ,,allemansprinses'', Het goddelijke monster een grimmig eigentijds sprookje in een wrang magisch-realistisch universum.
Katrien maakt deel uit van de machtige christen-democratische textielfamilie Deschryver, met vertakkingen in alle lagen van het Belgische apparaat. Haar vader Herman heeft in de politiek gezeten (,,de architect van het harde maar onontbeerlijke budgettaire beleid'') en mengt zich nu in de bankwereld, daarin bijgestaan door haar broer Steven.
Haar oom Leo slijt zijn tapis-plain over heel Europa: ,,In hem komen alle kwalen van ons volk tot bloei. Naijver. Kleingeestigheid. Het verheerlijken van wat scabreus is, het koesteren van kitsch, van dialect. Leo zwelgt daarin. Hij is de harde werker maar daar is dan ook alles mee gezegd.'' En dan zijn er nog Elvire, de neurotische moeder, Gudrun, de zus die krampachtig uit de schaduw van Katrien probeert te treden en Bruno, ook broer en de cultuurnicht van dienst. Ze vormen een van veel scrupules gespeende familie met een voorliefde voor maskers, macht en horen, zien en zwijgen.
De mannelijke Deschryvers zijn niets ontziende zakenlieden, maar terzelfder tijd zijn ze klein, angstig, pathetisch en soms zelfs enigszins humaan. Lanoye beschrijft in een zeer tragikomische scène hoe Herman radeloos reageert op het nieuws dat een maagkanker zijn levensverwachting tot drie maanden insnoert.
Lanoye remt met dergelijke scènes het burleske van zijn eigen verhaal af, nuanceert de karikaturen die hij zelf in het leven roept. Het vormelijke of inhoudelijke stunten waarnaar hij in zijn boeken altijd wel een beetje neigt, heeft hij in deze roman behoorlijk onder controle. Lanoye blaast zijn verhaal soms tot behoorlijke proporties op, maar dan zonder de geloofwaardigheid van het boek te ondermijnen.
Na de tragische moord op haar man wordt Katrien terug naar België gevoerd en ondervraagd. De cynische, zelf half weggepeste onderzoeksrechter De Decker zoekt uit of zij iets afweet van de fiscale malversaties waarin haar man, hoogleraar in belastingrecht, een rol speelde. In stilzwijgen gehuld wordt de gearresteerde Katrien de vrouw die na haar man ook haar familie dat ene duwtje geeft waardoor het ooit zo hechte blok Deschryvers zichzelf begint te verscheuren.

LANOYE heeft met Het goddelijke monster in de eerste plaats duidelijk een psychologisch verhaal willen vertellen. Hij tekent de psychologie van de ondoorgrondelijke allemansprinses die zich transformeert naar ieders blik en zich zo verbergt. En ook de psychologie van het allemansland België, dat zich schikt naar ieders heug en meug en door haar inwoners niet als een natie wordt beschouwd maar als een bezit. Een land vol alledaagse waanzin, waar de leidende kaste ten onder gaat aan corporatisme (Deschryver) en het volk zichzelf een pathetische martelaarsrol toebedeelt door gretig te geloven in elke theorie die het over de scheve schaatsen van die leidende kaste krijgt voorgeschoteld (De Decker). Uit deze roman straalt een pessimistisch maar zeker geen zwartgallig wereldbeeld, it's fucked up and it's fun.
Lanoyes groteske schetsen van la Flandre profonde (zijn trouwfeesten, zijn ruimtelijke ordening, zijn homo-erotische etablissementen) brengen weinig bij aan het verhaal zelf, en vanuit dat perspectief zou je ze als te breedvoerig en naast de kwestie kunnen verketteren. Maar terzelfder tijd getuigen ze van zoveel innemend enthousiasme, verbale spitsvondigheid en toch ook genuanceerdheid dat ik ze niet graag geschrapt had gezien.
Misschien is dat wel een van de redenen waarom Lanoyes boeken zo'n succes hebben, je moet al over een zeer hoge zuurtegraad beschikken om zijn ongebreidelde verbeelding niet uitermate charmant te vinden. Soms wordt hij toch wat te melig. Vooral passages waarin Katriens enige kind Jonas opduikt, willen wel eens uit de bocht gaan.

IN deze nieuwe roman ontbreekt nagenoeg de lichtjes pathetische toon van Kartonnen dozen. Het is naast een wrang ook een grappig boek, maar dan veeleer op de weemoedige wijze van Een slagerszoon met een brilletje. Het goddelijke monster is een grimmige after party, voor wanneer het circus Lanoye zijn deuren al uren heeft gesloten en een teveel aan alcoholische dranken tussen melancholie en opstandigheid doet twijfelen.
Stilistisch blinkt en schittert het allemaal wat minder dan Kartonnen dozen. Maar die roman leed dan ook hier en daar aan stilistische overkill. En qua opbouw is Het goddelijke monster Lanoyes beste boek. Hij wisselt virtuoos van perspectief. Ook de doden blijven spreken, wat tot enkele zeer mooie scènes leidt.
Die grillige structuur geeft het verhaal flink wat vaart en afwisseling, zonder dat het daarom een onsamenhangend allegaartje wordt. Tegelijk is alles wat je over de opbouw van deze roman kunt zeggen voorbarig. Het boek eindigt immers met de mededeling dat het hier het einde van het eerste deel betreft. Naar verluidt, plant Lanoye een trilogie.
Nog iets over het werkelijkheidsgehalte van dit boek. Lanoye gaat wat provocerend te werk met zijn knipogen naar de realiteit. Herman en Leo Deschryver vertonen onmiskenbaar trekken van Herman Van Rompuy en Leo Delcroix, van Jan De Clerck, André Cools en Marc Eyskens. En voor de in beslag genomen blocnotes die daarna door politieke druk achter de schermen moeten worden teruggegeven, moet je ook al niet ver zoeken.
Uiteindelijk bestaan die parallellen ook maar omdat zowel die politieke figuren als de personages van Lanoye dragers zijn van een diepgewortelde Belgitude, op en top theatraal en daarom alleen al dramatisch tamelijk onweerstaanbaar. Zoals heel Het goddelijke monster trouwens.

Hosted by www.Geocities.ws

1