Jeroen Overstijns
TOM LANOYE
Het goddelijke monster
Prometheus, Amsterdam, 337 blz.
SOMS - overdrijven is niet gezond, dus niet te vaak maar toch soms
- bedenk ik: de Heer zij geprezen omdat hij de Vlaamse literatuur Tom
Lanoye schonk. Bijvoorbeeld omdat Lanoyes vorige roman Kartonnen dozen
(alweer uit 1991) indien geen onsterfelijk boek dan toch een fikse
semi-klassieker is. Omdat Lanoye wellicht de beste Vlaamse columnist is. Omdat
zijn eigengereide denken en doen mij wel aanstaan. Omdat de Blauwe Maandag nu
de Willy-Courteauxvertalingen niet hoeft te gebruiken.
En sinds kort ook omdat hij de roman Het goddelijke monster
heeft geschreven. Voor sommigen kunnen deze woorden volstaan. Voor anderen
(men kan niet kritisch genoeg zijn) hieronder enige tekst en
uitleg.
U herinnert het zich vast nog. Hugo Claus had net De
geruchten geschreven en de cultureel correcte goegemeente hing aan zijn lijf
met de vraag hoe de meester het toch deed: een boek over de
Dutroux-actualiteit schrijven nog voor de lugubere feiten werden bovengespit? Een vraag
waarop Claus, welwillend meedeinend op die overspannen clichés, altijd
minzaam riposteerde met het adagio dat ,,le poète est un voyant''.
Lanoye heeft zijn literaire erkentelijkheid tegenover Claus nooit onder
stoelen of banken gestoken. Misschien zal hij dus ook wel enige minzaamheid
aan de dag kunnen leggen wanneer de verzamelde culturele pers hem in het
gelaat zal werpen dat je al een Noord-Oesbeekse nitwit moet zijn om in zijn
personage - tapijtindustrieel Leo Deschryver uit Het goddelijke
monster - niet de tragisch gevallen vader van het al even legendarische
Antonieke te herkennen. Die potdorie net als Leo zijn textielimperium ziet
sidderen en beven wanneer het gerecht een rist fiscale malversaties
op het spoor komt. Ondergetekende vernam de Domo-deemstering nota bene
terwijl hij deze roman aan het lezen was. Dat kan toch geen toeval
meer zijn, mijnheer Lanoye?
Gewiekst maar met de ogen toch enige gelatenheid verradend antwoordt de
schrijver bijvoorbeeld dat een roman voor zich spreekt en niet voor de
werkelijkheid. Is het vrouwelijke hoofdpersonage in deze nieuwe roman
bijvoorbeeld niet drager van een universele tragiek die met de actualiteit weinig of
geen uitstaans heeft?
KATRIEN Deschryver gaat naar de veertig toe wanneer ze tijdens een
jachtpartij in Frankrijk per ongeluk maar welgemikt haar echtgenoot de
eeuwigheid instuurt. Katrien is met een goddelijke schoonheid en
een even goddelijke raadselachtigheid toebedeeld, maar ook behekst met het
monstrueuze talent het noodlot in gang te trekken. Kinderen breken hun nek
in een zwembad dat Katrien net had laten leeglopen, ooms elektrocuteren
zichzelf door met de grasmaaier over een draad te rijden die Katrien zeer
welwillend maar weinig zichtbaar had verlegd.
En eerlijk gezegd, dat monstrueuze staat Katrien niet slecht. Het verleent aan haar sprookjesachtige uiterlijk een tragische
glans. De tragiek van
deze femme fatale wordt bezegeld door haar neiging te worden wat
anderen van haar verlangen, een scherm te zijn ,,van namaakzilver waarop
niet de werkelijkheid zich openbaarde maar waarop elkeen projecteerde wat
hij het meest begeerde of verachtte''. Katrien is een ,,allemansprinses'',
Het goddelijke monster een grimmig eigentijds sprookje in een wrang
magisch-realistisch universum.
Katrien maakt deel uit van de machtige christen-democratische
textielfamilie Deschryver, met vertakkingen in alle lagen van het Belgische apparaat.
Haar vader Herman heeft in de politiek gezeten (,,de architect van het
harde maar onontbeerlijke budgettaire beleid'') en mengt zich nu in de
bankwereld, daarin bijgestaan door haar broer Steven.
Haar oom Leo slijt zijn tapis-plain over heel Europa: ,,In hem
komen alle kwalen van ons volk tot bloei. Naijver. Kleingeestigheid. Het
verheerlijken van wat scabreus is, het koesteren van kitsch, van dialect. Leo
zwelgt daarin. Hij is de harde werker maar daar is dan ook alles mee
gezegd.'' En dan zijn er nog Elvire, de neurotische moeder, Gudrun, de
zus die krampachtig uit de schaduw van Katrien probeert te treden en Bruno,
ook broer en de cultuurnicht van dienst. Ze vormen een van veel scrupules
gespeende familie met een voorliefde voor maskers, macht en horen, zien en
zwijgen.
De mannelijke Deschryvers zijn niets ontziende zakenlieden, maar
terzelfder tijd zijn ze klein, angstig, pathetisch en soms zelfs enigszins humaan.
Lanoye beschrijft in een zeer tragikomische scène hoe Herman radeloos
reageert op het nieuws dat een maagkanker zijn levensverwachting tot drie
maanden insnoert.
Lanoye remt met dergelijke scènes het burleske van zijn eigen verhaal af,
nuanceert de karikaturen die hij zelf in het leven roept. Het vormelijke
of inhoudelijke stunten waarnaar hij in zijn boeken altijd wel een beetje
neigt, heeft hij in deze roman behoorlijk onder controle. Lanoye
blaast zijn verhaal soms tot behoorlijke proporties op, maar dan zonder de
geloofwaardigheid van het boek te ondermijnen.
Na de tragische moord op haar man wordt Katrien terug naar België gevoerd
en ondervraagd. De cynische, zelf half weggepeste onderzoeksrechter De
Decker zoekt uit of zij iets afweet van de fiscale malversaties waarin haar
man, hoogleraar in belastingrecht, een rol speelde. In stilzwijgen gehuld
wordt de gearresteerde Katrien de vrouw die na haar man ook haar familie dat
ene duwtje geeft waardoor het ooit zo hechte blok Deschryvers zichzelf
begint te verscheuren.
LANOYE heeft met Het goddelijke monster in de eerste plaats
duidelijk een psychologisch verhaal willen vertellen. Hij tekent de
psychologie van de ondoorgrondelijke allemansprinses die zich transformeert naar
ieders blik en zich zo verbergt.
En ook de psychologie van het allemansland België, dat zich schikt
naar ieders heug en meug en door haar inwoners niet als een natie wordt
beschouwd maar als een bezit. Een land vol alledaagse waanzin, waar de
leidende kaste ten onder gaat aan corporatisme (Deschryver) en het volk zichzelf
een pathetische martelaarsrol toebedeelt door gretig te geloven in elke
theorie die het over de scheve schaatsen van die leidende kaste krijgt
voorgeschoteld (De Decker). Uit deze roman straalt een pessimistisch
maar zeker geen zwartgallig wereldbeeld, it's fucked up and it's
fun.
Lanoyes groteske schetsen van la Flandre profonde (zijn
trouwfeesten, zijn ruimtelijke ordening, zijn homo-erotische etablissementen)
brengen weinig bij aan het verhaal zelf, en vanuit dat perspectief zou je ze
als te breedvoerig en naast de kwestie kunnen verketteren. Maar terzelfder
tijd getuigen ze van zoveel innemend enthousiasme, verbale spitsvondigheid
en toch ook genuanceerdheid dat ik ze niet graag geschrapt had
gezien.
Misschien is dat wel een van de redenen waarom Lanoyes boeken zo'n
succes hebben, je moet al over een zeer hoge zuurtegraad beschikken
om zijn ongebreidelde verbeelding niet uitermate charmant te vinden.
Soms wordt hij toch wat te
melig. Vooral passages waarin Katriens enige kind Jonas opduikt, willen wel
eens uit de bocht gaan.
IN deze nieuwe roman ontbreekt nagenoeg de lichtjes pathetische toon
van Kartonnen dozen.
Het is naast een wrang ook een grappig boek, maar dan veeleer op de
weemoedige wijze van Een slagerszoon met een brilletje. Het
goddelijke monster is een grimmige after party, voor wanneer het circus
Lanoye zijn deuren al uren heeft gesloten en een teveel aan
alcoholische dranken tussen melancholie en opstandigheid doet twijfelen.
Stilistisch blinkt en schittert het allemaal wat minder dan
Kartonnen dozen. Maar die roman leed dan ook hier en daar aan
stilistische overkill. En qua opbouw is Het goddelijke monster
Lanoyes beste boek. Hij wisselt
virtuoos van perspectief.
Ook de doden blijven spreken, wat tot enkele zeer mooie scènes leidt.
Die grillige structuur geeft het verhaal flink wat vaart en afwisseling,
zonder dat het daarom een onsamenhangend allegaartje wordt. Tegelijk
is alles wat je over de opbouw van deze roman kunt zeggen voorbarig. Het boek eindigt immers met de mededeling dat
het hier het einde van het eerste deel betreft. Naar verluidt, plant Lanoye een
trilogie.
Nog iets over het werkelijkheidsgehalte van dit boek. Lanoye gaat wat
provocerend te werk met zijn knipogen naar de realiteit. Herman en Leo
Deschryver vertonen onmiskenbaar trekken van Herman Van Rompuy en Leo Delcroix,
van Jan De Clerck, André Cools en Marc Eyskens. En voor de in beslag genomen
blocnotes die daarna door politieke druk achter de schermen moeten worden
teruggegeven, moet je ook al niet ver zoeken.
Uiteindelijk bestaan die parallellen ook maar omdat zowel die
politieke figuren als de personages van Lanoye dragers zijn van een
diepgewortelde Belgitude, op en top theatraal en daarom alleen al
dramatisch tamelijk onweerstaanbaar. Zoals heel Het goddelijke
monster trouwens.