|
Trouw, 9 oktober 1996 |
|
|
|
|
|
Een koning kan niet vier dochters hebben |
|
|
|
|
|
LIEKE VAN DUIN |
|
|
|
|
|
Sjoerd Kuyper: 'De
rode zwaan', 190 p, Leopold,
fl. 29,90, vanaf 11 jaar. Met 'dit land' bedoelt
grootvader de Kennemer Duinen bij Bakkum, de woonplaats van de schrijver. Voor het eerst
schreef Sjoerd Kuyper,
auteur van onder meer 'Het zakmes' en de boeken over het jongetje Robin, een boek voor oudere kinderen. Hij moet zich enorm
geïnspireerd gevoeld hebben door 'de tover' van zijn
woonomgeving, want hij schreef het sprookjesachtige 'De rode zwaan' inderdaad
alsof het echt gebeurd is, in een werveling van belevingswerelden waarin soms
moeilijk uit te maken is in welke droomlaag of wakkerheidslaag
het verhaal zich afspeelt. Refererend aan oude volksverhalen heeft Sjoerd Kuyper een cluster
gloednieuw verzonnen duinmythen neergezet. En wel met zoveel bezwerende,
beeldende overtuigingskracht, dat zijn dertienjarige hoofdpersoon er nog in
gaat geloven ook. En om pubers in sprookjes te laten geloven, dan moet je van goeden huize komen. Grootvader en
kleinzoon heten beiden Jakob, maar hebben behalve
hun naam ook hun levendige fantasie gemeen. Grootvader, die een groot deel
van zijn leven in Frankrijk heeft gewoond, komt na de dood van zijn Franse
vrouw terug naar zijn geboortegrond en koopt een oud wit huisje in Bakkum. Kleinzoon mag in de herfstvakantie helpen om het
op te knappen. Grootvader vertelt hem de verhalen van de streek, die hij
vroeger van een buurmeisje heeft gehoord: over de wisselvrucht, die levenden
de dood brengt en doden het leven, over de Reisgenoot, je beschermengel, die
je maar drie keer in je leven ontmoet, over het Houtvolk, trolachtige wezens
van alle tijden die van de wind leven, en over de angstaanjagende
Karpermannen. Als grootvader van het dak valt en 's nachts ligt te ijlen van
de wondkoorts, raakt Jakob overstuur. Hij gaat het
bos in, en op het bruggetje waar wandelaars altijd de vraatzuchtige karpers
staan te voeren, valt hij. Zijn elleboog bloedt, en hij herinnert zich grootvaders
verhaal dat drie druppels bloed van een kind voldoende zijn om die karpers te
laten veranderen in bloeddorstige wangedrochten. Als hij opstaat is hij in een andere werkelijkheid beland. Dat wil
zeggen: de wereld om hem heen is exact dezelfde, maar de snelheid van de tijd
waarin hij leeft is veranderd (die gaat honderd keer zo snel, rekent de lezer
uit). Jakob realiseert zich dat
hij in een verhaal zit. Hij ontmoet de wezens uit grootvaders verhalen, en
krijgt een opdracht: om zijn gewonde grootvader te helpen moet hij de rode,
houten zwaan zien te vinden die vroeger grootvaders lievelingsspeelgoed was,
en die hij rond zijn dertiende heeft weggegooid. Het verhaal is te
complex en te rijk aan ideeën om na te vertellen. Merkbaar is dat de auteur
gewend is om voor film te schrijven: hij schrijft in beelden, refereert aan
filmbeeldjes - die je snel of langzaam kunt afdraaien - en weet zijn lens
haarscherp in te stellen. De natuur is bij Sjoerd Kuyper bezield, maar dat kun je alleen zien als je 'de
goede ogen' ogen hebt. Die verlies je meestal als de
puberteit begint. Behalve als je het Houtvolk hebt gezien, waarvan de zielen
in bomen huizen. Dan wíl je niet meer volwassen worden. Grootvader heeft de
rode zwaan, dat bezielde, uit een knoestige tak gesneden stuk hout waarmee
hij als kind praatte, op de drempel van zijn puberteit weggegooid; en het
komt alleen goed met hem als zijn kleinzoon het hem, als hij op diezelfde
drempel gekomen is, terugbezorgt. Kuyper speelt op een
hallucinerende manier met de verschillende tijdsnelheden (al verstrikt hij
zichzelf daar soms in). Daardoor wordt de verhaalwerkelijkheid soms griezelig
echt en lijkt grootvaders overtuiging dat alles wat je kunt bedenken ook
bestaat, de waarheid. Tijdens een wandeling
door bos en duin achter zijn huis vertelt Sjoerd Kuyper over het ontstaan van het boek. Vanaf een hoog
punt overzien we de Kennemer Duinen, het meer (waar
de karpers inmiddels uit weggehaald zijn), en het
bruggetje, waar Sjoerds vrouw Margje
die ochtend goed zichtbaar een geboetseerde wisselvrucht heeft neergelegd.
``Toen ik hier acht jaar geleden voor het eerst stond, zag ik het verhaal in
grote lijnen al voor me. De mythen heb ik later ingevuld. De Karpermannen heb
ik eens bedacht voor een speurtocht van de school van mijn kinderen. Toen er
echt kinderen waren die daardoor het bruggetje niet over durfden, dacht ik:
mooi zo, dat is dus een sterk beeld. De Reisgenoot is een spontane opwelling
geweest: een soort beschermengel. Het idee van de rode zwaan komt voor een
deel van een poppenkastvoorstelling die mijn zusje Trudy
ooit speelde: 'Het hout van vroeger'. Ik vroeg of ik eens wat mocht doen met
dat beeld, en dat vond ze goed.'' We lopen door de
feestwei, waar Kuyper het Houtvolk laat vrijen,
waarna de mannen tot bomen transformeren. We komen langs de 'put' waarin je
kunt zien wat er morgen gebeurt, lopen onder de scheve boom door die ooit de
dochter van een Romeinse garnizoenscommandant was, zien de esdoorn die uit de
kleine Vezel van het Houtvolk gegroeid is, en drinken wijn in 'Johanna's hof', het restaurant waarboven Jakob zich verstopte voor de Karpermannen. ``Je ziet het,
alle plekken bestaan echt'', zegt hij, ``maar alle verhalen zijn echt
verzonnen. Ja, ik gebruik Jungiaanse archetypen,
die schieten je soms zomaar te binnen. Maar Jung
lezen doe ik niet, dan wordt het allemaal te bewust. Een koning met vier
dochters, dat doe je intuïtief al niet.'' Tenslotte
vraag ik: ``Maar grootvaders witte huisje, waar staat dát dan?'' ``Zie je het
niet?'', is het antwoord, ``dat is mijn eigen huis.'' |
|