Het Parool

Het geschonden landschap

Terug

Wiel Kusters & Jos Perry:
Versteende wouden
Mijnen en mijnwerkers in woord en beeld
Querido, f 32,50


Als kind op vakantie in Valkenburg keek ik nieuwsgierig om mij heen naar de Zuid-Limburgers. Hun huid leek mij enigszins vaal, hun ogen leken diep in de kassen te liggen en ik stelde mij voor dat dit kwam door hun werk diep onder de grond in de mijnen, waar hun beitels het fijne stof van de kolen in hun gezicht stoven. Mijnwerkers waren helden, zeker in die eerste jaren na de oorlog, toen Nederland van hen afhankelijk was voor de brandstof die de motor van de wederopbouw op gang moest brengen. Je huiverde als je dacht aan hun dagelijkse arbeid in de smalle, lage ondergrondse gangen waar het aardeduister was en alleen de mijnlamp hun arbeid verlichtte.
Een vijftien jaar later zat ik in de stadsschouwburg van Heerlen waar de minister van Economische Zaken, drs (Joop zei je toen nog niet) Den Uyl de sluiting van de mijnen kwam aankondigen. Naast hem zat Frans Dohmen, de legendarische vakbondsleider van de mijnwerkers die er als geen ander voor geijverd had dat aan hun mensonwaardige arbeid een einde zou komen - heel anders dan andere vakbondsleiders in andere landen, neem Arthur Scargill, die zich daar later tot het uiterste tegen zouden verzetten.
In Nederland bleef de mijnbouw een episode, rond de eeuwwisseling ontstaan en driekwart eeuw later alweer verdwenen. Alleen rond Kerkrade is sprake van een veel oudere mijncultuur. Voor het overige was het een modernisering die diep ingreep in het landschap en, drie generaties lang, de samenleving van Zuid-Limburg bepaalde. De dichter Wiel Kusters, hoogleraar letterkunde, en de historicus Jos Perry onderzochten welke weerslag dit alles had in literatuur en beeldende kunst.
De oogst is, wat Nederland betreft, mager. Op een klein aantal streekromans wordt telkens opnieuw teruggekomen. Nederlandse kunstenaars hebben zich (met als beroemdste uitzonderingen Heijermans en Toorop) niet bijzonder door de mijnen laten inspireren. De schrijvers behandelen dan ook mede kunstuitingen uit omringende landen. Wat daarbij opvalt is dat vooral in ons land, waar kolenmijnen een modern verschijnsel waren, de tegenstelling tussen het oude en het nieuwe lang het voornaamste thema is: het geschonden landschap, het bedreigde boerenleven versus de industrialisatie, nieuwkomers, andere zeden. Maar op den duur zal dit, onder meer door Bertus Aafjes, als een gelukkig huwelijk worden voorgesteld: bloeiende kersenbomen tegen een decor van liftschachten en koeltorens.
Wie op zoek is naar metaforen kan in de literatuur over de mijnen zijn hart ophalen: de vrouw als het lieflijke heidelandschap of ook wel als de mijn waarin de man binnendringt en niet zelden omkomt (de fatale vrouw).
Vooral de dichter en hoogleraar letterkunde Wiel Kusters kan daar niet genoeg van krijgen. ''De horizontale beweging in het ondergrondse kan worden beschouwd als een tot in het uiterste geseculariseerde vorm van verticaliteit: hoog en laag, licht en donker, schrijft Kusters bijvoorbeeld, 'en vooral: alles wat nu juist de spanning tussen deze tegenstellingen aan 'zin' kan opleveren - het lijkt allemaal opgegaan in een zo snelle verplaatsing, een dermate moderne en antimetafysische mobiliteit van onze geest en ons gemoed, dat de polen samenvallen'. Tja.
De historicus Jos Perry blijft gelukkig meer met beide benen op de grond. Hij draagt aan de bundel mooie hoofdstukken bij, onder meer over Heijermans' stuk Gluck auf en over het meest tragische onder de levende wezens in de mijn: het mijnpaard dat, eenmaal afgedaald, doorgaans nooit meer het daglicht zag.


John Jansen van Galen, 3-9-1999

Hosted by www.Geocities.ws

1