NRC Handelsblad, 6 februari 2004
Een hart als een kerkdeur

`Het boek van alle dingen' (ill. Peter-Paul Rauwerda) verscheen bij uitg. Querido.Kuijer maakt met het Elektra Kamerkoor een
`vertelvoorstelling' van `Het boek van alle dingen.' Vanaf september in de theaters
Judith Eiselin
De nieuwe roman van Guus Kuijer wijkt radicaal af van al zijn andere boeken. Maar: ,,Helemaal uitzichtloos kan niet, voor kinderen. Alles
kapot, dat is meer iets voor volwassenen.''
Meneer Kuijer, ook wel: Guus, laat
zich voor het eerst in drieëntwintig jaar interviewen.
Want de man die met
journalisten praat, valt nou eenmaal niet of nauwelijks samen met de persoon
die thuis aan een schrijftafel zit, is zijn ervaring. En die schrijver thuis is
ook weer niet dezelfde als `Guus Kuijer, de beroemde
kinderboekenschrijver'. ,,Heel andere mannen zijn
dat'', zegt hij glimlachend maar resoluut.
In de door hem verkozen
`neutrale ruimte' bij zijn uitgever in Amsterdam wil hij, vooruit, wel praten
over zijn nieuwe boek. Over het boek, niet over de schrijver ervan. Hij heeft
een diepe afkeer van `gewauwel' over het persoonlijk
leven van de auteur, dat, volgens hem, ,,nergens iets aan toevoegt en niets
verheldert bovendien''. Het nieuwe boek is getiteld Het boek van alle dingen.
Het wijkt af van alle andere boeken van Guus Kuijer.
Kuijer, geboren in Amsterdam in 1942 in een
streng godsdienstig gezin, begon op zijn vijftiende met schrijven. ,,Zoals je
vaker hoort: om geen deel van het systeem te hoeven zijn
en, belangrijker nog, ter bevestiging van de eigen identiteit.''
Hij heeft een opvallend
lange hals en een klein hoofd met halfgeloken
oogleden. Het geeft zijn blik iets geringschattends, maar er tinkelt
levendigheid en ironie achter.
,,De naam `Guus Kuijer'
is zoiets als een merk geworden'', stelt hij. ,,In het
Nederlandse kinderboekenwereldje dan. Een stempel. Zoiets overkomt je. Het is
een vreemde gewaarwording. Gelukkig weet daarbuiten niemand ervan. Ik word
nooit herkend.'' Onlangs ging hij voor de achtste keer zonder valse snor kijken
naar de recente verfilming van zijn Polleke. Voor
zijn Polleke-boeken, maar ook voor eerder werk, is Kuijer talloze malen bekroond.
Het boek van alle dingen,
dat deze week verschenen is, speelt in de jaren vijftig en staat vol aan de
bijbel ontleende beelden. ,,Het jongetje Thomas dat er
de hoofdrol in speelt, is diep religieus in een diep religieuze omgeving'',
zegt Kuijer. Welke religie het is dondert niet, vindt
hij. Het ging hem om het fundamentalisme dat in elk geloof eender is. De bijbel
en de sfeer van de jaren vijftig bepaalden zowel de inhoud als de stijl van het
boek. Eerder schreef hij, op enkele dieren- en allegorische fantasieverhalen
na, juist eigentijdse boeken: in het holst van de jaren zeventig over Madelief,
met haar rebelse inslag een echt kind van haar tijd, en de laatste jaren over Polleke, een meisje uit de grote stad met een schoolklas
vol kinderen van buitenlandse komaf en een junk als
vader.
Het boek van alle dingen
begint zo: twee mannen van eenenzestig zitten bij een knappend haardvuur. De
een heet Thomas Klopper, de ander is de `wereldberoemde kinderboekenschrijver
Guus Kuijer'. `Ik ken u als schrijver met veel gevoel
voor de medemens,' zegt Thomas Klopper terwijl hij een dik schrift tevoorschijn
trekt. `Ik knikte,'' staat er dan, ,,want dat was
waar. Ik heb enorm veel gevoel voor de medemens. Het kan wel wat minder
eigenlijk.'
Oneerbiedig
In het schrift staan
aantekeningen van meneer Klopper zelf, van toen hij
negen was. Oneerbiedige aantekeningen, waarschuwt hij, want zijn jeugd was
ongelukkig en dan krijg je dat. De mannen worden vrienden en de schrijver werkt
de verhalen van zijn gast om tot een boek, tot dit boek.
Over Guus Kuijer in het boek spreekt Guus Kuijer
die geïnterviewd wordt consequent in de derde persoon. Hij heeft het over ,,die
oude man en die andere oude man'', over ,,de schrijver
en de oude man'' ook wel. `Die schrijver' had een heel ander boek willen
schrijven, staat in de eerste twee regels van de proloog die zijn overgenomen
uit Kästners Emil en zijn
detectives. ,,Een ontroerend boek waar je ook om kon
lachen'', over de gelukkige jeugd van de beroemde schrijver zelf, moest het
worden.
De dingen in Het boek van
alle dingen zijn ontzettend ontroerend en toch ook wel om te lachen (`De
kerkdienst duurde lang. Het volk Israël sleepte zich morrend door de woestijn
en de kerkbankjes waren hard'). Maar het zijn de dingen van Thomas Klopper.
Niet van de een of andere Guus Kuijer, daar valt niet
aan te morrelen.
De omweg van de proloog is
uniek in Kuijers oeuvre, dat juist opvalt door de
directe toon. Polleke begint meteen op de eerste
bladzijde over haar meester die verliefd is op haar moeder (en andersom),
Madelief stond er ook gewoon meteen, pats boem, in zijn kinderboekendebuut Met
de poppen gooien (1975), en zo ging dat tot nog toe steeds. Hij verleidde zijn
lezers zonder uitnodiging of duiding vooraf.
Behalve om er met nadruk
op te wijzen dat een en ander in Het boek van alle dingen niet autobiografisch
mag worden opgevat, heeft de proloog nog een functie. ,,Er
wordt op de totstandkoming, op de constructie gewezen'', zegt Kuijer. ,,Namelijk: hier is geen
negenjarige aan het woord, maar een eenenzestigjarige
over een eenenzestigjarige, over een negenjarige. Het
is een nadrukkelijke herinneringsconstructie''.
,,Het gaf me ruimte om
bijvoorbeeld letterlijk uit de bijbel te citeren'', zegt hij, ,,en om volwassenen uitspraken te laten doen waar een
negenjarige niets van snapt. Die dingen zijn toegevoegd, maar wel op basis van
de aantekeningen in het schrift van Thomas hè.''
Na de proloog koos Kuijer desalniettemin wel voor een
toon die dichtbij zijn gebruikelijke directheid staat. De ingrepen vallen niet
op, al zijn de uitstapjes naar bijvoorbeeld de engelen in de hemel talrijk en
wordt gerefereerd aan en geciteerd uit werk van Erich
Kästner en Annie M.G. Schmidt.
Kuijer: ,,Kästner, Emil en zijn detectives,
ja, dat las ik ook op mijn negende. Net als Alleen op de wereld, dat ook
genoemd wordt. En nog een heleboel meer. Maar de versjes van Schmidt niet hoor, die ontdekte ik eigenlijk pas toen ik al
volwassen was.'' `Mr. van Zoeten', het vers over de heer die zijn voeten wast
in het aquarium, speelt een belangrijke rol in het boek. Thomas draagt het voor
op de door hem eigenhandig in het leven geroepen leesclub, een ware
verzetsdaad. Kuijer eert Schmidt:
achterin zijn boek is het vers nog eens, in zijn
geheel, opgenomen.
Slechts eenmaal komt de
schrijver in het boek nog `hardop' tussen de lezer en het verhaal van Thomas.
`Waarschuwing,' staat er dan tussen haakjes, `Het vers dat Thomas nu gaat
opzeggen, kun je rustig overslaan. Het is niet te lezen!' Daarop volgt psalm
22: Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?
Als de
vader van de hoofdpersoon Thomas weer eens uithaalt naar zijn vrouw, of naar
zijn zoon, wringen de engelen zich de handen en snikken het uit. Heel het aardoppervlak droogt uit, al
het levende laat de kopjes hangen en valt als stof uiteen.
,,Thomas heeft zoals alle kinderen het
kosmische gevoel dat hij het middelpunt van de wereld is'', zegt Kuijer. ,,Een gevoel dat nooit
helemaal verdwijnt trouwens, als je moeder sterft en de bakker staat gewoon in
de winkel... het blijft vreemd. Als Thomas iets overkomt, davert alles op zijn
grondvesten. De hemel davert dus ook, want hij is heel gelovig. Even sterk als
zijn vader, maar op een kindermanier.''
De vader vat de
religiositeit van zijn zoon echter op als spot. Als zijn zoontje in al zijn
onschuld zingt over de `Goede stierenheer', in plaats van de Goedertieren Heer,
ranselt hij hem af met een houten lepel. Kuijer kijkt
kwaad als hij hierover praat: ,,Zelf ben ik niet
gelovig hoor. Maar als Jezus heeft gezegd `laat de kinderen
tot mij komen', dan mochten ze vast en zeker ook aan zijn baard trekken.''
Thomas voelt zich
schuldig, altijd en overal en over alles, en weet toch ook dat hij `bijzonder'
is. Hij haat zijn vader en bidt de Heer hem nooit te vergeven, maar kan het
zich in het optimistische slot van het boek veroorloven iets als medelijden te
voelen met de altijd doodsbenauwde man. Een netwerk van vrouwen en kinderen
heeft zich dan tegen de man aaneengesloten en alles komt behoorlijk goed.
,,Helemaal uitzichtloos kan niet'',
zegt Kuijer. ,,Niet voor
kinderen. Alles kapot, dat is meer iets voor volwassenen. Een vage doodswens
zit er trouwens wel in, ik keek er zelf van op. Misschien neem Ik je wel tot
Mij, zegt Jezus en de jongen reageert met: Dat lijkt me mieters,
Jezus.''
Mieters. Een typisch woord uit het
`taallandschap', zoals Kuijer het noemt, van de jaren
vijftig. Alle beelden in het boek komen daarvandaan: de zondag die de enige dag
is die `als een handkar' voortgeduwd moet worden (de andere dagen `rollen
vanzelf de brug af'). Een stem die klinkt als een `lege emmer', een keel die
voelt als een `schroefdeksel', een hart dat bonst `als
een kerkdeur'. Kuijer: ,,Een
aantal van dit soort vergelijkingen heb ik herhaald, opdat het boek een
droomachtige kwaliteit zou krijgen.''
Archaïsch of
onvoorstelbaar wordt het gekuier
door het vijftiger-jaren-taallandschap nooit. Beelden
en gebruiken uit de kerk verklaart hij meteen. `De litanie was het heen en weer
zingen in de kerk', staat ergens bijvoorbeeld. Sommige kerkelijke voorschriften
zullen veel huidige jonge lezers waarschijnlijk bekend voorkomen en behoeven helemaal geen uitleg: `Op zondag gingen ze naar de
kerk. (-) Moeder met een hoed op en Margot met een
hoofddoekje, want dat moest van de kerk. Je mocht het kapsel van vrouwen niet
zien. Bij mannen was het niet erg, want die hadden geen kapsel.'
Tjitjaks
Er is maar één ding uit
Het boek van alle dingen wellicht onduidelijk voor lezers die uit latere
`taallandschappen' stammen: de `tjitjaks' boven de
schoorsteen in Thomas' huis. Kuijer lacht: ,,Dat waren koperen gekko's op een batikkleed, dat was toen
doodgewoon, net zoiets als het hertje van Van
Meegeren.''
Het kostte hem geen moeite
woorden en beelden te vinden om de jaren vijftig mee te suggereren. ,,Ik hoefde er niet naar te zoeken'', zegt hij. ,,Ik denk dat ik al jaren met dit boek rondliep. Nu was de
noodzaak er meer dan eerder om het te schrijven... Het belang van de
corrigerende tik, bijvoorbeeld, daar wordt nu opeens weer over gesproken.
Binnen welk geloof, dat maakt niets uit. Alle fundamentalisten willen zich
opsluiten in een getto, zonder beïnvloeding, met volledige aanpassing. Dat is
wat de vader in het boek poogt te doen. Van Thomas
eist hij het afschaffen van zijn eigenheid, hij wil zijn kern uit hem
ranselen.''
Guus Kuijer
windt zich op. Zelf was hij `reuze blij' met het
tijdvak dat volgde op de benauwde jaren vijftig. Hij ziet parallellen tussen de
aanpassing die fundamentalisten eisen en de huidige mode in de politiek.
,,Politici roepen tegenwoordig van alles over aanpassen,
aanpassen met verlies van de eigen identiteit'', zegt de wereldberoemde
schrijver luid. ,,Wat is dat in vredesnaam? Dat kan helemaal niet en dat moet je niet willen. Het is een
pokkeland aan het worden, Nederland.''