Trouw, 7 februari

Jezus'
gevoel voor humor
Peter Henk Steenhuis
In Guus Kuijers nieuwste
jeugdboek speelt het geloof een grote rol. Het jongetje Thomas wil ondanks zijn
strenge vader gelukkig zien te worden. Maar hoe doe je dat? Gesprek over
vroomheid, Jezus en de fundamentalistische jaren vijftig. ,,Opgepord
door de actualiteit heb ik eindelijk de juiste vorm gevonden.''
In 'Het boek van alle dingen' beschrijft Guus Kuijer
een kerkdienst. De dienst is in een gewoon huis, zonder toren. Bijna niemand gaat ernaartoe. Maar Thomas, zijn ouders en
zijn zusje wel. Moeder draagt een hoed, het zusje een hoofddoekje. Ze gaan
lopend ,,want God wilde niet dat er trams reden op
zondag''.
De dienst duurt eindeloos, wordt alleen onderbroken door een
beurtzang, waarbij 'een zwarte jurk' iets zingt, en de mensen steeds dezelfde
regel terugzingen: ,,Goede stierenheer, verlos onze
ellendige zondagen.''
Dit blijkt niet de juiste tekst te zijn. Na het eten laat vader
Thomas herhalen wat hij zong tijdens de litanie. Thomas haalt adem en vraagt
opnieuw aan de stierenheer hen te verlossen van die ellendige zondagen. Vader
barst uit zijn vel. De jongen wordt naar boven gestuurd, hij moet zelf de
pollepel meenemen. En terwijl de vader hem op de blote billen mept, denkt de
jongen ,,God... Pets! bestaat
... Pets! niet.'' De negenjarige Thomas krijgt
hardhandig te horen hoe goedertieren de Heer is, en hoe ellendig wij zondaren
zijn.
'Het boek van alle dingen' speelt zich af in de jaren vijftig in
een orthodox-protestants gezin. Net als 'Polleke' en
'Madelief' is het een kinderboek, maar je zou het ook een roman kunnen noemen. Kuijer benadrukt dat het boek niet autobiografisch is. ,,Als je te veel vraagt naar wat ik verzonnen heb en wat
ooit werkelijk gebeurd is, haal je het verhaal uit elkaar. Het is fictie. Maar
het milieu waarin het zich afspeelt, ken ik uit mijn jeugd.''
'Het boek van alle dingen' gaat over de bevrijding uit de angst. ,,Thomas neemt zich voor later gelukkig te worden. Maar hoe
word je dat? Geluk begint ermee dat je niet meer bang bent. Maar hoe leer je om
niet meer bang te zijn? Die weg heb ik beschreven.''
Thomas zelf denkt zijn vader te moeten straffen met de plagen van
Egypte, waarmee het volk Israël de farao op de knieën hoopte te dwingen. Daarom
stopt Thomas ranja in hun eigen aquarium, om het water tot bloed te laten
kleuren. Een buurvrouw, bij wie Thomas geregeld zijn heil zoekt en die hem
kennis laat maken met Beethoven en met de literatuur, doet hem inzien dat niet
de kikkers de beste plaag zijn om vader op andere gedachten te brengen, en ook
niet de muggen en de builenpest, maar dat vrouwen en kinderen de beste plaag
zijn. ,,Daar kan geen farao tegenop.''
Buurvrouw krijgt gelijk. Vrouwen en kinderen komen op een avond
bij Thomas thuis. Er wordt voorgelezen, er wordt gelachen, er wordt naar muziek
geluisterd. In de ogen van Thomas verschrompelt de vader tot een hulpeloze,
bang voor vrolijkheid, voor spot, voor een vloek. ,,Vader
was als de dood.''
Kuijer: ,,De
tegenstelling tussen de vader en de zoon zie je ook terug in de gedachtewereld
van Thomas. God de Vader is zijn eigen vader. Bij het pak slaag
dat hij krijgt, besluit hij dan ook uit zelfbescherming dat die vader niet
langer bestaat. Maar de zoon wel! De zoon is hijzelf. En met de zoon van God,
Jezus, kan hij zich dus ook goed identificeren.''
Vandaar dat Thomas geregeld met Jezus spreekt wanneer hij hem ziet
verschijnen. Dit leidt soms tot hilarische conversaties. Bijvoorbeeld
wanneer Thomas zich beklaagt over zijn vader en dat Jezus dan antwoordt dat hij
het ook niet gemakkelijk heeft gehad met zíjn Vader. ,,Dat was een
strenge hoor. Ik moest aan het kruis worden geslagen of Ik wilde of niet.'' ,,O
ja'', zei Thomas, ,,Dat was niet leuk voor U.'' ,,Nee'', zei de Heer. ,,Dat was
eens maar nooit weer.''
Kuijer: ,,Jezus moet
gevoel voor humor hebben. Anders zeg je niet: 'Laat de kinderen tot mij komen'.
Wie nadenkt over de consequenties van deze uitspraak, moet inzien dat deze
kinderen lang niet allemaal eerbiedig tot hem kwamen. Er heeft vast wel eens
een kind aan zijn baard getrokken, of in zijn neus geknepen. Jezus
weet dat de vroomheid van kinderen een heel andere is dan die van volwassenen.
Vandaar dat hij zich niet stoort aan de zogenaamd oneerbiedige opmerkingen van
Thomas.''
,,Bij ons thuis werd zeker niet zo tegen Jezus aangekeken.
Wij waren streng en fatsoenlijk. Jezus was geen
aardige man, er werd alleen stijf en met het zondagse pak aan over hem
gesproken.''
,,Ik heb me nooit verbeeld wat Thomas zich verbeeldt, maar ik
kan me wel voorstellen dat een jongen met meer verbeeldingskracht dit soort
gesprekken met Jezus voert. Die gesprekken zijn het tegengif dat hem op de been houdt, en waardoor het ook lukt zijn vader te weerstaan.''
En waardoor Thomas, als zijn vader zich aan het einde van het
verhaal terugtrekt op een klein kamertje, medelijden met hem krijgt. Dan staat
er: ,,Hij zag zijn vader dwars door de muur heen.
Achter zijn bureau. Alleen. Thomas voelde zich raar in zijn buik. Hij dacht
eerst dat hij een nijlpaard had ingeslikt, maar even later begreep hij dat het
medelijden was.''
Kuijer: ,,Als Thomas
medelijden met zijn vader heeft, staat hij bijna boven hem. Vanaf nu zal de
vader er minder toe doen. Ik denk dat de meeste kinderen een manier vinden om
te overleven. Maar er vallen ook slachtoffers. Het zou mooi zijn als zij iets
aan dit verhaal hebben.''
,,Ik heb 'Het boek van alle dingen' niet
geschreven om mijn eigen jeugd van me af te schrijven. Ik schrijf nooit iets
van me af. Het is eerder geschreven uit verontrusting. In het debat over normen
en waarden duiken ook vaak de jaren vijftig op. Het zou een
knusse tijd zijn geweest, waarin respect bestond, gezag, orde.''
,,Ik heb de jaren vijftig niet als knus en ordelijk ervaren,
maar als een tijd die beheerst werd door fundamentalisme. Uit angst voor
beïnvloeding praatte men niet met elkaar. Wij werden afgesloten van de
buitenwereld, hoorden ook nooit andere meningen. Zelfs in een stad als
Amsterdam leefde men in getto's, je kwam zelden andersgestemden
tegen.
,,In de jaren zestig hebben de kinderen en de vrouwen de
wereld opengebroken. Zij hebben de deuren opengezet, waardoor de angst is
verdampt. Maar nu keren de getto's terug, er zijn nieuwe fundamentalisten,
nieuwe groepen die niet met elkaar praten. En dan denk ik niet alleen aan
fundamentalistische moslims. De angst voor beinvloeding
bestaat in de hele maatschappij.''
,,Met het ontstaan van die getto's hoor je
ook steeds luider de roep om de corrigerende tik. Men heeft behoefte aan nieuwe
fermheid. Mijn boek vertelt waartoe die fermheid kan leiden. Wat er gebeurt als
mensen uit angst niet meer met elkaar praten. Het verhaal over Thomas heeft
lang in mij liggen rusten. Opgepord door de actualiteit heb ik eindelijk de
juiste vorm ervoor gevonden.''