Schrijver Krabbé, Tim
Titel Gouden ei, Het
Jaar van uitgave
1984Bron Trouw
Publicatiedatum 30-08-1984
Recensent Rob Schouten
Recensietitel Het sportieve proza van Krabbé
De schrijver Tim Krabbé behoort tot het genus der vertellers, een in de Nederlandse kritiek niet altijd even gunstig beoordeelde groep. In de jaren zestig en zeventig wemelde het ervan. Vooral het Amsterdamse studentenblad Propria Cures wist ze uit een schier onuitputtelijk reservoir almaar op te diepen. Maar aan het eind van de jaren zeventig kwam de klad erin, de kritici
begonnen wat apathisch te worden en ook bij het publiek liepen de 'vertellers' boeken niet meer zo goed.
Jeroen Brouwers sloeg bij het sluiten van het decennium met één machtige armzwaai de meeste
kopstukken van deze veelkoppige draak af en voor de meesten was toen de lol er af. Ze zwaaiden af naar de journalistiek, van kwaliteitskranten tot boulevardpers waar ze allang met open armen werden opgewacht.
Ook over Krabbé was Brouwers in zijn fameuze pamflet De Nieuwe Revisor niet te spreken. 'Boekie van Tim Krabbé over fietsen,' las hij verveeld, 'Prulgeschriften van jongensvriendjes', nog norser. Wie de pest bestrijdt moet niet met een ondennaatse muizeklem aankomen, en Jeroen Brouwers bestreedt de pest, de meer dan overvloedige woekering van derderangs eendimensionale vertelseltjes over tobbende dertigers, drank en stukke relaties.
Ik ben het wat betreft heel wat namen in zijn geschrift met hem eens, maar met een aantal ook niet. Sommigen sneuvelden mijns inziens ten onrechte, al was het voor de goede zaak. Ook Krabbé is door Brouwers op de grote hoop geveegd, en daar ben ik het niet mee eens want deze Krabbé mag dan geen Borges, Kafka of Vestdijk zijn, ik lees hem toch altijd met plezier en van zijn twee recente boeken, of boekjes, '43 wielerverhalen' en 'Het gouden ei', valt mijns inziens ruimschoots te genieten.
Vrij compleet
Krabbé is een verdienstelijk schaker, een verdienstelijk arnateurwielrenner en een schrijver van enige naam.
Bij elkaar kan hij dus nogal wat maar hij blinkt nergens opvallend in uit.
Daarentegen moet hij een vrij compleet man zijn, want hij verenigt de eigenschappen van een denker, een schaapskop en een kunstenaar in zich. Combinaties van die diverse eigenschappen leveren soms een bijzonder resultaat op.
Dat is beslist het geval in zijn gebundelde NRC-colunms '43 wielerverhalen'. De wielersport mag in kringen der intelligentsia op zeker moment een erg trendy verschijnsel zijn geweest, heeft zich er temninste oprecht en met hart en ziel aan gegeven. En hoewel hij een kampioen van
zeventiende plaatsen en dergelijke is geworden, weet hij er alle finesses van.
Nu moet ik toegeven dat ik bij de uitzending der eerste klassiekers op België onmiddellijk alle andere afspraken afzeg, zodat ik wellicht bevooroordeeld ben, maar ik maak me sterk dat '43 wielerverhalen' ook voor de gemiddelde liefhebber van curieuze enthousiasmen iets in petto heeft.
Omgekeerd relativeren
Opmerkelijk is Krabbé's neiging tot omgekeerd relativeren. Niet alleen wordt ér blijkens zijn impressies nog in de onbenulligste veteranenkoersen op onmenselijke wijze afgezien, ook weet hij altijd wel een persoonlijke link naar het'grote werk'te leggen. Via duistere omwegen rijdt Krabbé eigenlijk iedere keer in een klassieker, al was het maar omdat hij naast Frans Klardie iijdt, die in de dagen van olim nog eens heeft opgetrokken met Ab Geldermans, die ooit LuikBastemaken-Luik won.
Dan weer weet Krabbé zich één seconde lang virtueel in de gele trui of berekent hij dat hij met bijkans het hele Tour de France-peloton van een bepaald jaar wel ooit op een kassei gekoerst heeft. De openhartigheid over de kinderachtige lijstjes en statistieken die hij bijhoudt, is ontwapenend. alle grootheid is alleen bestemd voor wie er zelf eventjes in gelooft.
Ook de sofismen en het eindeloze geknibbel met zichzelf om al niet meer te hóeven winnen als winnen allang uitgesloten is wijzen erop dat Krabbé teruninste fantasievol in het zadel zit, een indruk die je van zijn medestrijders niet altijd krijgt.
Kenmerkend voor zijn sportieve instelling is zijn opvatting over sport en eerlijkheid.
Dopinggebruik zou oneerlijk zijn? Nou èn, zegt Krabbé, 'het lijkt me eerder het kemnerk van sport dat het er oneerlijk aan toe gaat. Wie heeft er aardigheid in een wielerwedstrijd waarin alle renners ex aequo over de finish komen? Wie zou willen kijken naar een voetbalwedstrijd waarin na de rust ter bevordering van de eerlijkheid niet alleen van speelhelft maar ook van spelers gewisseld wordt?'Krek!
Zulke frisse winden waaien meer door Krabbé's sportproza, dat daarnaast zonder pedant belezen over te komen een schat aan aangename petite histioire over lui als Merckx, Coppi en Moser bevat. Waarschijnlijk heeft hij zelfs wat te veel kijk op zijn sport om er ooit goed in te worden. 'Je moet niet met je bek sprinten'zou een wijs wielrenner hem eens toegefluisterd hebben. Maar met de toeclips aan schrijven mag hij van niij.
Effectvol
Ik denk datje Krabbé's columnistische werk het best als een uitnemende vorm van journalistiek kunt beschouwen, zonder er meer van te willen eisen. Ook zijn fictioneel proza is gebaat bij een niet al te diepgaande analyse. 'Het gouden ei' bijvoorbeeld is een boek waar iedere filmmaker op af zou moeten springen terwijl de tekstexegeet werkeloos toe moet blijven kijken.
Het is een thriller, zonder pretenties en totaal a-psychologisch maar met vaart en effectvol geschreven. Vriend en vriendin zijn op weg naar vakantiebestemrning. Op een parkeerplaats verdwijnt opeens de vrouw en wel voorgoed. Jaren later nog probeert de man dit mysterie op te helderen, maar de ontdekking die hij doet betekent ook direct zijn eigen ondergang.
Er zijn drie redenen waarom ik 'Het gouden ei' prijs. In de eerste plaats is dat de treffende beschrijving van de subtiele irritaties van de man jegens zijn vriendin, van wie hij toch veel houdt. In de tweede plaats is dat de manier waarop de schrijver een psychopathische maniak neerzet, die juist door zijn onbecommentariëerde idiote koelheid fascinerende proporties krijgt. In de derde plaats is dat de constructie van het boek in vijf afzonderlijke scènes, waarbij het weglaten en overspringen precies voor de juiste spanning zorgt.
Als gezegd, 'Het gouden ei' is filmisch geschreven. De stijl is ongecompliceerd maar boeiend en raak. Zo wordt de waanzin van de booswicht als volgt ingeleid: Na een tijdje legde hij het boek weg en ging over de balustrade leunen. Beneden was een gladgeschoren gazon dat, onderbroken door twee wandelpaden, tot aan het volgende flatgebouw reikte. "Als ik eens sprong," dacht hij.' Geen gepsychologiseer, geen gezeur, gewoon gek; en zo hoort het ook, denk je.
Die nuchtere opstelling, zonder geforceerde ironie, bezorgt Krabbé een aparte en sympathieke plaats in het hedendaagse realisme. In alle opzichten schrijft hij sportief proza, onomwonden en doelgericht, en als hij onverhoopt per ongeluk in de achterhoede eindigt dan nog altijd met het opgeheven hoofd van de feitelijk onverstaanbare verliezer.