GERRIT KOUWENAAR
De tijd staat open
Amsterdam: Querido
45 blz., 700 fr.
DE poëzie van Gerrit Kouwenaar heeft mij in feite nooit bijzonder
kunnen boeien. Het was niet moeilijk om te zien dat het interessante poëzie
was, dat ze knap gemaakt was en zonder twijfel ook belangrijk. Maar ik voelde
mij er nooit erg door aangesproken. Daar is plots verandering in gekomen,
toen Kouwenaar in 1991 de bundel Een geur van verbrande veren
liet verschijnen. En ook zijn nieuwe gedichten in De tijd staat
open zijn weer prachtig.
Samen met Lucebert en Jan G. Elburg lag Kouwenaar aan de basis van de
experimentele poëzie van de Vijftigers. Al in 1949 pleitte hij, in navolging
van de bevriende schilders Karel Appel, Corneille en Constant Nieuwenhuys,
voor een nieuwe, spontane en vitale poëzie, een poëzie die de uiting zou
zijn van ,,het grote ogenblikkelijke leven''.
Maar anders dan zijn experimentele vrienden zette hij die uitgangspunten
niet om in exuberante, beeldrijke, gedreven gedichten. Algauw ontwikkelde
Kouwenaar zich tot een nauwgezet en aandachtig ambachtsman van de taal. Bij
meer dan één gelegenheid heeft hij beklemtoond dat de dichter in de eerste
plaats een maker is van dingen in taal. ,,Ik wil niet schrijven over iets,
geen verhaal, geen gecondenseerd gevoel, niet een woord als vervoermiddel,
maar een woord terugbrengen tot zijn stoffelijkheid. Ik wil vandaan komen
onder de abstractie, dus de afstand tussen taal en werkelijkheid zo miniem
mogelijk maken, en waar ze elkaar bijna raken, waar ze elkaar ruiken,
besnuffelen, begint dan de poëzie. Het gedicht als een ding.''
Het blijft het ideaal van de Vijftigers: de onuitputtelijke complexiteit
van het vloeiende leven onder te brengen in zoiets conventioneels als de
taal. Maar Kouwenaar probeert het door indikking, niet door uitbreiding, door
constructie in de plaats van woekering. Het gebruik van
woorden heette dan ook de bundel uit 1958, waarmee hij definitief die weg
insloeg.
Het is een weg die hem meer bewondering dan populariteit heeft
opgeleverd. Hermetische poëzie werd het, en in de ogen van veel lezers ook steriele
poëzie: te koud, te onpersoonlijk, bloedeloos. Gedichten als dingen,
inderdaad.
IN het recente werk lijkt dat heel anders: er komen nu volop
herkenbare taferelen voor, anekdotes, emoties. Het lijkt warempel af en toe
persoonlijke belijdenis te worden. Is Kouwenaar oud geworden, zwak, een beetje
seniel misschien? Het lijkt nu wel allemaal anders, maar tegelijk heten in de
nieuwste bundel, De tijd staat open, twee van de afdelingen
respectievelijk ,,van woorden gemaakt'' en ,,volledig, zonder betekenis''.
Wat is er aan de hand?
Er is, geloof ik, aan de hand dat Kouwenaar in de beste gedichten in deze
bundels het punt heeft bereikt waarop leven en ding, het persoonlijke en
het algemene, het meest alledaagse en het essentiële elkaar gaan doordringen
en verrijken. Het is niet veel dichters gegeven om dat punt te bereiken,
waarin de taal tegelijk zo gewoon en zo mysterieus gaat klinken:
Eet nog van al dit mooie
voortdurend vervangbaar aanwezige
en drink en bevat en verteer het
nu het vlees steeds vertrouwder
zich in de spiegel onteigent, de taal
verdwaalt in zijn oorsprong, de tijd
steeds sneller zich inhaalt zich uitstelt
zo volmaakt was het nooit
zo voldaan als ingeslikt water
en is het ook nu -
Het is niet moeilijk om zich bij dit gedicht de heel concrete,
ouder wordende man voor te stellen, die in de spiegel constateert hoe zijn
vertrouwde lichaam aftakelt en daarom zichzelf aanspoort toch maar vooral te
genieten van wat het leven nog aan lekkers te bieden heeft. Maar hier zit
nu net het verschil tussen iets wat gezegd is en een ding dat gemaakt is van
woorden: in zo'n ding blijven alle tegenstellingen intact en worden ze
zelfs verdiept: het voorlopige en het definitieve; het voortdurend aanwezige,
dat even voortdurend vervangbaar is; het bezitten, dat tegelijk verteren en
dus vernietigen is; het lichaam dat vertrouwder en vreemder wordt
tegelijkertijd; hoe hetzelfde gebeurt met de taal, die zoals het lichaam verdwijnt
in de tijd, waaruit ook beide zijn ontstaan; hoe snelheid en stilstand
samenvallen in woorden als deze, die ons zulke vertrouwde situaties oproepen
als die van een late zonnige dag in het najaar. Een dag dat je iets zo
gewoons zegt als ,,zo volmaakt was het nooit''. En dat je goed beseft dat die
volmaaktheid, op het moment dat ze tot bewustzijn komt, al weg is, ,,als
ingeslikt water''. Zo volmaakt was het inderdaad nooit: alleen het nooit was zo
volmaakt. En zo gaat dit gedicht maar door, in beeld en klank en versbouw
en in het zorgvuldig afwegen van woorden altijd maar dieper en
onuitsprekelijker en daardoor dichter bij de heel gewone angstaanjagende beleving van
het leven.
Veel van de gedichten in deze bundel, en in de vorige, hebben het op die
manier over de tijd, over een sfeer van late zomer, herfst en uiteindelijk
winter, over samenzitten, eten en drinken tegen de achtergrond van het
definitieve verdwijnen: ,,de zomer rilt al van de herfst'', luidt het. Het is
vriendelijke en vreselijke poëzie in één en dezelfde adem, zoals in het
slotgedicht, ,,men moet'', dat klinkt als een testament:
Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen
men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder
men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren
(...)
Nu overvalt mij de neiging om te blijven citeren of voor te
lezen, om de verzen voor zichzelf te laten spreken, tegen de futiliteit van de
uitleg in. Soms is poëzie te goed, te onontkoombaar, maakt ze het gewone
taalgebruik al op voorhand belachelijk. Ze diept de ervaring
Neem nu het gedicht dat begint met een idyllische herinnering aan een
avond onder vrienden: ,,Vrienden, hoe wij die zomer daar zaten'', maar dat
geleidelijk verschuift naar de afgronden van verlies, vernietiging en dood.
Maar het ergste is dat bij al die verschrikking ook de rust en de
sereniteit en de verbondenheid intact en aanwezig blijven. Werkelijkheid,
herinnering, illusie en meedogenloos inzicht lopen elkaar als het ware voor de voet:
Vrienden, hoe wij die zomer daar zaten
op die eivolle berg tussen lege graven
hoe wij daar zaten bevroren in hitte
één blauwe seconde, ontvreemd voor een later
en hoe de cicaden de goden voorspraken
tienduizend vleugels alsof zij er waren
en hoe de dingen eenzelviger werden
goden en doden eischalen scherven
en hoe het nu herfst is en wij daar maar zitten
ook als wij elders in scherven liggen -
Het is allemaal zo buitengewoon eenvoudig. Zo eenvoudig als wat
er aan de hand is in het gedicht ,,een winteravond'', dat begint met een
tafereel van iemand die heeft zitten kijken ,,hoe de verkankerde stam/
van de oude vlier verbrandde'' in de haard; en wat dat allemaal betekent
en oproept: ,,niet na te vertellen dit trage eenzelvige afscheid/ deze
vanzelfsprekende geboorte van as''. Daarom zijn er deze gedichten, omdat wat
daar en elders en altijd gebeurt, niet na te vertellen is. En toch wil het
gezegd zijn, wil het geweten worden, wil het niet mét het moment en met de
verkankerde vlier verloren gaan. Wil het blijven bestaan in taal, in een ding
uit taal gemaakt.
Een dichter kan dat alleen tegen de achtergrond van het besef dat zijn
pogingen tot mislukken gedoemd zijn, dat ieder woord tekort schiet. Ontelbare
keren heeft Kouwenaar, zoals zovele dichters voor en na hem, het daarover
gehad. In de bundel Het gebruik van woorden schreef hij ,,o
het gebruik van woorden/ verzwijgt een herfstige wereld/ achter de
vensters'' en noemt hij de taal ,,het gratis theater/ van de ontkenning''. Ieder
woord dat gesproken wordt, of door de dichter geschreven, doet de volheid van
de werkelijke ervaring verdwijnen, het wist uit wat er was en vervangt het
door een sjabloon. Daarom verlangt hij naar woorden die zo leeg zijn, zo
betekenisloos, maar daardoor ook zo vol en onvervangbaar als de dingen zelf.
In diezelfde bundel probeert Kouwenaar een liefdesgedicht te schrijven,
maar hij moet daartoe afzien van woorden, al kan dat niet:
ik som je op als bloemen
als een lichaam in water
ik: een dier
een tong zonder taal
Het ideaal is te zijn als de kat, ,,een woord van bont''. Dat is
exact wat Kouwenaar ook in deze bundel bedoelt met de titel ,,Volledig,
zonder betekenis''. Het driedelige gedicht met die titel begint met de
eenvoudige vaststelling ,,De zomer is grijs deze zomer''. Maar wil daar meer over
gezegd worden, dan loopt het onvermijdelijk uit op nuanceringen,
vergelijkingen, een tomeloze aanwas van betekenissen, die alsmaar verder afleiden van
de eenvoudige oorspronkelijke volledigheid. ,,Altijd alsof alsof'' klaagt
de dichter, ,,altijd het woord dat zijn echo verbetert'', tot daar dan
plots het inzicht is, ,,volledig, zonder betekenis'', een inzicht, jawel, met
mystieke allures:
men staat stil op de rand van de stilte, bestaat
wat begint te ontbinden, moen moet zich
bevatten, ontmonden, tot op de seconde -
Niets anders willen deze gedichten dan zo dicht mogelijk die
volledige, betekenisloze stilte benaderen.
HUGO BREMS