Een lichte letterheer.
KEES VAN KOOTEN, Levensnevel
Kees van Kootens afscheid van het autobio-schrijven Jeroen Vullings
Met de bundel Levensnevel zet Kees van Kooten een punt achter zijn periode van autobiografisch-realistisch schrijven die met Koot graaft zich autobio van start ging.
Jeroen Vullings vraagt zich af welke richting Van Kooten nu uit moet.
Onlangs is Kees van Kooten (57) museaal bijgezet. In de tentoonstelling ,,Vier lichte letterheren'' in het Letterkundig Museum in Den Haag is zijn werk met dat van Godfried Bomans, Simon Carmiggelt en Kees Stip uitgelicht. Van dat viertal acht ik zijn proza het minst licht en het meest tegen het vermalen door de tijd bestand.
Maar die mening kan me ook ingegeven zijn doordat ik Van Kootens proza vanaf zijn debuut - de drie Treitertrends-boekjes - in de jaren zeventig heb gevolgd. Verhalenbundels als Koot droomt zich af en vooral Koot graaft zich autobio behoorden tot mijn eerste literaire leeservaringen en ik heb gemerkt dat ik daar bij een terugblik vaak mild over ben. Bomans, Carmiggelt en Stip waren in die tijd in ieder geval al fossielen en het kenmerk van zulk licht werk is vermoedelijk dat het in de tijd zelf gelezen moet worden; de uitgave van de verzamelde werken van Bomans en Carmiggelt lijkt mij dan ook niet bijzonder relevant.
Het heeft mij altijd wat verbaasd dat Van Kooten zich regelmatig zo nederig schatplichtig verklaarde aan Carmiggelt en zich literair onder hem stelde. Uiteraard is hij door Carmiggelt geïnspireerd geweest, maar Van Kootens beste werk stel ik toch liever op hetzelfde plan als Remco Campert, wiens ,,lichtheid'' bedrieglijk is. Zijn hommage aan Carmiggelt zal wel een ,,generatie-ding'' zijn; in Van Kootens jeugd was de stukjesschrijver ,,Kronkel'' nu eenmaal een grootheid, zoals Wim Kan dat als conferencier was. Bovendien was hij degene die de jonge Kees aanried ,,door te gaan in de letteren''.
De invloed van de televisie is uiteraard niet los te denken van de appreciatie van Van Kootens literaire oeuvre. Wim de Bie en Kees van Kooten - zeker in hun rol als directeuren van het Simplisties Verbond - waren helden voor toenmalig weldenkend, jong Nederland. In het videoloze tijdperk bleef men ervoor thuis. Een verschil met de satirische programma's van Wim T. Schippers (de Fred Haché-, Barend Servet- en de Van Oekel-show) is dat het hem vooral om camp en absurditeiten ging, terwijl bij de meer maatschappelijk geïnteresseerde Koot en Bie de Boodschap op de loer lag.
Met de creatie van ,,typetjes'' verloochenden ze hun cabaretachtergrond niet en daarmee waren ze traditioneler dan Schippers' anti-autoritaire ontwrichters van het burgerfatsoen. Het is vaker gezegd, maar op een gegeven ogenblik waren Koot en Bie niet meer te pruimen. De rolverdeling was te bekend: Bie als de moreel verontwaardigde prediker en Koot als de ,,kleine man'', die alles naar het menselijke plan terugbracht. Tot half jaren tachtig keek ik nog wel, daarna bij vlagen tot ik die grijs geworden drammers begin jaren negentig afzwoer. Inmiddels zijn ze qua televisie-amusement links gepasseerd door de mannen van ,,Jiskefet'' (met de schrijver Herman Koch). In hun hang naar het absurde en het boodschaploze is Jiskefet eerder verwant met voorgangers als Wim T. Schippers en vooral Monthy Python.
Eenzelfde verhaal kan verteld worden over Kees van Kooten als autobiografisch columnist of - een kwestie van definitie - als korte verhalenschrijver in de traditie van Carmiggelt en Ischa Meijer. De beste columns worden momenteel geschreven door een jongere schrijver als Martin Bril; daarbij steken die van Van Kooten als hopeloos ouderwets en traag af. Een verschil met de nieuwere generatie - Bril en Jiskefet - is dat het hen ontbreekt aan, om maar eens een beladen woord te gebruiken, zoiets als medemenselijkheid of zelfs een morele component. Niet dat ik ze dat verwijt: het zijn immers geen literaire waarden. Bovendien denk ik dat hun werk juist door het ontbreken van zulke waarden beter is dan dat van Van Kooten. Maar, positief benaderd, maakt die menselijkheid de stukjes van Van Kooten nu juist zo eigen en sympathiek.
Met de wekelijkse televisie-uitzendingen is Van Kooten terecht opgehouden: de vonk was weg. En met de verhalenbundel Levensnevel wil hij de periode van autobiografisch-realistisch schrijven afsluiten die ingezet is met Koot graaft zich autobio. In de openingszin van het eerste verhaal staat al ,,dat het leven steeds sneller gaat''. Van Kooten betoont zich melancholiek, wat vervreemd van de moderne tijd met al die moeilijk te bedienen elektronische apparatuur. Surfen op het Internet: doodeng. De videorecorder programmeren: ingewikkeld.
Steeds vaker kampt hij met vergeetachtigheid en hij voelt zich oud. Ook door de, overigens uiterst liefdevolle, omgang met zijn hoogbejaarde moeder wordt hij zich bewust van de voortrazende tijd. Het thema van Levensnevel is de vergankelijkheid, ,,het krimpende leven en de uitdijende dood''. Als bijna-zestiger rekent Van Kooten zich tot de oude mensen en de tekenen bedriegen hem niet: zo signaleert hij zijn vijfde ouderdomsvlek.
Nog steeds is hij de kampioen van de huiselijkheid, de gedempt ironische vertolker van het kleine geluk of ongeluk. Kees van Kooten gaat langs bij de uit Iran afkomstige mondhygiëniste. Ze is treurig: ,,Deze mijn echtgenoot is overleden.'' Kees van Kooten pikt een zwerfhond op in Frankrijk, verzorgt haar en doet haar uiteindelijk weer bij de rechtmatige eigenaar belanden. ,,C'est elle! Hij schreeuwt het.''
Kees van Kooten mijmert wat over zijn eerste bankboekje en koopt voor z'n moeder twee innig door haar begeerde kussentjes. ,,Je bent gewoon je reinste rentenier, zegt mijn moeder.'' Kees van Kooten herinnert zich de melodie van een Frans lied maar niet de titel, stapt een groot platenpaleis binnen waar de jongen achter de computer vraagt hoe je ,,chanson'' spelt. En zo meer.
Het beste verhaal gaat over een gewezen klasgenoot van hem. ,,Eerst denk je: hoe bestaat het. Dat zo'n ongelooflijke smiecht, want dat was het, op zo'n duizelingwekkend hoge positie terecht is gekomen. En dan niet in het bedrijfsleven, waar de misdaad doorgaans wel wil lonen, maar in de Europese politiek; waarbinnen hij zich tot taak had gesteld de fraude en corruptie onder ambtenaren met wortel en tak uit te roeien.''
Hij herinnert zich deze charmante boef H. als jongen. Tegelijk is het een terugblik op Van Kootens favoriete tijd: de jaren vijftig. Kattenkwaad, kleine diefstal en oplichting, fraude met schoolcijfers: ,,Zo kon het dus ook. Dit was het grote leven, althans daar vast een voorschot op. Zo ontsteeg je aan de alledaagse burgerwurg en tuttenprut.''
Heel af en toe is Van Kooten een beetje immoreel, maar gezien zijn leeftijd gebeurt dat vooral in (erotische) gedachten. Meestentijds blijft hij binnen het burgerlijk stramien. Als er eens wat akeligs gebeurt, is dat niet zozeer iemands schuld - al sluit het een schuldgevoel niet uit.
Op een dag gaat Van Kooten met zijn oude moeder en haar bejaarde vriendin, de invalide Els B. op pad. Hij laadt haar rolstoel in de auto en ze maken er een feestelijke dag van. Mevrouw B. is er decennia niet uitgeweest en ze geniet met volle teugen. De vermouthjes en de bitterballen smaken dan ook bijzonder goed. De volgende ochtend echter krijgt ze een hartaanval, komt daarna nog even bij kennis en ,,had toen iets iets over bitterballen gestameld''. Tja, wat nu? De splinternieuwe radio van mevrouw B. gaat naar Van Kootens hardhorende moeder, dus dat is wel weer goed.
Levensnevel telt één wat langer verhaal, ,,Pater Dirk''. Het gaat over een wat onaangepaste, stokoude Nederlandse pater op het eiland Flores die wil dat Van Kooten een avondvullend televisieprogramma over hem maakt. Een spanningsboog ontbreekt in het verhaal en ook compositorisch is het niet best. Maar het portret van de ijdele, eigenwijze pater - hij noemt iedereen ,,flapdrol'' - is goed getroffen. En Van Kootens gewroet - zonder antwoord, uiteindelijk - of die pater met al die kleine jongetjes niet intieme handelingen beleeft, is meesterlijk.
Misschien had hij dit verhaal moeten inpassen in een groter geheel en dat brengt me meteen op de vraag wat Van Kooten in de toekomst nog kan schrijven.
Zo gedreven als in Koot graaft zich autobio en Veertig wordt het vast niet meer - daarvoor lijkt hij autobiografisch uitgeschreven. Dat is spijtig, want Van Kootens literaire talent berust juist op autobiografisch schrijven. De niet op zijn eigen leven gebaseerde verhalen (of liever: sketches) die hij voor die tijd schreef, waren geschikter voor de televisie. Is het een ramp als het bij Levensnevel blijft? Welnee, z'n handvol verhalen ter rechtvaardiging van een bestaan heeft hij ruim geleverd.
KEES VAN KOOTEN, Levensnevel, De Bezige Bij, Amsterdam, 190 blz., 599 fr. (gebonden 799 fr.).
Terug