GERRIT KOMRIJ
De Nederlandse poëzie van de
negentiende en twintigste eeuw
Herziene editie
Amsterdam: Bert Bakker
1.348 blz., 600 fr. (paperback);
1.100 fr. (gebonden)
Ook verkrijgbaar in cassette, samen met de bloemlezingen van de 12de tot
de 16de eeuw, en de 17de en de 18de eeuw, plus een cd waarop Gerrit Komrij
een selektie van gedichten voordraagt.
Paperback: 1.500 fr. tot 1 mei; daarna 2.995 fr.
Gebonden: 5.000 fr.
DE Florence Nightingale van de letteren'' noemde Gerrit Komrij zichzelf bij het verschijnen van zijn inmiddels legendarische bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten (1979). Komrij's mantel van zelfopoffering bleek ook enkele geslepen degens te verbergen: Vlamingen en Vijftigers kregen een marginale rol, enkele gekonsakreerde monumenten werden oneerbiedig van de sokkel gelicht. In de vorige week verschenen herziene en sterk uitgebreide druk zetten vooral Vlaamse dichters de toon van de jongste vijftien jaar. Een gesprek met Gerrit Komrij over de bloemlezing als troonzaal, de opmerkelijke dynamiek van de nieuwe Vlaamse dichtkunst en de laatste poëzielezer.
IN de autobiografische roman Verwoest Arcadië schrijft
Komrij dat poëzie een kwestie is van seismografie: ,,Poëzie werd op de
schaal van Richter gemeten, niet op die van de moraal of de ernst.'' Precies
deze vermetele opvatting bracht hij rond dezelfde tijd in de praktijk met de
schandaalbloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw
in duizend en enige gedichten. De parodie, de satire en het lichte
vers liet Komrij literaire promotie maken; de poëzie van de Vijftigers,
Zestigers en Vlaamse dichters werd tot minimale proporties teruggebracht. De
selektie, zo luidde de kritiek, was een geschiedvervalsing, een
karikaturenkabinet, een verkapte polemiek en de eerste parodie op een bloemlezing. Het
verbale vertoon bereikte een hoogtepunt toen Campert, Kouwenaar, Lucebert
en Schierbeek de selektie van hun werk bij de rechter aanvochten en het
pleit verloren.
Toen uitgeverij Bert Bakker vorig jaar een geaktualizeerde en uitgebreide
editie van de gewraakte bloemlezing aankondigde, werd aan menige
schrijftafel dan ook een wenkbrauw gefronst. Een eerste vaststelling mag nu zijn dat
Komrij zichzelf onverminderd trouw blijft. Het ongewijzigde voorwoord
vermeldt dat het aksent meer ligt ,,op het vakmanschap, de smaak en het
volwassen gezicht dan op het stamelen, de vulgaire sentimenten en het simpeldom.
Meer op de satire, de maskerade, de afstandelijkheid dan op de dodelijke
ernst, de eenduidigheid en het volle leven''. Een tiental dichters valt uit de
boot, een honderdtal komt erbij. Maar tot een rehabilitatie van ,,de
gedupeerden'' komt het niet.
Komrij: ,,Wat waren de Vijftigers meer dan een publicitaire hype die
helaas een beetje te lang geduurd heeft? Ze zaten vast in Hollands dogmatisme
en begonnen ook sektarisch op te treden. Nu is het toch duidelijk dat de
Vijftigers een verzameling zeer uiteenlopende individuen was. Een kunstmatig
kerkgenootschap waarin streng bepaald werd wie zalig mocht worden
verklaard.
- Kleedt u de poëzie van de Vijftigers niet verder subtiel uit?
In de vorige editie werden vier gedichten van Claus opgenomen, alle uit
,,De Oostakkerse gedichten''. Nu zijn het er tien; enkel ,De zanger'' heeft de
selektie overleefd.
,,Er valt natuurlijk ook iets uit te kleden. Claus heeft sindsdien
indrukwekkende gedichten geschreven en die neem ik dan ook op. Ik zie een
zeer konstante, vitale lijn in Claus' poëzie en probeer die recht te doen.
Het zou jammer zijn een levende schrijver enkel met ouder werk te
vertegenwoordigen omdat dit literair-historisch verantwoord is. Een poëtisch oeuvre
is een ademend mechanisme met een veranderende dynamiek. Dat moet je als
bloemlezer respekteren.''
- U schrijft dan ook dat poëzie niet ,boven' de tijd staat maar
er uitdrukking aan geeft. Hoe ziet u dat vertaald in de gedichten van de
jongste vijftien jaar?
,,Je leest een neerslag van de bekende kletspraatjes uit
beschouwingen van psychiaters, sociologen en kultuurduiders. Pak maar de tien punten
op die een kultuurfilozoof als typerend voor deze tijd beschouwt en je kan
er donder op zeggen dat je ze ook in de poëzie terugvindt.''
- Poëzie is ,,subliem bedrog'', heeft u wel eens gezegd. Geldt
dit ook voor de arbeid van de bloemlezer?
,,Jazeker, omdat ik een beeld van de Nederlandse
poëziegeschiedenis schets naast oneindig veel mogelijk andere. En dat
sublieme? Kijk, als bloemlezer draag ik stenen aan die een bouwwerk moeten vormen.
Die worden niet op een hoop gegooid, maar gebruikt om er een poëziepaleis
mee op te trekken. Door het woord paleis te gebruiken en niet
'poëziekantine', geef ik ook het sublieme karakter van het schijnbouwwerk aan. Deze
bloemlezing is toch een papieren troonzaal, niet?''
- Om in de interieursfeer te blijven: de bloemlezing heeft
vooral iets van een monumentale spiegelzaal.
,,Of een echoput: in de drie bundels tref je heel wat verwante
gedichten aan die in een andere vorm en vermomming al eerder zijn
langsgekomen. Daar leer je nog eens iets van. Nu wil ik daar ook niet te ingewikkeld
over doen want dan krijg je het soort prietpraat van architekten. Ze
ontwerpen een geveltje met twee ramen waarvan dan wordt verteld dat deze een
dialoog met elkaar aangaan. Zo erg bedoel ik het ook weer niet.''
- Piet Grijs heeft ooit geschreven dat uw bloemlezingen tot
stand komen naar een geheimzinnig wiskundig model waarin het getal veertien een
prominente rol speelt.
,,Een duidelijke proeve van kabbalistische duiding. Toen ik dat
las, vond ik mezelf plots ook zo biezonder pienter. De bloemlezingen zijn
natuurlijk gestruktureerd en uit alle strukturen kun je wel matematische
konkluzies trekken. Alleen: ik had telraam noch zakjapanner bij de hand. Er zit
zeker een harmonie in de sfeer der getallen, maar bewust heb ik daar niet
naar toegewerkt. Piet Grijs neemt nu het getal veertien, maar iemand met
veel tijd en ijver kan best ook wel een teorietje opzetten rond het getal elf,
om maar iets te zeggen.''
- Er is alvast de vaststelling dat u voor het eerst een dichter
heeft vereerd met elf opgenomen verzen: Nicolaas Beets. Voordien was tien
de norm om bij de top te horen.
,,Nu ja, die man is ook honderdentien geworden, geloof ik. En toen
dacht ik, zou het nou niet aardig wezen als ik... Na tien keuzes botste ik
op een gedichtje dat Beets op hoge leeftijd schreef. Die vier regeltjes
waren zo mooi en ontroerend dat ik het niet over mijn hart kon krijgen ze weg
te gooien. Elf dus, of tien plus.''
- Beleeft u genoegen aan het uitdelen van dergelijke rapporten?
,,Dat heeft de kritiek ervan gemaakt. Als bloemlezer heb ik ook
met heel praktische zaken zoals de lengte van het gedicht rekening te houden.
Fritzi Harmsen van Beek is een heel grote dichteres, maar haar verzen zijn
zo eindeloos lang dat je niet kan gaan zitten tellen.''
,,Het aantal gekozen gedichten houdt natuurlijk een waardeoordeel in.
Soms. Je hebt dichters met een omvangrijk oeuvre en dichters met een kleine,
intense produktie. Dat speelt allemaal mee, maar het puntensysteem moet je
alleen globaal bekijken. Nu ja, laat ik het maar toegeven: dichters die me
na aan het hart liggen krijgen toch al snel een twee.''
IN het roemruchte voorwoord plaatst Komrij de Vlaamse dichters nog
steeds in hetzelfde rijtje als ,,de zonderlingen, de studenten en de
vroeggeknakten''. Hoewel te vrezen valt dat de ironie alweer enkele mensen zal
ontgaan, wordt het met deze bloemlezing wel heel moeilijk om Komrij nog op te
voeren als de grootinquisiteur van het Vlaamse poëziebedrijf. Zo zijn er
,,de literair-historische korrekties'': een belangrijk dichter als Hugues
C. Pernath was in de eerste editie vergeten, maar maakt nu zijn intrede met
drie gedichten. De opvallendste krachtlijn is echter het reveil en, jawel, de
dominantie van Vlaamse poëzie in de jaren tachtig en negentig. Hoog
gewaardeerd worden hierbij Leonard Nolens (acht opgenomen gedichten), Peter
Verhelst (5), Jo Govaerts (4), Herman de Coninck (7), Stefaan Van den Bremt (6),
Peter Ghyssaert (6), Tom Lanoye (7) en Luuk Gruwez (7). Guido Gezelle,
Richard Minne, Paul van Ostaijen en nu ook Hugo Claus krijgen het maximum. De
Vlaamse vertegenwoordiging steeg van 38 naar meer dan 70 dichters en
daarbij wordt ,,reserve-Belg'' Benno Barnard niet eens meegerekend.
Komrij: ,,In Nederland heb ik al het verwijt gekregen de Vlamingen te
veel eer te bewijzen. Vroeger waren er te weinig Vlamingen, nu blijkbaar te
veel. Ik heb het aksent gelegd op de moderne poëzie van de laatste twintig
jaar. Als je dan alles doorleest, is het onmiskenbaar dat de Vlaamse poëzie
het meest in beweging is. Nederland stagneert op een moment dat hier de
interessantste dingen gebeuren. Ik merk het ook aan Nederlandse kollega's die
met argusogen kijken naar wat hier geschreven wordt. Vroeger was dat veeleer
omgekeerd. De Vlamingen zijn nu zonder meer de koplopers.''
,,Het grootse deel van de debutanten, ook in Nederland, zijn Vlamingen.
Er heerst hier meer dynamiek en vitaliteit, maar waar die precies uit
voortspruit kan ik niet zeggen. Ik ben geen poëticoloog of gedichtenprofessor.''
- Er wordt wel eens beweerd dat de Noordnederlandse poëzie in
haar intellektualisme verstard is. Hier durft men nog met de buik en darmen
schrijven, luidt het cliché.
,,U zegt het zelf: het is een cliché. Typerend voor de Belgische
poëzie vind ik nu net dat ironie en afstandelijkheid de laatste twintig jaar
sterk doorgedrongen zijn. Het erotisch-vitale is nu doorspekt met
relativering en nuchterheid. Die mooie balans is waarschijnlijk onder invloed van
de noordelijke aanpak tot stand gekomen.''
- U vindt het met Hans Warren vanzelfsprekend dat de Vlaamse
dichters tot de Nederlandse literatuur behoren. Iemand als Ton Anbeek denkt
daar anders over.
,,Dat vind ik zot en onbegrijpelijk. Het soevereine land van de
dichter is toch de taal? Wat hebben we te maken met grenzen die door een
stelletje stompzinnige vorsten of bestuurders ooit in leven zijn geroepen?
Dichters hebben die lijnen niet getrokken. Als wetenschappers die scheiding
willen handhaven, vind ik dat hoogst onnatuurlijk. Maar ja, hoe gaat dat? Een
literair-historisch teorietje is gauw gemaakt en dan is zo een professor
meteen ook van de helft van het werk af.''
,,Ik had in deze bloemlezing ook heel graag Zuidafrikaanse dichters
opgenomen. We mogen er in het Noorden toch trots op zijn dat elders in de wereld
nog wat Nederlands gesproken wordt? Je moet dat onder de aandacht blijven
brengen want anders gaat het verloren.''
,,Let wel: de Groot-Nederlandse gedachte zal mij worst wezen. Voor mijn
part hakken ze Nederland in zes stukken en wordt België bij Duitsland
gevoegd. Als de zogenaamde gezagsdragers in alle omstandigheden maar van de taal
afblijven. Ik heb het nu ook over Vlaamse politici die graag met het
Nederlands pronken om daar hun eigenheid aan te ontlenen. Taal is het eigendom
van de dichters en alleen de dichters vormen de identiteit van een land.''
- U heeft de selektie voor deze bundel gemaakt in het Gentse
Poëziecentrum. Daar ligt ook veel Vlaamse poëzie die in Nederland nooit is
gedistribueerd.
,,Klopt, maar dat biedt geen verklaring voor de keuze van minder
bekende Vlaamse poëzie. Ik heb in Gent ook Nederlanders ontdekt. Van een
jonge schrijver heb ik een gedicht gekozen dat in een marginaal Gronings
bundeltje verschenen is. Tijdens een signeersessie in Nederland vroeg iemand mij
een beetje hatelijk: 'Dat heb je ook in Gent gevonden zeker?' Ik zei:
'Welja, dat staat daar gewoon.'''
,,Het Poëziecentrum is uniek in de letterlijke zin. Ik ken geen enkel
dokumentatiecentrum dat een vergelijkbaar aanbod heeft. De Koninklijke
Biblioteek heeft in magazijn ook een aardige verzameling, maar daar ben ik de hele
dag bezig met kaartjes invullen. Het is voor een bloemlezer ook belangrijk
om naar de plank te kunnen kijken. Wat is de fysieke omvang van een
oeuvre? Je moet dat even kunnen betasten.''
- Uw trilogie bloemlezingen omspant nu negen eeuwen dichtkunst,
van olla vogala tot werk van Jo Govaerts, die in 1972 geboren
is. Cynisch genoeg verschijnt ze in een tijd waarin poëzie meer dan ooit
in de marginaliteit zit.
,,Poëzie leidt inderdaad een zeer teruggedrongen bestaan en soms
heb ik wel eens de indruk dat ze als levende kunst op sterven na dood is. De
band tussen publiek en schrijver is losgezongen. Je kan het nefaste effekt
daarvan nauwelijks overschatten. Het is in eerste instantie aan de
dichters zelf om hun isolement te doorbreken. Ik zie deze bloemlezing in alle
ernst dan ook als een teken van hoop.''
- Op het gevaar af kultuurfilozofisch te worden: acht u het
mogelijk dat een expeditie wetenschappers over tweehonderd jaar de laatste
poëzielezer in een fauteuil aantreft?
,,Toen ik twintig was en debuteerde heb ik nog met die gedachte
gespeeld. Ik dacht toen zelfs dat ik de laatste dichter van de wereld was. Er
zijn natuurlijk wel meer genres uitgestorven, waarom zou het in een
non-verbaal, visueel tijdperk niet met de poëzie kunnen gebeuren? Het is best
mogelijk dat niet alleen de poëzie, maar de hele kunst op een goede dag door
een bepaald slag mensheid zal worden afgeschaft. Omdat het ze niks oplevert
en niks zegt. Je ziet nu al hele volkstammen - zowat 99 punt 9 procent van
de mensheid - die best zonder een schilderij, een gedicht of een sonate
kunnen. Die mensen leven ook, hoor. De wereld draait even vrolijk en
misschien wel vrolijker door wanneer ze van die kunstzinnige lastpakken verlost
zijn.''
,,Wat mensen niet meteen begrijpen, wekt hun haat op. Jammer genoeg zie
je het ook bij lieden die beter moeten weten en een zekere vorm van
onderwijs genoten hebben. Poëzie wordt als bedreigend want onkontroleerbaar
beschouwd. Totalitaire regimes maken er dan ook steevast werk van om eerst en
vooral de dichters achter de tralies te zetten.''
,,Zoals bekend hou ik niet van de poëzie uit de jaren zestig. Ik ben toen
zelf gedebuteerd en de duffe geur waarin ik ook zelf gedebuteerd ben. Ik
kaan dat niet meer onbevangen lezen. Het is poëzie die alle dufheid in zich
draagt waar ik toen ook al zo tegen was. In vergelijking daarmee waren de
Vijftigers toch dynamischer.
Ik heb begrepen dat de politiek en de magistratuur hier weinig
entoesiasme aan de dag leggen om het Poëziecentrum in stand te houden. Laat ons dus
maar zuinig zijn op het enige wat we in dit taalgebied hebben.
Als je 's morgens wakker wordt om het Gravensteen hier in het eerste
zonlicht te zien verrijzen, dat is toch wat. Ik zie ook geregeld Japanners en
schoolklassen ervoor staan. Heel biezonder allemaal.
Als ik ooit terugkeer naar Holland, dan niet verder dan Gent.
Het lijkt me wel mooi om de laatste dagen van je leven te slijten in een
middelgrote stad waar het geen dooie boel is. Metropolen zoals Parijs en
Londen vind ik ook prachtig maar alleen om een paar weken in rond te lopen.
Gent komt dicht in de buurt van de ideale stad waarin ik me rustig kan voelen
zonder me te vervelen.''
PASCAL VERBEKEN
De dichter
Toen het letterkundig tijdschrift
Gerrit KOMRIJ |