De Standaard 29 mei 1997

Schelden met stijl

Komrij biedt staalkaart van zijn polemisch kunnen

Jan Flamend

GERRIT KOMRIJ
Pek en Zwavel
Amsterdam, Arbeiderspers, 264 blz.

Gerrit Komrij is een literaire polemist ,,pur sang''. De vloer aanvegen met andere schrijvers, politici, welzijnswerkers, architecten en feministen is voor de Nederlander een sport. Onder de veelzeggende titel Pek en Zwavel maakte hij een bloemlezing van twintig jaar subliem schelden. Sommige passages zijn inmiddels klassiekers in het genre. Daarbij legt Komrij haarscherp de uitwassen van de moderne samenleving vast.

LITERATUUR is een bloedserieuze zaak en polemiseren is wellicht de ernstigste vorm van literatuur. Verbaal oorlog voeren is een kwestie van lijfsbehoud, een literaire zuiveringsactie, een gevecht op leven en dood waarbij de tegenstander publiekelijk dient te worden afgeslacht. Met ongekende en compromisloze stelligheid wordt ingebeukt op de vijand. Meestal wordt hij groter gemaakt om er nog beter op te kunnen schieten. Dat gebeurt dan met meedogenloos overdonderend stijlgeweld, met een retorisch uitgekiende opeenstapeling van grofheden, spitsvondigheden en stijlpirouettes.
De lezer, die uit puur leedvermaak toekijkt hoe een weerloos medemens door een praalwagen wordt verpletterd, roemt de polemist om zijn durf, zijn enorme verbale inventiviteit, zijn stilistische hoogstandjes.
Nadat hij ten behoeve van het op bloed beluste publiek enkele muggen vakkundig met een kanon aan flarden heeft geschoten, neemt de scheldende auteur het applaus gretig in ontvangst. Hij heeft het verbale duel gewonnen, hij was de beste in de discipline van de grievende woordenstrijd, hij heeft geëxcelleerd in de literaire sport van het ,,zo voortreffelijk mogelijk honen van de tegenstander''.
Gerrit Komrij is het prototype van de literaire polemist. Hij is de combattieve schrijver die zich van wapengekletter, bloedvergieten en jarenlange vendetta's bedient om de literaire, politieke, en maatschappelijke Augiasstal waarin hij werd geworpen, uit te mesten.
Als onverbeterlijke estheticus én moralist veegt hij de vloer aan met kleuterige en winderige schrijvers, met hypocriete politici, pseudo-welwillende welzijnswerkers, pretentieuze architecten en ,,de onwelriekende gleuvenbrigade'' die de feministes zijn, enzovoort.

IN Pek en Zwavel heeft Komrij twintig jaar scheldwerk verzameld, hij heeft er een bloemlezing van zijn vrankste stukken van gemaakt. Het is in hoofdzaak een staalkaart van zijn polemisch kunnen. Hij heeft de paar duizend pagina's van zijn columnbundels Daar is het gat van de deur, Heremijtijd, Papieren tijgers, Averechts, Het boze oog, De gelukkige schizo, Lof der simpelheid en Met het bloed dat drukinkt heet nagevlooid op het meest beklijvende scheldproza en dat aangevuld met enkele andere stukken.
Wanneer je deze teksten na elkaar leest, vraag je je onwillekeurig af of polemiseren wel degelijk meer is dan een louter patserig vertoon van stijlgeweld, een veredeld maar gratuit woordenspel waarvan het verrassingseffect snel wegebt door de vermoeiende opeenstapeling van spitsvondigheden. De leesverwachting is van het genre ,,hoe sterk zal hij nu weer uithalen'', ,,hoe mooi zal hij het nu weer zeggen'' en ,,hoe ver durft hij nu te ver te gaan''.
Hoe verder je in het boek vordert, hoe meer het aan de voorspelbaarheid van de eigen onvoorspelbaarheid gaat lijden. De mededeling raakt ondergeschikt aan de formulering; toon en impact worden doorzichtig, voorspelbaar en dus inefficiënt.
Door zijn vrijblijvende praalzucht is de polemist Komrij gedoemd om zichzelf te blijven overtreffen, te blijven overbluffen. Hij heeft twee soorten tegenstanders. Degenen wier kouwe kleren hij niet kan raken, en degenen die het bijna als een eer beschouwen door Komrij uitgescholden te worden, zij omhangen zich met de invectieven als kostbare sieraden.
Het heeft iets weg van het ongecontroleerde roepen in de woestijn van een verdwaalde zedenprediker, van de pathetische en halfgekke dorpsfilosoof die zijn vergulde kansel telkens weer bestijgt om een striemende woordenvloed ten beste te geven voor een publiek van knikkende gelijkgestemden.
Is Nederland er mooier op geworden sinds Komrij's scheldtirades op de architecten en openbare ruimteplanners, is de Nederlandse literatuur er levenskrachtiger, gevoelvoller en authentieker op geworden sinds Komrij de verzen van Bertus Aafjes (de ouderdomsdeken van de gesimuleerde dichterlijkheid en troetelpoëet van de doorzonwoning) en Toon Hermans (die Duitse smartlappen van Freddy Quinn overschrijft om ze dan zonder hoofdletters en interpunctie te presenteren als rijmelarij van eigen hand) onder handen genomen heeft?
Hebben scientologen, sociale agogen en winderige nepartiesten hun vermaledijde activiteiten gestaakt sinds ze door Komrij over de hekel werden gehaald en aan de schandpaal genageld? Werd het NOS-nieuws zoveel beter sinds Komrij het omschreef als het ,,zwakzinnigste, beuzelachtigste journaal ter wereld''?
In elke liberale democratie wordt beschavingskritiek, hoe pertinent en fundamenteel die ook mag zijn, getolereerd, en zelfs aangemoedigd. Tegendraadsheid wordt gehonoreerd en daardoor geneutraliseerd. Er is structureel ruimte voor het geroep en getier van mensen als Gerrit Komrij. Ze mogen in de contramine en de averechtsheid vertoeven als ze het maar mooi formuleren.

GETOLEREERD of niet, halfgek of niet, verfraaid of niet, Komrij legt feilloos de vinger op de uitwassen van een overspannen samenleving: ,,Je kunt geen krant openslaan of je leest wel iets over verkrachting binnen het huwelijk, over incest bij etnische minderheden of over kinderprostitutie. Er staan zoveel actiegroepen, hulpverleners en psychologiserende beleidsmedewerksters met zwartboeken, onderzoeken en rapporten rondom de seksuele duitenpot te dringen dat het er intussen op lijkt of het ene deel van de bevolking continu in de weer is met het seksueel vernederen en uitbuiten van het andere deel. (...) Wat is er voor het publiek genoeglijker dan om elke dag opnieuw te horen dat de viespeuken weliswaar aan de macht zijn, maar dat wij ze met ons allen in de gaten hebben?''
Pek en Zwavel maakt de paradox van de polemist duidelijk. Polemiseren is een spel, dat aan bepaalde conventies en spelregels beantwoordt, maar tegelijkertijd is het bloedige ernst en is het de bedoeling van de polemist de spelregels voortdurend met voeten te treden.
Als gepatenteerde subversieveling laat hij zich niet normeren en reguleren. Hij moet ongehinderd komaf kunnen maken met de onwaardigen, de slappelingen en de valsaards. Het spel wordt keihard gespeeld.
Er is bij Komrij hoe dan ook de ludieke inslag van het elegante stijlspel. Een polemiek moet onderhoudend zijn, het is entertainment ten behoeve van een veeleisend publiek. Soms lijkt het op kermisboksen of Franse catch, wat vicieuze scherts, schelden voor de gein.
In zijn spel hanteert Komrij de superieure ironie die hem de mogelijkheid geeft er zich met de stoutste en gekste boutades vanaf te maken. Hij speelt heel bewust op de dunne schreef tussen spel en ernst: er zijn talloze en onmerkbare overgangen tussen schertsen, spotten en vernietigend schelden. Van de onschuldigste geestigheid tot de bitterste haat.
Voor de lezer mag er dan veel plezier te beleven zijn aan de al dan niet gespeelde ,,colère littéraire'' van Komrij, uiteindelijk gaat het voor hem om heel serieuze dingen.
Vanuit zijn militant estheticisme en Nietzscheaans moralisme gaat hij tekeer tegen alles dat zijn eigenste mentale hygiëne bedreigt. ,,Toe, lief vaderland, laat spontaan je dijken breken. Verzink. Loop onder water. Laat me aan het strand van Westfalen pootjebaden en vanuit Baarle-Hertog scheep gaan naar Engeland.''
Het literaire schelden past in een scheldcultuur waar scheldwoorden snel hun beledigende kracht verliezen en waar scheldwoordvondsten hogelijk worden gewaardeerd.
Komrij's literaire zelfrespect en distinctiedrang gebieden hem op stilistisch verantwoorde wijze te schelden. De scheldwoorden worden snel van hun realistische impact ontdaan en we zitten meteen in de sfeer van de scheldwedkamp.

KOMRIJ moet, evenzeer in de ogen van zijn tegenstander als in de ogen van het publiek, uitblinken in verbale creativiteit, in virtuoze taalinventiviteit. Want daar lees je hem al bij al uiteindelijk voor.
Sommige passages werden klassiekers in het genre van de vakkundige belediging, bijvoorbeeld deze kwalificatie van Harry Mulisch: ,,Een Mulisch troont in het midden van het zonnestelsel. Een Mulisch sterft nimmer uit. Hij draagt het verpletterende besef in zich dat alles wat hij deed of doet het stempel draagt van het Al-Enige Oer en het punt is waarop Atlas de wereld schraagt. (...) IJdelheid, je staat verbluft van zoveel ijdelheid. Als de eerste bazuinen opklinken voor het Laatste Oordeel, zal een Mulisch nog snel de kans zien een kam door zijn haar te halen.''
Op de Vijftigers heeft Komrij het ook niet begrepen. Zeker niet toen ze protesteerden tegen hun ondervertegenwoordiging in de beruchte bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1.000 en enige gedichten, die Komrij voor de uitgeverij Bert Bakker had samengesteld.
,,Als de Vijftigers eens met een stel tegelijk een lift zouden binnenstappen, hoefde er niemand op de knoppen te drukken. Door hun winderigheid en ijlheid stegen ze als vanzelf omhoog. Ze zouden door het dak rechtstreeks de vergetelheid inschieten. Daarom dragen ze nu, om zichzelf gewicht te verlenen, medailles op de borst, lauwerkransen op hun hoofd en staatsoorkondes onder hun arm. Ach, als ze zo een lift zouden binnenstappen, zakten ze weer prompt in het keldergat.''
Uitermate giftig is Komrij wanneer hij zijn pijlen richt op een bepaald soort vrouwen, dat we in Vlaanderen ,,kakmadammen'' noemen. Hier laat hij het precaire spel met het onderscheid tussen spel en ernst achterwege en wil alleen nog zijn slachtoffers kwetsen en bespottelijk maken. Hier is alle ironie verdwenen en geeft hij zijn weerzin de vrije loop.
,,De sociaal bevlogen gansjes uit de duurdere buurten die hun bevlogenheid gebruiken om er zelf hoger mee te klimmen, het deksels gekapte, vlot bemantelpakte managerstype dat zich te deftig voelt voor de bewassing en ontsnotting van haar nolens volens verworven kroost, maar er niet voor terugdeinst iedere ondergeschikte, ja zelfs een argeloze passant te commanderen en af te blaffen, de vrouwelijke ministers, de vrouwelijke staatssecretarissen, de directrices, de bazinnen, de cheffinnen, de regentessen, de koninginnen, die hele astrante meidenplaag, die kliek van asbestachtige dames, altijd klagend, hoe bevoorrecht ook, onophoudelijk zanikend, zij het in alle watten van de wereld gelegd.''
Het schelden streeft hier een regulerende functie na, een bepaald soort mensen moet voor hun handelen, voor het feit dat ze bestaan, worden gestraft. Ze worden gereduceerd tot de karikatuur die Komrij ervan maakt. Met schimpwoorden worden ze gestigmatiseerd. Ze worden te kijk gezet en uit de groep van de volwaardige mensen gestoten. Zo verwerpelijk zijn ze.
Komrij gaat erg ver in dit mechanisme van uitsluiting. Zo heeft hij de ambitie om van de neutrale beroepsaanduiding ,,architect'' het ultieme scheldwoord te maken: ,,Ik zal pas rusten als alleen al het woord 'architect' ons allen met meewarigheid en weerzin vervult. Zeg het nu onmiddellijk tienmaal achtereen luidop, lezer, proef het woord daarna nog eens aandachtig op uw tong, ar-chi-tect, ar-chi-tect, en wees eerlijk: het is geen belachelijk, geen door en door deerniswekkend woord. (...) Noem de kakkerlakken in uw moestuin architect. Noem uw belastinginspecteur architect. Noem uw achterlijke neefje architect.''

ALS genre is de polemiek een geïnstitutionaliseerd gegeven, waarbij er meer op de man dan op de bal wordt gespeeld. Dat hoort erbij, men verwacht dat ook van een goede polemiek. Hoe oprecht de verontwaardiging ook, hoe legitiem de aanklacht ook, het blijft een bewust spel met genreconventies, een exhibitie van verbaal en literair vernuft.
Maar dat moet gedoseerd worden aangeboden, niet als een groot simultaan spektakel vanuit de martelkamer, met te veel vertoon van duimklemmen, ballenknijpers, flagellaties, en elektroshocks. Dat verteert ook de meest bloeddorstige toeschouwer niet.
Pek en Zwavel geeft de kracht en de zwakte van Komrij overduidelijk aan. De kracht van de stijl en de visie, en de zwakte van de voorspelbaarheid en de overkill. Wellicht daarom sluit hij het boek af met enkele mooie voorbeelden van persoonlijke introspectie die blijk geven van een hoge vorm van luciditeit. ,,Met kreunende weerzin zag ik hem langs spiegels en winkelruiten strompelen, tot ik ontdekte dat ik het zelf was.''


DS Infobib DS Home

[ Infobib ] [ DS home ]

Hosted by www.Geocities.ws

1