Jan Flamend
GERRIT KOMRIJ
Pek en Zwavel
Amsterdam, Arbeiderspers, 264 blz.
| Gerrit Komrij is een literaire polemist ,,pur sang''. De vloer aanvegen met andere schrijvers, politici, welzijnswerkers, architecten en feministen is voor de Nederlander een sport. Onder de veelzeggende titel Pek en Zwavel maakte hij een bloemlezing van twintig jaar subliem schelden. Sommige passages zijn inmiddels klassiekers in het genre. Daarbij legt Komrij haarscherp de uitwassen van de moderne samenleving vast. |
LITERATUUR is een bloedserieuze zaak en polemiseren is wellicht
de ernstigste vorm van literatuur. Verbaal oorlog voeren
is een kwestie van lijfsbehoud, een literaire zuiveringsactie, een gevecht
op leven en dood waarbij de tegenstander publiekelijk dient te worden
afgeslacht. Met ongekende en compromisloze stelligheid wordt ingebeukt op de
vijand. Meestal wordt hij groter gemaakt om er nog beter op te kunnen
schieten. Dat gebeurt dan met meedogenloos overdonderend stijlgeweld, met
een retorisch uitgekiende opeenstapeling van grofheden, spitsvondigheden en
stijlpirouettes.
De lezer, die uit puur leedvermaak toekijkt hoe een weerloos medemens
door een praalwagen wordt verpletterd, roemt de polemist om zijn
durf, zijn enorme verbale inventiviteit, zijn stilistische hoogstandjes.
Nadat hij ten behoeve van het op bloed beluste publiek enkele muggen
vakkundig met een kanon aan flarden heeft geschoten, neemt de
scheldende auteur het applaus gretig in ontvangst. Hij heeft het verbale duel
gewonnen, hij was de beste in de discipline van de grievende woordenstrijd, hij
heeft geëxcelleerd in de literaire sport van het ,,zo voortreffelijk
mogelijk honen van de tegenstander''.
Gerrit Komrij is het prototype van de literaire polemist. Hij is de
combattieve schrijver die zich van wapengekletter, bloedvergieten en jarenlange
vendetta's bedient om de literaire, politieke, en maatschappelijke
Augiasstal waarin hij werd geworpen, uit te mesten.
Als onverbeterlijke estheticus én moralist veegt hij de vloer aan
met kleuterige en winderige schrijvers, met hypocriete politici,
pseudo-welwillende welzijnswerkers, pretentieuze architecten en ,,de onwelriekende
gleuvenbrigade'' die de feministes zijn, enzovoort.
IN Pek en Zwavel heeft Komrij twintig jaar scheldwerk
verzameld, hij heeft er een bloemlezing van zijn vrankste stukken van gemaakt.
Het is in hoofdzaak een staalkaart van zijn polemisch kunnen. Hij heeft de
paar duizend pagina's van zijn columnbundels Daar is het gat van de
deur, Heremijtijd, Papieren tijgers, Averechts, Het boze oog, De gelukkige
schizo, Lof der simpelheid en Met het bloed dat drukinkt heet
nagevlooid op het meest beklijvende scheldproza en dat aangevuld met enkele
andere stukken.
Wanneer je deze teksten na elkaar leest, vraag je je onwillekeurig af of
polemiseren wel degelijk meer is dan een louter patserig vertoon van
stijlgeweld, een veredeld maar gratuit woordenspel waarvan het verrassingseffect
snel wegebt door de vermoeiende opeenstapeling van spitsvondigheden. De
leesverwachting is van het genre ,,hoe sterk zal hij nu weer uithalen'', ,,hoe
mooi zal hij het nu weer zeggen'' en ,,hoe ver durft hij nu te ver te
gaan''.
Hoe verder je in het boek vordert, hoe meer het aan de voorspelbaarheid
van de eigen onvoorspelbaarheid gaat lijden. De mededeling raakt
ondergeschikt aan de formulering; toon en impact worden doorzichtig, voorspelbaar en
dus inefficiënt.
Door zijn vrijblijvende praalzucht is de polemist Komrij gedoemd om
zichzelf te blijven overtreffen, te blijven overbluffen. Hij heeft twee soorten
tegenstanders. Degenen wier kouwe kleren hij niet kan raken, en
degenen die het bijna als een eer beschouwen door Komrij
uitgescholden te worden, zij omhangen zich met de invectieven als kostbare
sieraden.
Het heeft iets weg van het ongecontroleerde roepen in de woestijn van een
verdwaalde zedenprediker, van de pathetische en halfgekke dorpsfilosoof
die zijn vergulde kansel telkens weer bestijgt om een striemende woordenvloed
ten beste te geven voor een publiek van knikkende gelijkgestemden.
Is Nederland er mooier op geworden sinds Komrij's scheldtirades op de
architecten en openbare ruimteplanners, is de Nederlandse literatuur er
levenskrachtiger, gevoelvoller en authentieker op geworden sinds Komrij de verzen
van Bertus Aafjes (de ouderdomsdeken van de gesimuleerde dichterlijkheid
en troetelpoëet van de doorzonwoning) en Toon Hermans (die Duitse
smartlappen van Freddy Quinn overschrijft om ze dan zonder hoofdletters en
interpunctie te presenteren als rijmelarij van eigen hand) onder handen genomen
heeft?
Hebben scientologen, sociale agogen en winderige nepartiesten hun
vermaledijde activiteiten gestaakt sinds ze door Komrij over de hekel
werden gehaald en aan de schandpaal genageld? Werd het NOS-nieuws
zoveel beter sinds Komrij het omschreef als het ,,zwakzinnigste,
beuzelachtigste journaal ter wereld''?
In elke liberale democratie wordt beschavingskritiek, hoe pertinent en
fundamenteel die ook mag zijn, getolereerd, en zelfs aangemoedigd.
Tegendraadsheid wordt gehonoreerd en daardoor geneutraliseerd. Er is structureel
ruimte voor het geroep en getier van mensen als Gerrit Komrij. Ze mogen in de
contramine en de averechtsheid vertoeven als ze het maar mooi formuleren.
GETOLEREERD of niet, halfgek of niet, verfraaid of niet, Komrij
legt feilloos de vinger op de uitwassen
van een overspannen samenleving: ,,Je kunt geen krant openslaan of je leest
wel iets over verkrachting binnen het huwelijk, over incest bij etnische
minderheden of over kinderprostitutie. Er staan zoveel actiegroepen,
hulpverleners en psychologiserende beleidsmedewerksters met zwartboeken,
onderzoeken en rapporten rondom de seksuele duitenpot te dringen dat het er intussen
op lijkt of het ene deel van de bevolking continu in de weer is met het
seksueel vernederen en uitbuiten van het andere deel. (...) Wat is er voor
het publiek genoeglijker dan om elke dag opnieuw te horen dat de viespeuken
weliswaar aan de macht zijn, maar dat wij ze met ons allen in de gaten
hebben?''
Pek en Zwavel maakt de paradox van de polemist duidelijk.
Polemiseren is een spel, dat aan bepaalde conventies en spelregels beantwoordt,
maar tegelijkertijd is het bloedige ernst en is het de bedoeling van de
polemist de spelregels voortdurend met voeten te treden.
Als gepatenteerde subversieveling laat hij zich niet normeren en
reguleren. Hij moet ongehinderd komaf kunnen maken met de onwaardigen, de
slappelingen en de valsaards. Het spel wordt keihard gespeeld.
Er is bij Komrij hoe dan ook de ludieke inslag van het elegante
stijlspel. Een polemiek moet onderhoudend zijn, het is entertainment ten behoeve van
een veeleisend publiek. Soms lijkt het op kermisboksen of Franse catch,
wat vicieuze scherts, schelden voor de gein.
In zijn spel hanteert Komrij de superieure ironie die hem de mogelijkheid
geeft er zich met de stoutste en gekste boutades vanaf te maken. Hij
speelt heel bewust op de dunne schreef tussen spel en ernst: er zijn talloze en
onmerkbare overgangen tussen schertsen, spotten en vernietigend schelden.
Van de onschuldigste geestigheid tot de bitterste haat.
Voor de lezer mag er dan veel plezier te beleven zijn aan de al dan niet
gespeelde ,,colère littéraire'' van Komrij, uiteindelijk gaat het voor hem
om heel serieuze dingen.
Vanuit zijn militant estheticisme en Nietzscheaans
moralisme gaat hij tekeer tegen alles dat zijn eigenste mentale hygiëne
bedreigt. ,,Toe, lief vaderland, laat spontaan je dijken breken. Verzink. Loop
onder water. Laat me aan het strand van Westfalen pootjebaden en vanuit
Baarle-Hertog scheep gaan naar Engeland.''
Het literaire schelden past in een scheldcultuur waar scheldwoorden snel
hun beledigende kracht verliezen en waar scheldwoordvondsten
hogelijk worden gewaardeerd.
Komrij's literaire zelfrespect en distinctiedrang gebieden hem op
stilistisch verantwoorde wijze te schelden. De scheldwoorden worden snel
van hun realistische impact ontdaan en we zitten meteen in de sfeer van de
scheldwedkamp.
KOMRIJ moet, evenzeer in de ogen van zijn tegenstander als in de ogen
van het publiek, uitblinken in verbale creativiteit, in virtuoze
taalinventiviteit. Want daar lees je hem al bij al uiteindelijk voor.
Sommige passages werden klassiekers in het genre van de vakkundige
belediging, bijvoorbeeld deze kwalificatie van Harry Mulisch: ,,Een Mulisch
troont in het midden van het zonnestelsel. Een Mulisch sterft nimmer uit. Hij
draagt het verpletterende besef in zich dat alles wat hij deed of doet het
stempel draagt van het Al-Enige Oer en het punt is waarop Atlas de wereld
schraagt. (...) IJdelheid, je staat verbluft van zoveel ijdelheid. Als de
eerste bazuinen opklinken voor het Laatste Oordeel, zal een Mulisch nog snel de
kans zien een kam door zijn haar te halen.''
Op de Vijftigers heeft Komrij het ook niet begrepen. Zeker niet toen ze
protesteerden tegen hun ondervertegenwoordiging in de beruchte bloemlezing
De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1.000 en enige
gedichten, die Komrij voor de uitgeverij Bert Bakker had samengesteld.
,,Als de Vijftigers eens met een stel tegelijk een lift zouden
binnenstappen, hoefde er niemand op de knoppen te drukken. Door hun winderigheid en
ijlheid stegen ze als vanzelf omhoog. Ze zouden door het dak rechtstreeks de
vergetelheid inschieten. Daarom dragen ze nu, om zichzelf gewicht te
verlenen, medailles op de borst, lauwerkransen op hun hoofd en staatsoorkondes
onder hun arm. Ach, als ze zo een lift zouden binnenstappen, zakten ze weer
prompt in het keldergat.''
Uitermate giftig is Komrij wanneer hij zijn pijlen richt op een bepaald
soort vrouwen, dat we in Vlaanderen ,,kakmadammen'' noemen. Hier laat hij
het precaire spel met het onderscheid tussen spel en ernst achterwege en wil
alleen nog zijn slachtoffers kwetsen en bespottelijk maken. Hier is alle
ironie verdwenen en geeft hij zijn weerzin de vrije loop.
,,De sociaal bevlogen gansjes uit de duurdere buurten die hun
bevlogenheid gebruiken om er zelf hoger mee te klimmen, het deksels gekapte, vlot
bemantelpakte managerstype dat zich te deftig voelt voor de bewassing en
ontsnotting van haar nolens volens verworven kroost, maar er niet voor
terugdeinst iedere ondergeschikte, ja zelfs een argeloze passant te
commanderen en af te blaffen, de vrouwelijke ministers, de vrouwelijke
staatssecretarissen, de directrices, de bazinnen, de cheffinnen, de regentessen, de
koninginnen, die hele astrante meidenplaag, die kliek van asbestachtige
dames, altijd klagend, hoe bevoorrecht ook, onophoudelijk zanikend, zij het in
alle watten van de wereld gelegd.''
Het schelden streeft hier een regulerende functie na, een bepaald soort
mensen moet voor hun handelen, voor het feit dat ze bestaan, worden
gestraft. Ze worden gereduceerd tot de karikatuur die Komrij ervan maakt. Met
schimpwoorden worden ze gestigmatiseerd. Ze worden te kijk gezet en uit de groep
van de volwaardige mensen gestoten. Zo verwerpelijk zijn ze.
Komrij gaat erg ver in dit mechanisme van uitsluiting. Zo heeft hij de
ambitie om van de neutrale beroepsaanduiding ,,architect'' het ultieme
scheldwoord te maken: ,,Ik zal pas rusten als alleen al het woord 'architect' ons
allen met meewarigheid en weerzin vervult. Zeg het nu onmiddellijk
tienmaal achtereen luidop, lezer, proef het woord daarna nog eens aandachtig op uw
tong, ar-chi-tect, ar-chi-tect, en wees eerlijk: het is geen belachelijk,
geen door en door deerniswekkend woord. (...) Noem de kakkerlakken in uw
moestuin architect. Noem uw belastinginspecteur architect. Noem uw
achterlijke neefje architect.''
ALS genre is de polemiek een geïnstitutionaliseerd gegeven, waarbij
er meer op de man dan op de bal wordt gespeeld. Dat hoort erbij,
men verwacht dat ook van een goede
polemiek. Hoe oprecht de verontwaardiging ook, hoe legitiem de aanklacht ook, het
blijft een bewust spel met genreconventies, een exhibitie van verbaal en
literair vernuft.
Maar dat moet gedoseerd worden aangeboden, niet als een groot simultaan
spektakel vanuit de martelkamer, met te veel vertoon van duimklemmen,
ballenknijpers, flagellaties, en elektroshocks. Dat verteert ook de meest
bloeddorstige toeschouwer niet.
Pek en Zwavel geeft de kracht en de zwakte van Komrij
overduidelijk aan. De kracht van de stijl en de visie, en de zwakte van de
voorspelbaarheid en de overkill. Wellicht daarom sluit hij het boek af met enkele
mooie voorbeelden van persoonlijke introspectie die blijk geven van een hoge
vorm van luciditeit. ,,Met kreunende weerzin zag ik hem langs spiegels en
winkelruiten strompelen, tot ik ontdekte dat ik het zelf was.''