Opperproever Komrij:

In Liefde Bloeyende Geweld roept om geweld Hugo BREMS


Verleidend en virtuoos. Dat is In Liefde Bloeyende, de bloemlezing - met commentaar - van honderd en enige gedichten die Gerrit Komrij maakte uit de Nederlandse poëzie vanaf de 12de eeuw tot nu. Geen selectie uit, maar een eigenzinnige toevoeging bij zijn De Nederlandse poëzie in drieduizend en enige gedichten, die vorig jaar in cassette verscheen. Zoiets dus als een extra portie kersen op een al schitterende taart.

Sinds de publicatie, in 1979, van de eerste druk van zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten is Gerrit Komrij uitgegroeid tot de voorproever bij uitstek, de meester van de goede smaak inzake Nederlandstalige poëzie.
Na de poëzie van de moderne tijd, bloemleesde hij ook die van de zeventiende en achttiende/* 18de*/ eeuw en ten slotte ook die van de Middeleeuwen. Een levenswerk van duizenden bladzijden, dat sinds kort, in herziene versie, in een verzamelcassette te koop is.
En nu verschijnt, als toetje, In Liefde Bloeyende. De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Het is geen bloemlezing uit de bloemlezingen en allerminst is het een verzameling van ,,De honderd mooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur'', zoals de omslag ons meedeelt. Het is veel leuker dan dat: een boek met commentaren van telkens een drietal bladzijden bij honderd, en niet per se de honderd mooiste, gedichten.
Het is overigens heel moeilijk enige vat te krijgen op de selectiecriteria van Komrij. Wat kan je als lezer zoal verwachten? Het begint met het begin, ,,hebban olla vogala...'' en het eindigt met een gedicht van de in 1962 geboren René Huigen.
Daartussen een grote diversiteit, met klassiekers als het ,,Geestigh liedt'' van Bredero, ,,De moerbeitoppen ruisten'' van Nicolaas Beets, ,,Het Huwelijk'' van Willem Elsschot en ,,Impasse'' van Martinus Nijhoff, maar ook gedichten van zo goed als vergeten dichters, zoals V.v. Oosterwyck (1603-1675), A. Bogaers (1795-1870), H. Binger (1824-1890) en Alex. Gutteling (1884-1910).
Je kan met verwondering vaststellen dat er, behalve ,,Egidius'', geen Middel-Nederlandse klassiekers voorkomen, dat Kloos, Boutens en Van de Woestijne er niet bij zijn, maar wel Augusta Peaux en Hélène Swarth, net zo goed als Willem de Mérode, Gerard den Brabander en Han. G. Hoekstra, maar dat Marsman, Bloem, Roland Holst en Van Ostaijen dan weer ontbreken.
Ook binnen het oeuvre van een dichter is de keuze van het gedicht nu eens voor de hand liggend, dan weer verrassend. Er zijn strakke gedichten, speelse verzen en experimenten, zoals ,,Oote'' van Jan Hanlo.
Kortom, er is geen lijn in te trekken, of het moest die zijn van de diversiteit, van de afwisseling tussen verrassing en herkenning. Het effect is in ieder geval dat Komrij erin slaagt de verwondering en de nieuwsgierigheid van de lezer op peil te houden. Maar dat ligt natuurlijk minstens zozeer aan de commentaren, die even verrassend en divers zijn als aan de selectie van de gedichten.
Er komt historische situering bij te pas, technisch commentaar, er zijn persoonlijke asso~ciaties, algemene overwegingen en parafrase. Soms is het gedicht zelfs alleen de aanleiding, de springplank om uit te weiden over iets wat nog nauwelijks met het gedicht zelf te maken heeft. Een mooi voorbeeld daarvan is het commentaar bij het bekende gedicht van Maria Vasalis, ,,De idioot in het bad''. Een divertimento is het, dat als volgt begint: ,,Dit is het natste gedicht uit de Nederlandse poëzie. Ik ben daar door een uitgebreide rekensom op gekomen.''
Daarna volgt een badinerend betoog over allerlei vormen van water in de inderdaad waterrijke Nederlandse poëzie, maar de slotsom is een licht geformuleerde, maar daarom niet minder ernstige beginselverklaring van Komrij omtrent het lezen van poëzie: ,,Ik bedoel maar - het is een gevoelig gedicht en zo, maar vergeet niet dat er veel manieren zijn om naar poëzie te kijken. We kunnen gedichten uitleggen, oppoetsen, bijspijkeren, we kunnen naar de duisterheden raden of het evidente nog eens in eigen woorden naververtellen, er blijven altijd méér benaderingen mogelijk. Je kan voor een gedicht van Vondel in de biografie van Vondel duiken, je kan ook de lettergrepen bij Vondel gaan tellen. Beide tactieken leren je misschien net zo veel - of net zo weinig - over een bepaald gedicht. Maar als de lettergrepen niet kloppen heb je aan de biografie ook niet veel. 't Belang van tellen in de poëzie kan niet genoeg benadrukt worden.''
Dat is niet alleen een pleidooi voor ondogmatische diversiteit in de benadering van gedichten, het is vooral een fragment dat begint met gevoel en eindigt met tellen. En dat zijn nu net de twee polen waarrond vrijwel alle commentaren in dit boek draaien. Twee polen die elkaar schijnen uit te sluiten - techniek en inleving, vorm en emotie -, maar die in de visie van Komrij juist perfect samengaan, elkaars voorwaarde zijn en samen de voorwaarde voor goede poëzie. En gelijk heeft hij, natuurlijk.
Zijn kruistocht tegen die valse tegenstelling begint al heel in het begin, naar aanleiding van ,,Hebban olla vogala''. Hij haalt daar kort de discussies onder de literaire historici aan over oorsprong en functie van die onsterfelijke eerste Nederlandstalige verzen: ,,Tja. Het beste is maar zulke polemieken te vergeten. De tegenstelling tussen gevoelsuitstorting en taalspel, als elkaars antipoden, 't lijkt me een artificiële vinding waarmee een bepaald deel van de Nederlandse literatuurgeschiedenis al te lang heeft geworsteld.'' Juist omdat beide aanwezig zijn, in elkaar en door elkaar, is het poëzie: ,,Die ritmische en emotionele sequentie, gevat in een metafoor (...) - het dwangmatig heldere gedachtenbeeld, in een spanningsveld van klanken, maakt het tot lyriek, tot een gedicht''.
Daarmee is de toon gezet. In tientallen varianten komt die gedachte terug; maar omdat iedereen het als vanzelfsprekend aanneemt dat poëzie emotie is, besteedt Komrij vooral veel aandacht aan de techniek, het ,,tellen''. Meer dan eens verantwoordt hij die aandacht voor structuren, stijlfiguren, voor het handwerk van de dichter, ook expliciet: ,,Zodra we een gedicht gaan beoordelen aan de hand van authentieke bewogenheid en de zuiverheidsgraad van de gevoelsoverdracht begeven we ons op glad ijs. Het enige controleerbare aan een gedicht is maat, rangorde, getal - of het ontbreken daarvan.''
En: ,,Wat doet het er toe of de schrijver bewogen was? Zijn gedicht beweegt ons. Door maat, rangorde en getal, jazeker.'' Heel acuut wordt dat bij gedichten die nauw met een extreem emotionele gebeurtenis samenhangen, zoals ,,Op de doot van myn dochtertje'' van Hubert Korneliszoon Poot. Maar juist daar zijn beheersing door de vorm en afstandelijkheid van het grootste belang om het verdriet poëtisch beheersbaar te houden, zodat de poëtische ontroering haar volle kracht kan krijgen, áls poëtische ontroering: ,,Niet de reden van de verstikking ontroert ons, maar het zingen.''
Ook dat is een leidmotief in deze commentaren: de lezer wordt niet gegrepen door de mededeling, de inhoud, de boodschap, de uitgesproken emotie, maar door het ,,zingen'' daarover. En zolang het gedicht duurt, blijft de lezer gevangen in die betovering en gelooft hij het gedicht, de kunst: ,,Zolang Bach zingt geloven we in God en geen seconde langer.''
Of, als reactie tegen de vele interpreten van Achterberg, die overal verborgen symboliek menen te moeten zien: ,,Het gaat om de spanning zolang het lezen van het gedicht duurt, niet om de ontraadseling achteraf.''

Komrij is er dan ook heel sterk van doordrongen dat je mag uitleggen, wijzen, situeren zoveel je wil, het raadsel blijft. Waarom het ene gedicht werkt met veel geraffineerde techniek en het andere niet, maar weer een ander dan weer wel met nauwelijks enige afwijking van de spreektaal, we weten het niet.
Bij een gedicht van Maria Tesselschade: ,,Het blijft na alle uitleg even raadselachtig'', of bij het beroemde, inderdaad enigmatische gedicht ,,Mijn broer'' van Hendrik de Vries: ,,Laten we de dichter en het gedicht, de broer en het raadsel, de demonen, de martelingen en alle ijdele dromen die in het lover van iepen huizen liever met rust laten.''
Dat is geen onmacht van de lezer, het is zelfs niet alleen maar respect voor wat er onaangeroerd en onaantastbaar staat. Respect voor wat zich hoog verheven voelt, is allerminst het uitgangspunt van Komrij. Het is vooral een afkeer van interpreteren (,,Nee, schrik niet, ik sla niet aan het interpreteren. Ik leg het gedicht niet onder de microscoop''), omdat interpreteren voor hem gelijk staat met de steriele bezigheid van de verafschuwde academici, die het gedicht veranderen in iets anders, het herleiden tot één van zijn mogelijkheden, het vastpinnen als een dode vlinder.
Dat is natuurlijk een beetje een schijngevecht voor de tribune, gericht op gemakkelijk succes. Met één van zijn eigen zo geliefkoosde stijlfiguren, de retorische vraag, zou je kunnen zeggen: maar zijn zulke academici er nog? En wordt er nog zo eng gedacht over interpreteren?
Nauwelijks, geloof ik; in een wat ruimere, door vrijwel iedereen gedeelde betekenis, is ook Komrij zelf natuurlijk de hele tijd aan het interpreteren. Hij leest, stelt vast, telt, toont en kent betekenis toe aan wat hij ziet, of minstens wijst hij op mogelijkheden van betekenis of beschrijft hij (mogelijke) effecten van wat er hoe staat. Alleen wil hij dat beslist niet interpreteren noemen, want dat schrikt de lezer alleen maar af: het moet gezellig blijven.
Ik heb daar nauwelijks een probleem mee, omdat Komrij het zo goed en zo intelligent en met zoveel liefde voor de poëzie doet. Alleen vind ik zijn uitvallen naar de academische literatuurstudie (theoretici, classificeerders, poëziedokters...) nogal vermoeiend en een beetje hypocriet, aangezien hij zo duidelijk en openlijk gebruik maakt van hun bevindingen, vooral bij zijn lectuur van oudere teksten.
Scheldt overigens iemand een bioloog uit omdat hij het lichaam analyseert in plaats van ermee te leven en ervan te genieten? Sluit het ene het andere uit? Hoe dom is dat toch allemaal, hoe zielig klinken die almaar gereproduceerde vooroordelen uit de mond van een overigens zeer verstandig en erudiet man met goede smaak!

Maar kom, we hadden het over techniek. Hoe belangrijk die ook is, uiteindelijk gaat het om de ervaring, de emotie, zoals die gevat is in de unieke, onvervangbare formulering. Het is een gedachte omtrent poëzie, literatuur en kunst in het algemeen, die mij bijzonder dierbaar is, ook al weet ik dat ze eigenlijk bijna betekenisloos is; de gedachte dat een kunstwerk, in casu een versregel, een beeld, verschijnt als noodzakelijk en vanzelfsprekend tegelijk.
Het is zelfs geen gedachte, het is enkel de beschrijving van een ervaring: het klopt, het is juist, er is geen speld tussen te krijgen, maar vraag mij nu vooral niet wat het betekent, want het betekent enkel en alleen exact wat er staat. Zulke gedichten zijn niet te parafraseren, of ze laten zien hoe ridicuul parafrases zijn: ,,'t Is een voorbeeld van een imperiaal gedicht, van 'het moet zo en niet anders', met nergens een stoplap of de mogelijkheid van een opknapbeurt, zo'n gedicht dat door herhaling niet krimpt of gloedloos wordt en dat je bij iedere herlezing schone lucht door je hoofd blaast.''
Alleen: die ervaring is volstrekt onbewijsbaar en nauwelijks overdraagbaar. Ook Komrij kan dat niet, maar zijn verdienste is dat hij ze uitspreekt, dat hij het belang ervan zonder schroom en zonder ironie belijdt en dat hij toont waar hij het ziet. Soms zien we het dan ook, soms niet. Maar dat doet er niet zoveel toe. We zien dan wel iets anders, onze eigen imperiale verzen.
Hoeft het nog gezegd? Komrij weet wat poëzie is, hoe die werkt, waar het op aan komt. Maar dat is zeker niet zijn enige verdienste. Bijna terloops spreidt hij ook een grote eruditie tentoon. Typerend voor die bijzondere combinatie van kennis en aanvoelen, zijn zijn commentaren bij oudere, vooral pre-romantische gedichten, die vanuit heel andere uitgangspunten geschreven zijn dan die welke wij nu als vanzelfsprekend aannemen.
Hij slaagt er dan telkens weer in die gedichten met een minimum aan informatie in hun tijd en binnen de conventies van die tijd te situeren én te laten zien hoe ze die context overstijgen. Vrijwel altijd slaagt hij er in de klippen van een louter historische lectuur én die van een blinde actualisering, te vermijden.
In zijn commentaar bij een fragment uit het zestiende-eeuwse ,,Den geestelijcken ABC'' van Cornelis Crul, schrijft hij het zelf zo: ,,Het kan zijn dat je uit gedichten meer haalt als je iets weet van, zeg maar, symboliek of godsdienstgeschiedenis. Dat je er in dat geval zelfs meer van geniet. Vaak gaat het daarbij immers om kennis die voor de tijdgenoten van de dichter gemeengoed was, een vanzelfsprekend aanwezige bagage - wat wij voor een beter begrip van oude poëzie nodig hebben is dan geen geleerdheid, maar gewoon bijscholing. Toch - een gedicht moet ook zonder die kennis een goed gedicht blijven. Als het niet meer leeft is het een historische studietekst geworden. Cruls gedicht is een levend gedicht. We hoeven de ingewikkelde geschiedenis van de predestinatie niet tot in details te beheersen, maar het hoeft ook weer niet nodig te zijn het thema 'voorbestemming' meteen op een Procrustesbed van de actualiteit te spannen - poëzie hoort het, net als alle kunst, door zijn kwaliteit te redden.
,,Ik mompel, in sombere buien, het gedicht van Crul vaak voor me uit. Ietwat toonloos, ietwat onderkoeld -
Laet u gheneughen mijn theere complecxie:
Mijn moeder heeft mij in sonden ghebaert
- en vervolgens feller, meer staccato. Het werkt troostender dan Prozac.''

Deze passage is niet alleen karakteristiek voor de visie van Komrij, ze is dat ook voor zijn manier van schrijven, voor de retoriek van zijn stukken. Alles is erop gericht de lezer mee te trekken, te overtuigen, te charmeren.
Theorie duurt nooit lang, technische observaties worden afgewisseld met persoonlijke associaties en anekdotische verduidelijkingen, ernst slaat om in ironie, moralisering wordt gebracht in het register van de lezer. Die lezer wordt rechtstreeks aangesproken. Komrij schrijft alsof hij in een gesprek anticipeert op de tegenwerpingen van zijn gesprekspartner, hij corrigeert zichzelf, bouwt stiltes in. Kortom, hij beheerst alle kneepjes van de retoriek.
Tot de mooiste bladzijden in dat opzicht behoren/* is*/ die waar hij in de clinch gaat met de Kouwenaar-fanclub. Eerst schetst hij een karikatuur, die hij vervolgens met retorische vragen te lijf gaat en ontmaskert. Door die retorische vragen noopt hij de lezers instemmend te knikken en meewarig het hoofd te schudden over zoveel domheid. Zo ontstaat er een vanzelfsprekend ,,wij'', waarvan de lezers en Komrij deel uitmaken: ze zijn samen onderweg, naar waar Komrij hen hebben wil. Die samenzweerderige ,,wij'' worden dan bovendien nog de gewone lezer, de simpele lezer, de gevoelige lezer et cetera genoemd. Wie zou daar niet willen bijhoren?
Schrijvend over poëzie doet Komrij exact wat hij zo bewondert in de poëzie: de lezer door zijn techniek, door stijl en dosering zo betoveren, dat die het gelooft voor de duur van de tekst.
Is dat niet mooi? Mag de Nederlandse poëzie zich niet gelukkig prijzen met zo'n verdediger? Me dunkt dat ik dit verleidende, virtuoze boek, dat ons doet geloven dat wij het allemaal even mooi vinden als de verteller, niet beter kan karakteriseren en complimenteren dan met de woorden van Komrij zelf over een van de gedichten: ,,Elk kleiner spel in dit virtuozenstukje vormt naar geest en woord een afspiegeling van het grotere spel: een demonstratie van het renaissance-idee dat de kunst boven de natuur gaat. De tempel boven de modder. De dressuur boven de woestenij.''
GERRIT KOMRIJ, In Liefde Bloeyende, De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten, Bert Bakker, Amsterdam, 373 blz.


Hosted by www.Geocities.ws

1