Schrijver Keuls, Yvonne

Titel Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel

Jaar van uitgave 1985

 

 

Bron Vrij Nederland

Publicatiedatum 07-09-1985

Recensent Rudie Kagie

Recensietitel Deze man kan dan als kinderrechter zijn afgetreden, hij heeft wel veertien jaar lang een groep jongens de vernieling in geholpen

 

 

Met haar boeken, hoorspelen en toneelstukken heeft Yvonne Keuls veel succes. Haar werk wordt in vele talen vertaald, Engelse bladen vergelijken haar met Truman Capote, en in Nederlandse bibliotheken, vertelt Yvonne Keuls niet zonder trots, worden haar boeken het meest gestolen. Literaire critici in eigen land tonen zich minder enthousiast over haar 'tendensromans'. Een gesprek met de schrijfster over haar onthutsende nieuwe boek, dat half september verschijnt, de jongeren aan de zelficant en de recensenten: 'Mjn tijd komt nog.'

 

 

'Tommie stond een paar passen van me af. Hij knikte rustig en ritmisch met zijn hoofd, alsof hij alles wat ik zei beaamde. Tenslotte zei hij langzaam en duidelijk, zonder blijk te geven van

emoties: "Goeie Loulou is er voor iedereen. Hij was al gek op me toen ik twaalf jaar oud was.

Van alle twaalijarige jongetjes op wie hij gek was, was hij op mij het gekst. Van niij mag

iedereen zijn zoals hij geschapen is en doen waar hij zin in heeft, echt, van mij mag het." Hij

zweeg een poosje en toen hij verder ging, hoorde ik even een trilling in zijn stem: "Maar niet als je kinderrechter bent. Een kinderrechter is iemand aan wie je onvoorwaardelijk kinderen toevertrouwt. En wat voor kinderen! Meestal zijn het stumperds, die ik weet niet wat voor ellende achter de rug hebben en ik weet niet hoe erg gehavend zijn. Als zo'n man nou ook nog met kinderen gaat lopen rotzooie@ waar blijf je dan? Zo'n vent maakt de dienst voor die kinderen uit, ze zijn aan hem overgeleverd, hij bepaalt waar ze naar toe moeten, naar dat tehuis of naar dat tehuis. Ze zijn compleet afhankelijk van die man en dan gaat hij met ze lopen rotzooien, ze kunnen niet eens nee zeggen. Jezus, het is de ergste vorm van machtsrffisbruik." 1 (Citaat uit: Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel )

 

 

Het succes begon acht jaar geleden met Jan Rap en z'n maat, door de uitgever destijds geafficheerd als 'een fascinerend verslag over ervaringen in een opvangcentrum vooriongeren'. De toneelversie werd in zeven talen vertaald en trekt sinds kort ook in Nederland opnieuw volle zaten. Niet minder succesvol was De moeder van David S.: 'Een aantal jaren uit de geschiedenis van een gezin waarvan de oudste zoon David aan drugs verslaafd is. De NCRV zond een televisiebewerking uit en onlangs verscheen bij Souvenir Press in Londen de Engelse editie van het boek. Duitse, Franse, Italiaanse en Amerikaanse uitgaven staan op stapel. Het verrotte leven van Floortje Bloem, was de derde roman in de reeks en dit maal ging het over'heroïnehoertjes'. Uitgeverij Ambo moest de paperback in minder dan drie jaar tijds zeventien maal laten herdrukken. Als ik Yvonne Keuls bel om een afspraak te maken vanwege de vierde tendensroman die half september van haar hand verschijnt, kan ik het niet laten haar mijn ambivalente gevoelens mee te delen. Eerlijk gezegd vond ik haar sentimentele schetsen van de

jeugdige zelfkant tot dusver eerder irritant dan boeiend of ontroerend; de recensent die na het zien van Jan Rap de term'aapjes kijken'gebruikte had dan ook direct mijn sympathie. 'Vergeet niet dat ik een hele ontwikkeling heb doorgemaakt, ik groei nog steeds,' pareert de drieënvijftigjarige schrijfster de kritiek. En het moet gezegd: haar nieuwe boek Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel leest als een trein. Het thema is onthutsend. Vaderlijke zorg

 

 

Verhaald wordt wat er gebeurd als een kinderrechter, bijgenaamd Loulou, zich vergrijpt aan jongens die aan zijn vaderlijke zorg werden toevertrouwd. Met geld, inzage in de rapportage en beloften over verlichting van de strafinaat beloont de magistraat zijn rándeijarige troetelkinderen. Nimmer klopt een uit tuchtschool of rijksinrichting ontvluchte schandknaap vergeefs om hulp bij hem aan. In gevallen waarin de situatie te netelig wordt zorgt de kinderrechter voor een vliegticket naar Amerika of Israël, waar de lastige jongere voor onbepaalde tijd in de grote stad of een kibboets kan onderduiken. Tegen het einde van het boek wordt duidelijk wat er met zo'n kinderrechter gebeurt: niets. Er wordt proces-verbaal opgemaakt. De met het onderzoek belaste commissaris stelt vast dat de beschuldigingen tegen de kinderrechter op feiten berusten. 'In het algemeen belang'wordt de zaak geseponeerd. Niet het recht, maar de rechter zegeviert. Yvonne Keuls laat er, als we bij haar thuis tegenover elkaar zitten, geen misverstand over bestaan: Annie Berber en het verdriet van een tedere crin-fineel is, overeenkomstig de traditie van haar drie vorige boeken, geheel op feiten gebaseerd. De pedofiele kinderrechter bestaat echt, justitie was van zijn praktijken op de hoogte en de man ging vrijuit. 'Ik heb een aanklacht bij de politie ingediend, maar de zaak is in de doofpot gestopt' zegt ze. 'De personage Tommie in mijn boek, de jongen die de kinderrechter "mijn prinsesje" noemt, heb ik bedacht. Tommie is opgebouwd uit zes jongens met wie ik al jaren contact heb. Mjn frustratie is dat ik ze in de kou heb laten staan, ik heb hun verhalen lange tijd niet willen geloven. Daarom zegt Tommie in mijn boek ook dat iedereen begint te grinniken als hij over zijn relatie met de kinderrechter vertelt. Cipiers in de gevangenis vragen of hij zijn pillen wel heeft geslikt. Ik moet zeggen dat ik ook zo gereageerd heb. In 1973, twaalf jaar geleden dus, kwam ik in contact met de eerste van de zes jongens; hij vertrouwde me en dacht dat ik wel iets voor hem zou kunnen doen. Die jongen was toen vijftien jaar. Ik dacht: mijn god, dit kan niet waar zijn, die jongen is geschift - en ik heb hem door een jeugdpsychiater laten behandelen. Later vertelden andere kinderen me, onafhankelijk van elkaar, hetzelfde soort verhalen. Hoe het komt weet ik niet, waarschijnlijk was het naïveteit, maar ik ben er nooit serieus op in gegaan. Daar komt bij dat ik de betreffende kinderrechter kende als een aimabel mens die ik zeer hoog acht. Er waren ook jongeren die zeiden dat hij meer voor ze deed dan andere kinderrechters. Dat was ook zo, dat heb ik zelf kunnen constateren. Daarom liep ik er ook in. Ik heb tien jaar lang met deze man in allerlei commissies gezeten en hem vertrouwd. Naderhand, toen alles achter de rug was, ben ik naar hem toe gegaan. Ik was helemaal in tranen. Ik heb hem gevraagd: hoe heb je het in godsnaam zo ver kunnen laten komen?'

 

 

Freudiaans

Wellicht was haar toerunalige betrokkenheid bij het opvangtehuis voorjongeren, waarover ze later in Jap Rap en z'n maat verslag zou doen, er de oorzaak van dat de schrijfster zich aanvankelijk passief opstelde toen jongeren zich tegenover haar over de vergaande handtastelijkheid van de kinderrechter beklaagden. 'Dat was net in een tijd waarin ik voor het eerst van niijn leven met ontzettend veel onrecht en machtsmisbruik kreeg te maken,' zegt ze. 'Het heeft jaren geduurd voordat ik dat verwerkt had. Ik moest mijn ervaringen ordenen. De verhalen over de kinderrechter, het zal wel freudiaans geweest zijn, maar ik hoorde ze en vergat ze weer onmiddellijk. Het zakte weg en dan ineens, najaren, was er weer iemand die zei dat deze kinderrechter hem seksueel had misbruikt. Ik nam dat voor kennisgeving aan, ik deed niets.

Totdat ik weer werd geconfronteerd met de jongen die m- ij als eerste van de zaak op de hoogte had gebracht. FEj belde me op en zei dat hij een einde aan zijn leven wilde maken. Nu ik eraan terugdenk emotioneert het me nogal, ik ben me ervan bewust dat ik zo verschrikkelijk gefaald heb. Ik had het natuurlijk veel eerder aanhangig moeten maken, al die tijd is er zoveel leed gebeurd. Ik had het gevoel dat ik mij belachelijk zou maken met zo'n verhaal, ik kon er met niemand over praten, zelfs niet met mijn man, wat ik meestal wél doe. Toen ik er uiteindelijk over begon, waarschuwde hij me dat ik ontzettend moest uitkijken, want ik kon niets bewijzen. Dat ik me belachelijk zou maken leek hem niet zo erg, dat zou me wel worden vergeven, maar stel je voor dat het niet waar was? "Die jongens, dat is ook geen lekker spul," zei mijn man en ergens had hij daar natuurlijk wel gelijk in. Op het moment datje met die jongens te maken hebt, hebben ze al een heel leven achter de rug. Aan de ene kant zijn ze heel gevoelig, aan de andere kant ontzettend glad. Het kon natuurlijk best zijn dat ze de situatie opbliezen. Maar toen ik het van zoveel kanten had gehoord en ik zóveel overeenkomsten ging zien vond ik dat er iets moest gebeuren. Op dat moment belde die jongen op die zei dat hij een einde aan zijn leven wilde maken. De betreffende kinderrechter had hem geld gegeven, zodat hij kon verdwijnen naar Amerika of een kibboets. Ik heb de jongen toen bij me thuis laten komen en regelmatig lang met hem gepraat. Ik zag dat hij volledig was vernield door deze situatie, die zo'n tien jaar had geduurd.

Ik zei hem dat hij eigenlijk maar één ding kon doen en dat was naar de politie gaan. "Ja maar," zei hij, "dan houden ze me meteen vast, want ik heb al heel wat op rnijn kerfstok." Dat was waar. Ik ben toen met hem meegegaan naar het politiebureau, waar ik een goede commissaris kende. Die man is vreselijk geschrokken van het verhaal dat die jongen vertelde. Hij zei direct dat die jongen niet het land uit mocht, waarop die jongen in paniek raakte want waar moest hij dan heen? Hij zei dat hij tegen zich zelf beschermd moest worden, hij had een onweerstaanbare drang om die kinderrechter toch weer op te zoeken. Dat was een vaderfiguur voor hem en bovendien een hele lieve man, dat moetje niet vergeten. Die jongen zat in een orunogelijke situatie: aan de ene kant had hij die relatie, aan de andere kant was hij een verrader. Ik heb hem laten onderduiken en intussen zou ik hem niet uit het oog verliezen. Het is een enorme opgave geweest om er voor te zorgen dat deze jongen geen zelfmoord zou plegen. Ik had hem ondergebracht bij een non hier in Den Haag met wie ik veel samenwerk. De conunissaris beloofde me dat er spoed achter de zaak gezet zou worden- de commissaris en ik hebben van alles gedaan om die jongen door die crisis heen te krijgen. Ik kreeg thuis bezoek van iemand van de Rijksrecherche die zei dat de affaire in handen van de hoogste officier van justitie zou worden gegeven. Een week later belde dezelfde man van de Rijksrecherche weer. Hij zei dat het absoluut waar was, maar het was zó erg dat het maatschappelijk belang ernstig zou worden geschaad als de zaak in de openbaarheid kwam. We waren er allebei zeer door getroffen, de commissaris en ik. Hij zag spierwit. "Eigenlijk zou ik nu niijn ontslag moeten nemen," zei de commissaris. Waarom doe je het dan niet?, vroeg ik. "Dat kan ik niet doen, ik zit nu eenmaal in die lijn," zei hij. Waarop ik antwoordde dat anderen wel ontslag zouden hebben genomen, in zo'n geval. Ik heb makkelijk praten, ik heb geen dienstverband. Ik kan me pern-fitteren er een boek over te schrijven. Waar ik nu iedere dag aan denk is dat schrijven een vorm is van vrienden verliezen. Dat vind ik heel erg. Ik heb solidair moeten zijn, maar niet met mijn vrienden. Ik heb anderen die erbij betrokken zijn moeten laten vallen. Daar word ik erg droevig van. Mensen die ik erg aardig vind heb ik ongelijk moeten geven, maar het is moeilijk me van ze los te maken.'De jongen die met zelfmoord dreigde, zag van zijn wanhoopsdaad af, maar er valt volgens Yvonne Keuls minstens één ander slachtoffer te betreuren. Drie dagen nadat justitie had besloten geen maatregelen tegen de in opspraak geraakte kinderrechter te treffen kwam ze in contact met een andere jongen die in details over zijn intieme betrekkingen met de rechterlijke macht kon uitweiden. Hij vertelde weer over een vriendje dat daags tevoren in de Rijkspsychiatrische Inrichting in Eindhoven aan een overdosis heroïne was overleden. 'In mijn boek noem ik hem Peetje,' zegt de schrijfster. 'De

situatie van Peetje was zó hopeloos, dat hij bewust een einde aan zijn leven maakte. Jaren geleden was deze jongen al met zijn verhaal bij me gekomen. Ik heb hem toen niet geloofd.' Een kinderrechter die een zijner pupillen de dood in jaagt - een zwaarder beschuldiging is nauwelijks mogelijk geeft Yvonne Keuls toe. 'Toch is het absoluut waar,' herhaalt ze. 'Ik schrijf niets en zeker geen boek dat als een aanklacht is bedoeld, als ik de zaak niet eerst tot op de bodem heb uitgezocht.'

 

 

Rechtsgevoel

Dan vertelt ze wat gebeurde nadat de zaak tegen de kinderrechter wegens 'het algemeen belang' was geseponeerd. 'Ik werd opgebeld door een psychiater, een geliefde vriend die ik door deze zaak ben kwijt geraakt,'zegt ze. 'Hij zei dat ik me niet meer moest bemoeien met deze zaak, want de kinderrechter had zich vrijwillig terug getrokken en hem was eervol ontslag verleend. Hj zou zich bovendien vrijwillig onder psychiatrische behandeling laten stellen en daarmee was de kous af. Nou, zo denk ik er natuurlijk niet over. Deze man kan dan wel als kinderrechter zijn afgetreden, maar intussen heeft hij wél veertien jaar lang een groep jongens de vernieling in geholpen. In het rechtsgevoel van deze kinderen is iets kapot gegaan. Als die jongens iets uitvreten wordt er een psychiatrisch rapport van ze gemaakt en op grond daarvan wordt beoordeeld hoe veel maanden ze kunnen gaan zitten. Als een hoge Piet iets uithaalt wordt dat weggemoffeld. Als je mij vraagt waarom ik dit boek geschreven heb, dan is het antwoord: dáárom. De kinderrechter is dan wel afgetreden, maar aan het systeem verandert niets. Meer dan ooit ben ik er nu van overtuigd dat het systeem rot en verziekt is tot op het bot. Het ergste is dat bij justitie iedereen, tot en met de portier, geweten moet hebben wat er gaande was. De geruchten circuleerden al veel langer. De portier van het Paleis van Justitie liet op zaterdagniiddag de betreffende kinderen binnen. Zulke dingen. Toen ik met dit verhaal bij de politie kwam, verschoten ze daar van kleur - ze wisten dat er op een dag iemand zou komen. Het was ogenblikkelijk uitgezocht. Binnen een dag kreeg ik de Rijksrecherche aan de telefoon met de mededeling dat wat over de betrokken kinderrechter werd beweerd helemaal waar was. Dat kan toch niet als de zaak nog onderzocht moest worden? Ze wisten het gewoon, de feiten waren bekend.' In het boek van Yvonne Keuls blijkt de kinderrechter niet de enige volwassene die seksuele betrekkingen met de onder voogdij gestelde jeugd onderhoudt. Er zijn ook groepsleiders in tehuizen die de jongens geld geven als ze hun verlangens beantwoorden. 'Ja,'zegt de schrijfster. 'Ik heb verschillende jongens horen zeggen, onafhankelijk van elkaar, dat ze in die kindertehuizen door hun begeleiders zijn opgeleid tot volmaakte hoer. Ik heb er totaal geen behoefte aan om dergelijke dingen te verzinnen, ik ben er achter dat het veel vaker voorkomt dan tot dusver werd aangenomen. Het is erger dan we dachten. Wat ik in mijn boek beschrijf is nog maar het topje van de ijsberg. Er zijn tehuisjongeren die van jongs af aan werd geleerd dat seks geld oplevert. Is het gek dat die later in de prostitutie terecht komen? Over het verschijnsel pedofilie wil ik me verder niet uitspreken. Dat is er, ik heb het in Floortje Bloem ook beschreven. Wie ben ik om te beoordelen of iemand daar schade van ondervindt? Ik heb heel vaak gehoord dat dit soort liefde de enige liefde is die zo'n kind heeft gehad. Ik heb hele diepe gesprekken met heroïnehoertjes gehad die me vertelden dat de enige liefde een pedofiele relatie met een klant of een oom voor ze is geweest. Dat hebben ze ondergaan als echte liefde. Wie ben ik om dat dan te gaan zitten afkeuren? In het geval van die kinderrechter ligt het anders. ffij heeft misbruik gemaakt van een machtssituatie. Fouter kan het niet.' Tweeduizend getypte vellen materiaal had ze toen ze aan het schrijven van Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel begon. De woordenbrij moest tot een kwart van het aantal pagina's worden terug gebracht. Het schrijven nam anderhalf jaar in beslag. De werkelijkheid is volgens de auteur nog ontstellender dan in de roman tot uiting komt. De ergste dingen heb ik er uit gehaald,' zegt ze. 'Ik wilde een rel vermijden, daarom heb ik vlechtwerk gemaakt van fictie en werkelijkheid. Ik heb ook de

menselijkheid van de kinderrechter beschreven, het deerniswekkende van die man. Het is geen zwarte magiër, maar iemand die zichzelf in een bepaalde hoek heeft gemanoeuvreerd. De moeilijkheid voor mij is dat ik respect blijf houden voor de goede dingen die hij gedaan heeft. Zonder meer. Maar de weegschaal is doorgeslagen naar de andere kant. Het kòn niet meer, het moest ophouden. Maar het hield niet op en het zou doorgaan als er niets aan werd gedaan. Aan de andere kant zou ik het erg jammer vinden als ik nu uitsluitend werd gekoppeld aan degene die de aanklacht tegen die kinderrechter heeft ingediend. In de eerste plaats heb ik een roman geschreven en mensen gecreëerd. Ik hoop dat over tien jaar, als de affaire met die rechter vergeten is, de lezers die terugdenken aan het boek zich in de eerste plaats de jongen Tom"e herinneren. Als ik een journalistiek verslag zou schrijven, vergeten de mensen het weer. Maar ik schrijf een boek en creëer een figuur. Dan wordt het schrijnender. Het meisje Gemma uit Jan Rap is niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Het meisje Floortje Bloem kan ook niet meer weg, ze is gecreëerd. En zo heb ik een jongen bedacht, Tomnlie, die ook niet meer weg kan.' Op heftige toon: 'Wij, volwassenen, hebben een kind in handen gelegd van iemand die de verantwoordelijkheid op zich nam. We zijn vergeten te kijken of deze man capabel was. Dat is het systeem dat ik in dit boek beschrijf: iemand klimt op in een steeds hogere rang op grond van zijn meetbare capaciteiten, maar zijn andere, menselijke kant kan niet worden gecontroleerd. De sociale controle is uit dat systeem gehaald. Wie in dat systeem zit en weet dat de superieure kinderrechter deze dingen flikt, kan kiezen, zoals de commissaris in rnijn boek: bek houden of ontslag nemen. Dat is het punt.'Ik zeg dat de kwaliteiten van Yvonne Keuls waarschijnlijk meer op het terrein van de welzijnssector liggen dan op het literaire vlak. 'Ik vraag me af of dat niet alleen voor Nederland geldt,' antwoordt ze fel. 'Ik kreeg varnnorgen een brief van mijn Engelse uitgever die schreef dat Liv Ulmann De moeder van David S. een "moving and important" boek noemde. The Sunday Telegraph, wat toch een aanzienlijke krant is, heeft onmiddellijk een lovende recensie geschreven, alle Engelse bladen die er tot dusver over schreven waren overigens enthousiast. Ik word vergeleken met Truman Capote. De Engelse editie van De moeder van David S. was nog geen veertien dagen uit, of Amerika kocht het en verklaarde mij tot een groot schrijver. Tja, wat moet ik dan hier nog? Ik heb Nederland helemaal niet nodig, Nederland heeft iáj nodig. Het toneelstuk Jan Rap ging in 1977 in première, maakte een toemee door heel Europa en wordt nu weer opgevoerd in Nederland. Het publiek kijkt niet of het literatuur is. De mensen komen huilend de zaal uit, er is wat met ze gebeurd. Ze weten niet meer of ze lachen van het huilen of huilen van het lachen. Als ik dié grens kan overschrijden heb ik toch geen boodschap aan een zekere Tom van Deel die heeft gezegd dat hij mij niet wil lezen omdat het geen literatuur is wat ik schrijf? Dan denk ik: jongen, je zoekt het maar uit, jij staat tien trappen lager dan ik. Door zo'n stumper wil ik niet eens beoordeeld worden. Mijn tijd komt nog wel. Ik weet dat Harry Mulisch mij destijds niet in dat literatuurprogramma van de VPRO-televisie wilde hebben. Hij stelt zichzelf op een bepaald plan. Nou, ik niet. De ware schrijvers, zoals Hella Haasse en Maarten 't Hart hebben gelukkig wel respect voor mij. Hella heeft samen met een Franse schrijfster er voor gezorgd dat De moeder van David S. in het Frans werd vertaald. Scholen houden enquétes om te weten te komen welke schrijvers ze voor een spreekbeurt zullen uitnodigen en de leerlingen willen n-fij hebben. De stichting Schrijvers in Beeld hield een enquéte onder zeshonderd scholen om uit te zoeken over welke schrijvers ze een korte filmdocumentaire zouden maken. Ik sta bovenaan. In bibliotheken krijg ik te horen dat de boeken van rnij het meest gestolen worden. In februari ben ik naar de gevangenis van Zutphen geweest. Daar heb ik een hele dag met moordenaars en de zwaarste criminelen zitten praten; ze hadden gevraagd of ik mocht komen en toen ik weg ging vlogen ze me om de hals en vroegen wanneer ik wéér kwam. Wat kan het mij dan nog schelen als een schrijver die minder succes heeft of voor wie ik een concurrent ben zegt dat het geen literatuur is wat ik schrijf? Ik weet dat ik een onderhuids contact heb met mijn lezers, ik ga een verbond met ze aan. Ik weet waar de vergissing vandaan komt als men zegt dat het geen literatuur is wat ik schrijf. Men plaatst "j bij de journalistiek. Ik heb

cursieijes geschreven, zegt men en journalistiek is geen literatuur. Wat kolder is natuurlijk, maar oké. Ik kom niet uit de journalistiek. Ik kom uit het toneel. Er is bij het toneel één ijzeren wet, namelijk datje niets moet beschrijven. Iemand komt op en bij de eerste zin die hij uitspreekt neemt hij zijn verleden mee. Dat is toneel en zo schrijf ik ook Ik zal in mijn boeken geen landschap of een kamer beschrijven. Het gaat mij om het wezen van het personage die ik op toneel zet. Door die benadering ben ik niet te vergelijken met de doorsnee-literator van Nederland.' Ze schreef elf toneelstukken (haar debuut in 1965 heette Kleine muizen), zesenveertig hoorspelen, drie kinderboeken (waaronder vorig jaar De hangmat van Miepie Papoen), talloze cursiefjes voor het Algemeen Dagblad en Margriet (een gebundelde selectie verscheen onder de titel Keulsieijes) en ze bewerkte romans van Louis Couperus, Mamix Gijsen en Simon Vestdijk voor de televisie. 'Ik stond voor de klas en daarnaast schreef ik gedichten, korte verhalen en toneel. Ik was tweeëntwintig toen ik daarmee begon en tien jaar lang heb ik alles terug gekregen. Terecht, want het was niet goed,' zegt ze. De doorbraak kwam in 1969, toen De boeken der kleine zielen van Couperus omsmeedde tot een serie voor de NCRV-televisie. 'Vergeet niet, dat dit de eerste grote serie was die voor de Nederlandse televisie werd gemaakt. Ik had er drie jaar aan gewerkt, de serie werd een enorm succes. Opeens kon ik overal terecht, ik kreeg de schitterendste banen aangeboden. Ik ben er niet op ingegaan. Daarna heb ik nog De koperen tuin en Klaaglied om Agnes voor televisie bewerkt, wat er bij mij ook heel diep ingreep. Toch bevredigde dat werk me niet. Ik kwam in aanraking met mensen die geen boodschap hadden aan Couperus, Vestdijk of Marnix Gijsen. Ik was bezig met aan de verbeelding ontsproten, papieren figuren, terwijl ik op dat moment met de werkelijke krachten in de maatschappij in aanraking kwam. Toen was ik inmiddels in staat om daar eigen toneelstukken van te maken. Ik had het métier geleerd, het is gewoon een vak. Toen ik tweeënveertig was dacht ik: ik moet achter de schrijfmachine weg, de praktijk in. Ik voelde me heel erg oud worden, ik kwam in een crisis terecht, ik wist niet meer wat ik wilde. Alle opdrachten wees ik af, ik zei dat ik geen toneelstukken meer maakte, ik dacht dat ik het niet meer kon. Ik ging aan alles twijfelen en er was niemand die me uit die crisis kon halen. Ik schrijf nooit meer, dacht ik, ik ga de praktijk in. Dat heeft tweeënhalf jaar geduurd. In die tijd heb ik dat opvanghuis voorjongeren helpen oprichten. Over wat ik daar mee maak-te heb ik later Jan Rap en z'n maat geschreven want ik had ontdekt datje alleen als je schrijft in staat bent misstanden aan de kaak te stellen. In die tijd was ik heel bewogen, maar tegelijk erg amateuristisch. Dat is nu veel minder. Ik ben helemaal niet meer zo bewogen, eerder kordaat en professioneel. Het is nu: tot zover en niet verder, anders ga ik kapot. Gisteravond heb ik een hele tijd aan de telefoon gezeten met een meisje dat zelfmoord wilde plegen. Dat doe ik helemaal niet vanuit het gevoel dat ik een redder ben. Dat zeg ik haar ook. Ik zeg: het is jouw zaak als je zelfmoord wil plegen, maar ik ben wel bereid naar je te luisteren. Ik schep meer afstand, ik pak het professioneler aan dan ik vroeger deed. In de hulpverlening ga ik uit van het grondprincipe datje jezelf niet tegenover iemand zet, maar datje samen naar een oplossing zoekt. Wat ik zo vreselijk vind is dat er altijd intermenselijke machtsverhoudingen gaan ontstaan. Ik krijg vaak mensen aan de telefoon die mij vragen wat ze moeten doen. Dat moeten ze mij niet vragen. Ik geef geen adviezen, het enige wat ik wil doen is stimuleren en animeren zodat ze zelf op een gedachte komen. Waar het in het leven om gaat, waar het in mijn boeken om gaat is: je bekommeren om de ander. De ware oplossing moet iedereen voor zichzelf vinden.'Na viereneenhalf uur praten, de dag is bijna om, zeg ik dat me nog steeds niet duidelijk is waar haar betrokkenheid vandaan komt. 'Betrokkenheid met wie? Ik voel me betrokken bij alles wat een appèl op me doet. Als ik op straat iemand zie die een hond schopt, grijp ik in.' Toch zie ik je nog geen boek schrijven over diererunishandeling , zeg ik. Yvonne Keuls: 'Nflsschien is dat iets dat nog gaat komen. Ik ben daar wel degelijk mee bezig, het pakt me zó verschrikken k dat ik het niet eens kan opschrijven. Daar ben ik nog niet aan toe. Wanneer ik zie dat een kat ernstig mishandeld of verwaarloosd wordt neem ik hem mee naar een lezing. Dan vraag ik, voordat ik begin, aan de zaal wie de kat wil opnemen. Dan biedt zich een

aantal mensen aan en dan ga ik na waar zo'n dier terecht komt. Er is iets in mij, een groot gevoel

voor rechtvaardigheid. Dat komt dan overeind.'

 

Hosted by www.Geocities.ws

1