Schrijver Keuls, Yvonne
Titel Jan Rap en z'n maat
Jaar van uitgave 1977
Bron Provinciale Zeeuwse Courant
Publicatiedatum
12-03-1977Recensent Hans Warren
Recensietitel Jan Rap en z'n maat
Het boek dat Yvonne Keuls schreef over haar ervaringen in een opvangcentrum voorjonge mensen, en dat zij "Jan Rap en z'n maat" noemde, geeft heel wat stof tot nadenken en praten, en als zodanig is het ook in de eerste plaats bedoeld.
De schrijfster, in 1931 in Djakarta geboren, is betrokken geweest bij de oprichting van dit tehuis, en zij heeft er een jaar als vrijválligster gewerkt. De bedoeling van het tehuis was: een tijdelijk onderdak te bieden aan jonge mensen (ongeveer van 16-26) die, om welke reden dan ook, geen dak boven hun hoofd meer hadden, dus bijvoorbeeld van huis weggelopen kinderen, uit tehuizen en inrichtingen gevluchte jongelui en jonge mensen die het totaal niet meer zagen zitten doordat ze bijvoorbeeld aan drugs verslaafd waren geraakt, zwanger waren of wat dan ook.
Aan deze jonge mensen wilde het huis veiligheid bieden (dus geen imnening van ouders, instanties, politie) en ze werden dan zoveel mogelijk geholpen om een nieuwe weg of de weg terug te vinden. Daarvoor was een hele staf aangetrokken (waarvan Yvonne Keuls dus, "n of meer als een buitenbeentje, deel van uit heeft gemaakt) en het geheel werd begeleid door een vrouwelijke arts, in dit boek "dokter Margriet" genoemd, in werkelijkheid Margriet Reijers, overleden op 6 september 1975, aan wie het boekje nu is opgedragen. Een vrouw van kennelijk zeer grote kwaliteiten die dag en nacht klaar stond om te helpen, en voor wie iedereen groot respect had, ook de kinderen als ze met haar in aanraking kwamen.
Het opvanghuis kreeg geld van de overheid en heel vaak giften van grote bedrijven en
instellingen. Financieel kwam men dan ook wel redelijk rond, al bleef er uiteraard veel te wensen over. Moeilijker was de taakverdeling van de staf. niemand kon eigenlijk een ogenblik worden gemist: dag en nacht moest er toezicht zijn, en zodra een staflid ziek werd raakten de anderen automatisch te zwaar belast, met alle gevolgen van dien. Bij werk als dit dat geen moment van verslapping van de aandacht gedoogt, wreekt elke fout die men maakt zich bijzonder sterk, en wanneer men een te zware taak heeft worden er sneller fouten gemaakt, van welke aard dan ook, dan wanneer alles vrij normaal verloopt. En het spreekt haast vanzelf, in zo'n opvanghuis verloopt vrijwel nooit iets normaal, zeker niet wanneer men ook kinderen opneemt die zulke grote problemen met zich mee brengen dat eigenlijk niemand ze aan kan, en dat gebeurde daar. Het huis werd dus tevens een soort crisis - en behandelcentrum, en daarvoor was de staf onvoldoende geschoold. Wanneer men zwaar psychiatrische en andere ziektegevallen opneemt, heeft dat natuurlijk ook weer een meestal funeste weerslag op de andere bewoners van het tehuis die toch ook al niet te veel kunnen hebben.
Hier geloof ik dat we tot de kern van de zaak komen: hoe ernstig zijn de "defecten" van degenen die in zo'n opvanghuis terecht komen, en zijn de werkelijk zware gevallen wel te helpen door een groep welwillende leken en geschoolden, die onderling toch ook weer zo verschillend zijn?
Yvonne Keuls tekent in haar boek 21 meisjes en jongens, en daarvan is er, als je heel eerlijk moet wezen, niet één "normaal". Ik zet dit woord natuurlijk opzettelijk tussen aanhalingstekens, omdat normaal niet bestaat. Er is echter aan de kinderen die Yvonne Keuls tekent toch iets erger defect dan aan doorsneemensen, of laat ik het zo zeggen: dan aan de kinderen die niet in zo'n tehuis terecht komen. Hun omstandigheden mogen afschuwelijk zijn, de mishandelingen, geestelijk en lichamelijk, die ze ondergaan zijn hemeltergend, maar het waren al zwakke broeders en zusters. Wat nu het erge, en een beetje deprimerende van dit boek is: wat er allemaal gebeurt, helpt zo weinig, er komt er haast niet één op z'n pootjes terecht; zodra de extra-aandacht, de extra-liefde en verzorging ophouden (en zo'n huis is nu eenmaal tijdelijk, en aan nazorg kan niet veel worden gedaan omdat men de handen vol heeft met de dagelijks nieuwe gevallen) vallen ze weer terug, vooral de zware gevallen.
De voornaamste fout die in dit tehuis gemaakt werd, was er te veel jongelui opgenomen werden die men absoluut niet aan kon. Het geheel wordt uiteindelijk dan ook een debácle: het huis sluit, wordt opgedoekt en gered is er nog niemand. Maar het goede begin was gemaakt.
Er valt namelijk onbegrijpelijk veel te bereiken, zelfs met flink defecte mensen (heel bekend is in dit opzicht de nieuwe ontwikkeling in de kranzinnigenzorg in Italië, waar men, met uitstekende gevolgen, de verpleegden, maar dan uiteraard met constante begeleiding, weer in het gewone leven opneemt) - maar in een tehuis als het beschrevene, waar bijna dagelijks jonge mensen in een min of meer ernstige crisistoestand binnenkwamen, werd eenvoudig te veel gevergd, zowel van de staf als van de cliënten onderling, die zelf nog helemaal ondersteboven zijn. Zij reageerden vaak erg goed op elkaar, maar even vaak was het er, vooral des nachts, een dolhuis gelijk. De realistische, gruwelijke beschrijvingen van Yvonne Keuls laten daar geen enkele twijfel over bestaan.
Een ander groot probleem is ook dat deze jonge mensen, die vaak voor het eerst in hun leven liefde en aandacht krijgen, zich al te sterk gaan hechten aan een verblijf dat niet anders dan een doorgangshuis kan zijn en aan mensen die onherroepelijk verder moeten met anderen. De cliënten weten dat meestal wel, maar met redeneren komje er hier helemaal niet: de ervaring leert dat de meesten zich geen raad weten als ze niet mogen blijven en dan o zo snel weer in een crisis geraken.
Ook bestond er geen eensgezindheid over de wijze van aanpakken onder de stafleden onderling. Voor zover ik uit het boek van Yvonne Keuls begrijp was iedereen beslist van goede wil, werkte ieder zich uit de naad en zetten enkele zich zelfs met hun lichaam in om te helpen en te troosten Enkele stafleden kenden uit eigen ervaring de misère van hun cliënten, ook wat betreft drugs etc. Maar hun taak was haast bovemnenselijk zwaar en meestal erg ontmoedigend. Niet zelden ging er een over de kop, juist omdat er geen, of nauwelijks resultaten werden geboekt.
Er worden, uiteraard, door allerlei instanties grote fouten gemaakt die de gevallen nog verergeren: door dokters en verplegend personeel, in psychiatrische inrichtingen, in kindertehuizen, bij de GGD en de politie, door ouders en opvoeders, overal. Het is in eerste instantie dus prachtig dat er zulke opvanghuizen zijn waar wanhopigen terecht kunnen. Maar wanneer ze dan in aanraking komen met werkelijk al te zieke figuren die van alles een janboel maken, de nachten en de maaltijden tot een hel, zoals in dit boek beschreven wordt dan ligt het voor de hand dat er maar heel weinigen geholpen kunnen worden: de allerlichtste gevallen. Het is, zoals gezegd, een trieste, weinig hoop gevende balans aan het einde van het boek. Het huis moest sluiten, een gedeelte van de staf is vrij ontmoedigd of er onderdoor gegaan, en van de kinderen is er eigenlijk niet één waarvoor je je voor de toekomst geen zorgen meer hoeft te maken.
De 21 kinderen wier kortere of langere geschiedenissen de schrijfster in dit boek door elkaar gevlochten heeft (men zou het een soort gestileerde documentaire kunnen noemen) zijn niet
precies naar het leven getekend, maar samengesteld, gecomponeerd. Dat is te begrijpen, en kies, maar het maakt af en toe wel eens een wat onechte indruk. Niettemin is het geheel van het boek fundamenteel waar. Het is goed geschreven en vaak sterk ontroerend. De schrijfster bezit de gave de warmte te laten voelen, het positieve dat zelfs onder de meest ellendige omstandigheden uit kan stralen, in dit geval zowel van de helpende als van de geholpenen. De reactie van de cliënten op elkaar is vaak aangrijpend, de houding van de stafleden bijna altijd bewonderswaardig, soms zelfs absoluut respect afdwingend. Uiteraard staat deze wijze van aanpak nog aan het begin van de ontwikkeling, en zal er nog veel moeten worden gecorrigeerd en bijgestuurd, maar dat het een goede weg is, lijkt mij buiten enige twijfel.