Schrijver Keulen, Mensje van
Titel Rode strik, De
Jaar van uitgave 1994
Bron Vrij Nederland
Publicatiedatum 12-11-1994
Recensent Jeroen Vullings
Recensietitel Moord als een natuurgebeuren
In de nieuwe roman van Mensje van Keulen zijn de verhoudingen duidelijk: twee meisjes nemen wraak op de nieuwe n-finnaar van hun moeder, een man die met duivels gedrag hun leven verpest. Volgens Maarten't Hart bevat het werk van Mensje van Keulen twee, in oppositie met elkaar verkerende motieven. 'In haar werk is de winkel de pluspool, bloed de n-finpool,' schrijft hij in Een dasspeld uit Toela. Bij haar personages wekt bloed afschuw, terwijl een winkel troost biedt. Door Van Keulens keuze voor de slager Engelbert als hoofdfiguur in haar gelijknanfige roman heeft ze, volgens 't Hart, die twee polen proberen te verenigen. 't Harts zienswijze gaat voor De rode strik maar ten dele op. Bloed vloeit rijkelijk, zoals de titel al enigszins doet vermoeden. 'De strik van de stroper. Als die een vosje of een konijntje strikt, wordt hij rood.'Nu heeft degene die deze dreigende taal uitslaat, oom Leen, inderdaad een winkel, maar prettig is het daar niet, laat staan troostrijk. Tot afgrijzen van de elijarige Maria Talberg en haar twee jaar jongere zusje Bee grossiert oom Leen in dierverdelgingsmiddelen en krioelen de maden. Bovendien ziet Maria hoe haar moeder en oom Leen 'het' doen in de achter de winkel gelegen vertrekken. Later vindt ze er ook nog een rondslingerend pornoblad waar ze danig van in verwarring raakt. De middenstanders Leen en Engelbert zijn in hun benauwende groezeligheid zeker verwante figuren, maar op een andere manier is de overeenkomst tussen Engelbert en De rode strik interessanter. Zoals Van Keulen die abjecte Engelbert in de loop van de roman steeds menselijker - en daardoor minder haatbaar - maakt, spiegelt ze de moord door de twee zusjes op de'beesten man'Leen in De rode strik voor als een volstrekt juiste handelwijze, iets heel natuurlijks. Dat vloeit voort uit het gekozen perspectief: dat van Maria, de hoofddader. Van Keulens psychologisch drama heeft de vorm van een rawnvertelling. In het eerste en het laatste hoofdstuk bezoekt Maria haar waanzinnig geworden zusje in een inrichting. Uit de overige hoofdstukken blijkt wat aan deze ellende is voorafgegaan; chronologisch en strak gedoseerd ontvouwt het verhaal zich: van de komst van hun moeders vriend Leen, met als gevolg daarvan de onderhuidse machtsstrijd binnen het gezin, tot de noodlottige uitbarsting van geweld. Of dit alles werkelijk zo heeft plaatsgevonden, is nog maar de vraag: de lezer ziet de gebeurtenissen alleen door Maria's van haat gloeiende ogen. Bovendien valt uit de dwingen de wijze waarop ze in het laatste hoofdstuk spreekt tegen de grotendeels door haar toedoen gek geworden Bee, op te maken dat haar weergave obsessief verwrongen en overtrokken kan zijn - een uitennate beproefd middel om de verhaalrealiteit met terugwerkende kracht te doen wankelen. Sowieso had Van Keulen beter kunnen afzien van haar raamconstructie: die gezusterlijke, amorele handelwijze was dan niet zo voor de hand liggend met waanzin bestraft, en de lezer had nog wat te wikken gehad. Door zo'n structurele ingreep zou De rode strik daarnaast meer een modern sprookje worden. Dat aspect spreekt immers al uit Maria's zwart-witweergave van de gebeurtenissen; de beesten man wordt als de duivel in persoon beschouwd en niet voor niets zegt ze over de moord: 'Ik schopte hem
naar de hel.' Voor die doodschop is de beesten man overigens nog, heel proz2fisch, met een zware koekepan gemept toen hij het konijn Nino de nek wilde omdraaien. Van Keulen schrikt er zelfs niet voor terug om de dood gewaande engerd, tot gillende schrik van de jonge meisjes, bebloed en al weer op te laten staan - vast ingrediënt in een B-film. Het einde is wel erg kras, maar gelukkig weet De rode strik voor het zover is anekdotisch te boeien. Het verhaal speelt in een kleinburgerlijke Haagse straa@ vermoedelijk in de jaren vijftig, met veel klein leed dat zich al of niet in het verborgene afspeelt. De moeder van de beide meisjes krijgt nadat ze verlaten is door haar man kennis aan diens oudere neef, 'zevenen negentig kilo schoon aan de haak'. De zusjes merken van het bestaan van deze oom Leen eerst niet veel meer dan de plotselinge aanwezigheid van een fles jenever in een kast, maar dat verandert snel. Niet alleen boert hij luid, laat hij even openlijk winden, doet hij 'op een enge manier' zijn gulp dicht, spreekt hij uitvoerig over zijn tatoeages, stelt hij als naam voor het konijn 'Kerst"s'voor, nog bedenkelijker is dat hij zich waagt aan zeer volwassen pesterijen. Maria noemt hij onheilspellend Bambi, liefst na een bloederig verhaal. Bij een wandelingetje op een kerkhof zegt hij: 'Hier is een kinderhoek. Zeven jaar, tien jaar. (:..) Negen jaar, twee jaar. Er ligt ook een meisje dat Maria heet.'Kort na zijn dood verzucht Maria: 'Ik geloof dat het onheil uit de straat is vertrokken.'