NRC Handelsblad, 1 juli 2005

 

Opgroeien in een snelkookpan

Karel Berkhout

 

 

 

 

 

 

 

Leve de proleet. Jeugdboeken worden veelal bevolkt door beschaafd sprekende volwassenen met een goede baan, die in al hun onbegrip het beste voor hebben met de jonge hoofdpersonen. Oom Corry in Rits daarentegen is een arbeidsongeschikte bouwvakker, die de hele dag op de bank bier drinkt, tv kijkt of een hengelsportblad leest, ongezond eet en zich op vrijdagavond in een café laat vollopen.

Zo'n oorspronkelijk personage is verfrissend, vooral doordat de asociale Corry zo geestig wordt beschreven. Rits is het eerste jeugdboek van Mariken Jongman (1965), die blijkens de flaptekst al langer liedjes en theaterteksten schrijft. Oom Corry staat voor al het goede in dit zeer geslaagde debuut: origineel, goed geschreven, grappig en vol scherpe observaties.

De 13-jarige Rits - voluit Maurits - woont tijdens de zomervakantie enkele weken bij zijn oom Corry, omdat zijn gescheiden ouders er allebei niet zijn. Hij sluit vriendschap met Rietje en komt daarmee in contact met haar familieleden, die onderling een nogal wonderlijke verstandhouding hebben. Met zijn `schrijfboek' - een dagboek vindt Rits iets voor meisjes - en het maken van een videofilm krijgt Maurits uiteindelijk wat greep op zijn leven.

Rits wordt volwassen in een snelkookpan van heftige problemen. Zijn vader en moeder zijn egoïsten, die hem aan zijn lot overlaten. Oom Corry is niet in staat echt voor hem te zorgen: de dagelijkse witte-bonenhap bevat te weinig vitaminen. Rits is onzeker over zijn vriendschappen met de soms nogal bruuske Rietje en haar aantrekkelijke nichtje. Alle stress bezorgt Rits zware hoofdpijnen die hij ervaart als `hersenverzakking'.

Jongman maakt veel minder woorden vuil aan zielenroerselen dan aan de praktische projecten van Rits. Om iets fatsoenlijks te eten leert Rits koken met het kookboek Lekker & gezond, waarin niet zoveel lekkere dingen staan (`Daarom vraag ik me ook af of dat ,,gezond'' wel waar is'). Rits probeert oom Corry een wat normaler leven te laten leiden en zelfs te koppelen aan een vrouw, die iemand blijkt te zoeken voor theaterbezoek. Rits breekt zich het hoofd over een baantje als drummer of filmer en concludeert: `Bah. Je hebt een hele hoop geld nodig om geld te verdienen.'

Dit manhaftig vastbijten in aardse beslommeringen helpt niet alleen Rits met overleven, maar brengt ook de literatuur tot leven. Rits' loodzware problemen drukken niet op het boek, maar zijn alleen voelbaar onder de vaak komische taferelen. En als de pijn even doorbreekt is die des te schrijnender, bijvoorbeeld wanneer Rits na veel moeite zijn moeder aan de telefoon heeft of zich verbijt over het uitblijven van een kaartje van zijn reizende vader.

De lichtvoetigheid van Rits schuilt vooral in de stem die Jongman haar hoofdpersoon heeft gegeven. Het boek is gegoten in de dagboekaantekeningen van Rits, die op droogkomische toon over zijn wedervaren verhaalt. Rits schrijft een soort spreektaal met stopwoorden als `supergoed', verhaspelde uitdrukkingen (`Ik krijg wel de gebakken peren van iedereen op mijn brood') en effectieve neologismen als `zakenmanlijkheid'. Zijn beschrijvingen zijn levendig en bondig; met een paar woorden over een verbod om uit te druipen op het tapijt wordt de burgerlijkheid van een tante van Rietje geschetst.

Jongman gebruikt Rits' observaties ook om de volwassen wereld een beetje belachelijk te maken. Rits verbaast zich over het gezin dat een kruis aan de muur heeft, maar niet bidt voor het eten: `Of doe je dat niet voor alleen maar brood?' Op tv ziet Rits een sponsorloop voor een dierenasiel. `,,Bedankt, ook namens de dieren,'' zei de hoofdasielvrouw. Die dieren zelf keken trouwens helemaal niet blij of dankbaar.'

Heel soms vergaloppeert Jongman zich in haar overduidelijke schrijfenthousiasme. Het abrupt onderbreken van de dagboeknotities is een effectief middel om de spanning vast te houden, maar in Rits wordt deze truc net iets te vaak toegepast. De opduikende welzijnswerkster lijkt geboren uit het verlangen om nóg een geinig personage te laten meespelen, maar haar uitlegjes en bemoeienissen voegen weinig toe.

Veel talrijker zijn de sterke passages, waarin Jongman speelt met de betekenis van woorden en verschijnselen. Zo gebruikt Rits de schaarse ansichtkaarten van zijn vader om een lijn te trekken in de atlas. Als zijn vader plotseling een kaart stuurt van een andere plek van de aardbol, stelt Rits ontredderd vast: `Weg lijn. Hij heeft helemaal geen lijn.' Iets later staart Rits naar de sterrenhemel en Rietje vertelt dat de flonkering afkomstig kan zijn van een ster die allang dood is. Rits denkt dan aan de kaartjes van zijn vader, die komen van een plek waar zijn vader niet meer is. Dat is een prachtig en heel sterk beeld van Rits' verlatenheid. `Dingen opschrijven kan iedereen wel', noteert Rits tegen het einde van het boek. Maar weinigen schrijven zo goed als Mariken Jongman in Rits.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1