OEK DE JONG
Een man die in de toekomst springt
Meulenhoff, Amsterdam
222 blz., 798 fr.
Het schrijverschap van Oek de Jong, ooit zo veelbelovend met Cirkels in het gras, is al eens voor dood verklaard door een bekwaam criticus. Dient de diagnose bijgesteld na De Jongs essaybundel Een man die in de toekomst springt?
A.F.TH. VAN DER HEIJDEN, Oek de Jong en Frans Kellendonk zijn
zes jaar geleden benoemd als opvolgers van de Grote Drie, W.F. Hermans, Harry
Mulisch en Gerard Reve. In een serieus artikel over de stand van zaken in
de Nederlandse letteren (Maatstaf 8/9, 1991) kwamen de literaire
critici Arnold Heumakers en Willem Kuipers na rijp beraad tot die
opmerkelijke conclusie. Dergelijke uitverkiezing leek mij toen al erg prematuur:
Kellendonk was in 1990 overleden, voordat zijn schrijverschap volledig tot
wasdom had kunnen komen; van De Jong was sinds zijn tweede roman Cirkel
in het gras (1985) literair gezien nauwelijks meer iets vernomen.
Met name Heumakers moet zijn publiekelijk gestelde vertrouwen in De Jong
diep betreurd hebben. In zijn negatieve recensie over De Jongs bundeling
van twee mythisch-mystieke novellen De inktvis (1993) verklaarde
hij diens schrijverschap zelfs ,,gestorven''. Dit was wel het hardste geluid
in de literaire kritiek, al logen de meeste andere reacties er ook niet om:
,,zweverige onzin'', ,,mal'', ,,mystieke grabbelton'', ,,curiosa''. De
Jong bevond zich opeens in een wild west-tafereeltje; anders dan hij met zijn
eerdere drie boeken gewend was, ontbrak het trompetgeschal en floten de
kogels om zijn oren.
Die felle toon en uitgesproken meningen hebben mij in dit geval nogal
verbaasd. Als een auteur na acht jaar zwijgen aankomt met vernieuwend werk en
aldus zijn voorheen meer klassiek geënte schrijverschap een andere wending
probeert te geven, is het onzinnig de eis van continuïteit, tegen beter
weten in, te handhaven.
De inktvis, waarin De Jong uit is op een heldere formulering
van de nog bruikbare, archaïsche, in het onderbewuste verankerde beeldtaal -
en daarmee naar de betekenis ervan -, is in vergelijking met zijn
vroegere werk nadrukkelijk a-psychologisch. Daardoor blijft de geharnast
rationalistische lezer verstoken van houvast; mogelijk is dát, naast de gefnuikte
lezersverwachting, een oorzaak voor de opgeroepen woede. Beter zou het dan
zijn geweest met een analytisch signalement te volstaan en het oordeel op te
schorten tot De Jongs lichtend pad zichtbaarder werd.
Of De inktvis een eenmalig uitstapje is, blijft vanwege het
uitblijven van nieuw scheppend proza nog in het ongewisse, maar zijn
essaybundel Een man die in de toekomst springt verschaft wél de nodige
achtergronden bij De Jongs ontwikkeling en beantwoordt de nijpende
waarom-vraag.
DE bundel opent met twee in den vreemde spelende verhalen, daarna
volgen elf essays. In het eerste verhaal ,,De piramide van Haouarah'' vertelt
De Jong hoe hij bij dat Egyptische bouwwerk afdaalt in een grafkamer vol
fraaie wandschilderingen. ,,Maar diepere indruk maakt die bevende lichtvlek
in de grafkamer. Daarboven, bij de ingang van de schacht, zit een van de
mannen op zijn hurken. Hij houdt een stuk blik in zijn handen, vangt het
zonlicht erin op en laat het weerkaatste licht door de schacht op de
schilderingen vallen. () Het heeft een mythische allure: een man wiens werk het is om
licht te weerkaatsen en de voorstellingen in een onderaardse ruimte
zichtbaar te maken.'' Deze passage lees ik ook als beeld van De Jongs eigen aanpak
in Een man die in de toekomst springt: hij laat zijn
interpretatieve licht schijnen over allerlei door hem opgediepte kunstwerken (of hele
oeuvres) in de schatkamer van het verleden.
De dertien stukken, die hun samenhang ontlenen aan zijn ideosyncratische
blik, tonen een heel verscheiden culturele keuze: van het mozaïek ,,De
schepping van Adam'' in Monreale, Caravaggio's ,,Opwekking van Lazarus'',
Johannes Vermeers ,,De vrouw met waterkan'', Caspar David Friedrichs ,,Monnik
aan zee'', tot Verzen (1890) van Herman Gorter, Bezette
Stad van Paul van Ostaijen, Odysseus' laatste tocht van F.C.
Terborgh, ,,Vader en zoon'' van Ida Gerhardt, Mystiek lichaam van
Frans Kellendonk, en ,,het moderne exempel'' Patty Brard, de van de televisie
bekende zangeres ,,die heeft besloten haar borsten te laten vergroten en ook
de randen van haar wulpse lippen onderhuids een ietsje te laten opspuiten
- zodat ze, de middelbare leeftijd nadeerend, de karikatuur van een
seksgodin zal zijn''.
Zo bezien biedt Een man die in de toekomst springt, in de vorm
van De Jongs confrontaties met zijn voorkeuren en fascinaties in het
verleden, een reis door de tijd, van het antieke Egypte naar de postmoderne
chaos.
De titel is ontleend aan het essay over de volgens hem nog altijd moderne
Paul van Ostaijen, zijn eerste liefde in de poëzie van wie hij leerde dat
het speelse een vorm kan zijn van het contemplatieve. ,,De typografie van
Bezette Stad is een beeld van een ineenstortende wereld en
tegelijk het enig mogelijk antwoord op de catastrofe van dansende, met alle wetten
spottende vitaliteit. Dat is de belangrijkste impuls die het werk van Van
Ostaijen in al zijn levendige en veelvormige onvolmaaktheid ook nu nog
geeft: het is vitaal. Van Ostaijen is een man die in de toekomst springt.''
In een informatief opstel over mystiek, door hem gedefinieerd als ,,het
belangeloze dat de essentie is van elke scheppende activiteit, het 'om niet'
zich gevende'', komt het begrip ,,sprong'' nader aan de orde. In de taal
van de mystici is de paradox de ultieme stijlfiguur - die dwingt je
namelijk een sprong te maken, ,,van de ene logica naar de andere, van handelen
naar niet-handelen, van weten naar niet-weten, van zelf naar niet-zelf.'' Van
Ostaijen maakte die sprong en daarom dient hij als voorbeeld.
IN een recent vraaggesprek (NRC Handelsblad, 14.2.1997)
wees De Jong op het voordeel van onthechting van het verleden: ,,Wanneer je je
met essenties bezighoudt, stuit je vanzelf op oude beelden. Ik ben de
confrontatie daarmee aangegaan. In de essays zijn dat oude wereldbeelden. Met
de titel doel ik op de vitaliteit die ontstaat wanneer je met oude vormen
breekt en je overgeeft aan de chaos.''
Onuitgesproken maar nog bepalender bij De Jongs zelfonderzoek in deze
bundel is de vraag: wat nemen we uit de geschiedenis der mensheid mee naar de
éénentwintigste eeuw? Hoewel de auteur zich - natuurlijk - als gids
opwerpt bij dit door hem noodzakelijk geachte onderzoek, vermijd ik liever de
ik-vorm in die vraag. De Jong wekt namelijk niet de indruk zijn inzinkingen,
depressies en ander mentaal leed na de verschijning van Cirkel in het
gras te vermelden uit onbescheiden, ego-gerichte getuigenisbehoefte,
maar eerder om de louterende zoektocht te suggereren voor het huidige
inzicht hem gewerd - sterkend leesvoer voor de medemens.
Maar De Jong is niet helemaal onbaatzuchtig. Die confrontatie met het
verleden dient ook om zijn plaats in het heden te kunnen bepalen, als
religieus mens én als schrijver. Door al die leerzame of juist te verwerpen
invloeden van voorgangers te tonen legitimeert en definieert hij zijn eigen
schrijverschap. Gorters poëzie bracht hem bijvoorbeeld in contact met de extase,
maar het protestantse wereldbeeld bij Friedrich en Terborghs verstarde
aristocratische afwijzing van de massacultuur verfoeit hij. Door de hem
welgevallige verworvenheden van zulke schrijvers essaygewijs te benoemen en nader
in te gaan op de verschillen met hemzelf, geeft hij de lezer aan het slot
van de bundel in feite een zelfportret in handen. In dat portret zijn alle
in de loop der eeuwen bij grote kunstzinnige voorgangers vergaarde, te
behouden mystieke kenmerken subtiel gecumuleerd en tot een unieke eenheid
geworden, Oek de Jong geheten.
De stukken in de bundel, geschreven tussen 1983 en vandaag, vormen
tegelijk een beschouwende illustratie bij De Jongs in De inktvis
uitmondende persoonlijke (mystiek-religieuze) levensbeschouwing en parallel
daaraan bij zijn ontwikkeling als schrijver.
HET niet eerder gepubliceerde essay ,,Dronken van taal; over Frans
Kellendonk'' beviel mij het best: niet alleen omdat beide auteurs elkaar goed
gekend hebben, maar ook omdat De Jong Kellendonks werk scherp analyseert,
intelligent bekritiseert en het na de postume heiligverklaring de juiste
proporties teruggeeft. Zo noemt hij Kellendonks ironische geloofstheorie van
het ,,oprecht veinzen'' - God is een heilzaam verzinsel en daarom doen wij
alsof - onomwonden een wangedrocht. Daartegenover stelt hij dat het
Godsgeloof net als het geloof in een ritueel onzin is - het gaat om de deelname,
de vervoering: ,,Religie is ervaring''. Ook laat hij zeer overtuigend zien
dat Kellendonk uit angst voor ondubbelzinnigheid vastliep in
intellectualisme en dat zijn ware religie de stijl was, als vervanging van de magische
taal uit zijn rooms-katholieke jeugd.
Oek de Jong zegt klaar te zijn voor het postmoderne gewoel waarin alles
als materiaal kan dienen. De auteur, vindt hij, moet alleen goed schrijven
en daarbij ,,niet bang zijn om steeds dieper weg te zinken in zijn kunst''.
Hoe vitaal en onverwacht De Jongs sprong in de nieuwe eeuw ook mag
uitpakken, zijn inzet blijkt - nog altijd - een zelfbewust, authentiek, integer
en ongemakzuchtig schrijverschap.
Jeroen Vullings