|
Trouw, 28 december 2002 |
|
|
|
|
|
Nederlandstalig proza |
|
|
|
|
|
T.van
Deel |
|
|
|
|
|
Er
zijn, het afgelopen jaar, tenminste vijf Nederlandse romans verschenen,
waarin de vader een rol van betekenis speelt. Het zullen er ongetwijfeld meer
zijn, maar die heb ik dan gemist of ze zijn alweer uit mijn herinnering
verdwenen. Het begon in de zomer met 'Sluitertijd' van Erwin Mortier, een
sensibele roman, waarin een elfjarige jongen voortdurend aan zijn vader wordt
herinnerd. Daarna kwam Adriaan van Dis met 'Familieziek', beslist zijn beste
boek, dat de vaderfiguur als slachtoffer van zijn Indisch kampverleden
haarscherp tekent. Vervolgens leverde Joris Note met 'Timmerwerk' een
monumentale Vlaamse roman, gewijd aan zowel de persoon als de eeuw van zijn
vader. Harmen Wind registreert het verhaal van zijn vader en van diens
aftakeling in 'Het verzet'. De hekkensluiter is tegelijk degene die de
vaderthematiek uit de persoonlijke sfeer heeft getrokken en verwerkt heeft in
zijn verbeelding: Oek de Jong. Zijn roman
'Hokwerda's kind' lijkt mij de belangrijkste literaire gebeurtenis van dit
jaar op prozagebied. Het verhaal is fascinerend en wordt zo zintuiglijk
verteld, dat je het gevoel hebt tijdens het lezen de gebeurtenissen ook
daadwerkelijk mee te maken. De spanning is soms bijna ondraaglijk, de
dreiging ligt overal op de loer, vooral in de talloze seksscènes: ,,Maar elke
aanraking, dat voelde ze, kon zo overgaan in een woeste, vernielende
beweging.' Niemand had kunnen voorzien dat De Jong een dergelijke roman zou
schrijven, die wel het volstrekte tegendeel is van de twee novellen uit 'De
inktvis'(1993). Hier geen etherische bespiegelingen of het verlangen naar
hoger honing, maar een aards, seksueel, bedreigend verhaal, grotendeels
verteld vanuit een vrouw, Lin, de dochter van haar vader, Hokwerda. Al in de
proloog blijkt deze vader ambivalent tegenover zijn dochtertje te staan en
komt de overweging in hem op haar niet uit het water op de kant te trekken,
maar er juist in terug te duwen en haar met zijn klomp onder water te houden,
'tot ze daar levenloos dreef'. Van dezelfde ambivalentie lijkt de dochter
vervuld, want als zij voor de laatste keer door haar vader in het water is
geslingerd - een soort spelletje dat haar uithoudingsvermogen test- laat zij
zich willoos en gelukzalig naar de bodem zinken en lijkt het of zij niet meer
boven wil komen. 'Hokwerda's
kind' is een weinig geestelijke, maar een lichamelijke, zinnelijke roman,
waarin het intellectualisme geen rol speelt. Het is of De Jong zich heeft
willen verdiepen in een wereld en in personages waar niet het vermis van de
cultuur overheen is gestreken. De hartstochten laaien heviger op, de
tegenstrijdigheden komen geprononceerder tot uitdrukking en de angsten en
gelukzaligheden die met seks gepaard gaan zijn groter. Het resultaat is een
roman zonder weerga. |
|