Filip Devos
ARTHUR JAPIN
De zwarte met het witte hart.
De Arbeiderspers
Amsterdam/Antwerpen, 389 blz. 799 fr.
| Arthur Japin debuteerde vorig jaar met de opmerkelijke bundel Magonische verhalen. De hoge verwachtingen die hij daarmee wekte, lost hij volledig in met zijn eerste roman De zwarte met het witte hart - een schrijnend relaas van het triestee wedervaren van twee Afrikaanse prinsen, dat herinnert aan Multatuli's Max Havelaar. |
LITERAIR vakmanschap van een onvervalst talent. Dat is het
minste wat je kunt zeggen na lectuur van de groots opgezette historische roman
De zwarte met het witte hart van Arthur Japin (�1956). In dit
romandebuut tekent Japin een donkere bladzijde uit het koloniale verleden
van Nederland op, een haast vergeten verhaal dat door de onwil, de
corruptie en het onrecht dat erin wordt geschetst, herinnert aan Multatuli's
Max Havelaar (1858): ,,Mijn moed is mij ontnomen door de overheid.''
De zwarte met het witte hart bestrijkt de periode van 1836 tot
1900.
Binnen dat tijdskader en in de verhaallijnen die zich wisselend in Java,
West-Afrika, Delft en Weimar afspelen, concretiseert Japin de koloniale
uitbuiting in het verhaal van twee tienjarige Afrikaanse prinsen.
Kwasi (,,zondag'') en zijn neefje Kwame (,,zaterdag'') worden in 1837
door een Nederlandse handelsmissie uit Afrika weggehaald en ,,cadeau'' gedaan
aan koning Willem I. Na zestig jaar
blikt de inmiddels drieënzeventigjarige Kwasi op zijn Javaanse koffieplantage
terug op zijn leven en ontdekt dat de Nederlandse regering hem meedogenloos
heeft behandeld. Het wordt een lang en triest levensverhaal.
WEST-AFRIKA, 1836. Als gevolg van de afschaffing van de slavenhandel
door het Congres van Wenen van 1815 vermindert de welvaart. Generaal Majoor
Jan Verveer, afgezant van koning Willem I, moet duizend manschappen per
jaar leveren voor het Oost-Indisch Leger.
Om het verbod op de slavenhandel te kunnen omzeilen, hebben de
Nederlanders een gewiekste constructie opgezet: opdat de ,,rekruten'' zich formeel
zouden kunnen ,,vrijkopen'', krijgen ze een voorschot als ze een contract ondertekenen
dat hen in het leger doet belanden. Dat voorschot moeten ze later afbetalen
met hun soldij.
In ruil voor vuurwapens zou de Ashantijnse koning de Hollanders jaarlijks
duizend ,,rekruten'' bezorgen. Bij de onderhandelingen
geven de Nederlanders meteen tweeduizend geweren als onderpand, terwijl de
Ashantijnse koning zijn zoon Kwasi en diens neef Kwame, de toekomstige koning
van de Ashanti, meegeeft naar de Nederlanden. Kwasi
en Kwame belanden in Delft en worden daar als echte Hollanders opgevoed.
De onafscheidelijke prinsen verblijven van 1839 tot 1847 op een
kostschool en groeien al vlug uit tot de knapste leerlingen. ,,Buiten adem hebben
wij in de tijd van een paar jaar dezelfde afstand overbrugd, die de westerse
beschaving in de loop van millennia heeft afgesukkeld'', schrijft Kwasi
later aan zijn neef.
Hoewel ze uit een mondelinge cultuur komen, geraken ze vlug vertrouwd met
de taal, ,,het Hollandse gegorgel'', en leren ze het schrift. Door hun
razendsnelle ontwikkeling worden ze door hun studiegenoten nog vreemder
aangekeken. Ook de bevolking bekijkt de prinsen als een bezienswaardigheid.
Maar ze worden ook uitgelachen, gepest, geslagen en zelfs letterlijk
gebrandmerkt. Vooral Kwame kan zich moeilijk aanpassen. Als het ministerie van
Koloniën een portret van de twee Ashantijnse prinsen laat maken om het naar
Afrika te zenden, herinnert Kwasi zich later: ,,Twee jaar nadat Kwame en
ik de Goudkust verlieten, keerden wij dus als portretten terug (...). We
verlangden niets liever dan de plaats van onze afbeeldingen in te nemen. Maar
we waren inmiddels goed opgevoed en zwegen dus.''
Nog later worden de prinsen gedoopt. De dominee vindt hen ideale
missionarissen.
DE prinsen vinden vooral steun bij elkaar, maar ook wat soelaas en
genegenheid in de kringen van het hof, waar hun intelligentie en
gecultiveerdheid vlug wordt opgemerkt: ,,'Ce sont des sauvages bien élevés, maman!' zei
de erfprins vol bewondering.'' Vooral prinses Sophie, de dochter van
kroonprinses Anna Paulowna en de latere Willem II, wordt een onafscheidelijke
vriendin.
Maar de breuk blijft niet uit, en de tegenstellingen tussen de twee
culturen alsook de verscheurdheid die Kwasi en Kwame als gevolg daarvan
ondervinden, worden uitvergroot: in een circus wordt het ,,afschrikwekkende
Nuba-volk uit midden-Afrika'' getoond, Kwasi moet zwartepiet spelen, en aan de
universiteit van Leiden zien ze in een pot sterk water het hoofd van Badu
Bonsu, de bevriende koning van Ahanta.
Naar het einde van hun kostschooltijd toe, groeien ook de tegenstellingen
tussen Kwame en Kwasi. ,,Voor jou ben ik een wilde, die ze beschaving bij
moeten brengen. Jij bent voor mij een beschaafde, die wild geworden is'',
laat Kwame weten.
Kwame revolteert, want hij kan zich niet aanpassen. Kwasi probeert dat
wel: ,,De pijn was voor mij slechts te dragen wanneer ik mij geheel en al
afkeerde van mijn verleden.'' Maar dat zal hem niets opleveren. De twee eens
onafscheidelijke prinsen groeien uit elkaar.
Na de periode in Delft gaan de wegen van Kwame en Kwasi dan ook
letterlijk en figuurlijk uiteen. Kwame wil terug naar Afrika, maar hij blijft er
steken in de garnizoensplaats Elmina. Hij heeft te veel verleerd om zich in
Afrika terug aan te kunnen passen, de natuur is hem vreemd geworden en hij
krijgt waanvoorstellingen. Als na een paar jaar zijn broer koning wordt, pleegt
Kwame zelfmoord.
Maar Kwasi lijkt geen beter lot beschoren. Verscheurd tussen twee
culturen, wordt ook hij geïsoleerd en voor de tweede keer in zijn leven ontheemd.
In 1850 treedt hij als ambtenaar in koloniale dienst in Nederlands-Indië.
,,Alweer zou ik mij een nieuwe cultuur eigen moeten maken.''
Als mijnbouwingenieur wordt hij de secretaris van de tirannieke Cornelius
de Groot, een oud-studiegenoot uit Delft, die hem (ook nu weer)
mishandelt. Kwasi heeft zijn verleden afgewezen, en de Hollanders willen hem geen
toekomst geven. ,,Mijn moed is mij ontnomen door de overheid.'' In deze
passage verwijst Japin naar Douwes Dekker, een soortgelijke zaak van menselijk
onrecht.
Kwasi gaat zijn zaak bepleiten bij de koning in Nederland, maar vindt
geen gehoor. Hij zoekt hulp in Weimar, en Sophie vertelt hem dat hij en Kwame
destijds uit de gratie zijn gevallen door toedoen van Raden Saleh, de
hofschilder die tevens informant was voor de Nederlandse regering.
Kwasi krijgt uiteindelijk een landgoed op Zuidoost-Java, een afgeschreven
plantage waar de inboorlingen ruzie stoken en Ahim, de oud-dienstbode van
Douwes Dekker, hem te hulp komt.
HET is op deze Javaanse plantage dat de oude Kwasi zijn levensverhaal
schrijft. Deze passages vormen het kaderverhaal van de roman. Kwasi zit al
een halve eeuw op Java en daarom wil men hem vieren. Die viering zet hem
aan het denken: het komt door het ,,gepook in mijn verleden dat mij zulke
gedachten plagen''.
Kwasi is inderdaad een nors, gebroken en verbitterd man geworden: zijn
huisknecht Ahim noemt hij een serpent, zelden verlangt hij naar gezelschap.
Hij wil trouwens helemaal niet gevierd worden, want hij heeft genoeg van het
verleden. Hij is het gehoon van de ,,roddelzieke kliek'' Batavieren beu.
De ontknoping van het verhaal komt dichterbij als Adeline Renselaar zich
met de voorbereiding van het feest gaat bezighouden. Zij bezorgt Kwasi een
geheim dossier dat een brief bevat van de oud-adjunct-commissaris Van
Drunen aan de minister van Koloniën: Van Drunen nam indertijd ontslag om de dood
van Kwame en de ,,uitzichtloze positie'' van Kwasi. Van Drunen heeft het
over een staat die ,,alleen haar eigen kinderen voedt en die van anderen te
vondeling legt''. Pas nu beseft Kwasi welk wreed spel de Nederlandse
regering met hem gespeeld heeft.
De teneur van het verhaal lijkt dan ook duidelijk: hoewel Kwame
revolteerde en Kwasi de vernederingen aanvaardde, leidde dat in beide gevallen tot
niets. Kwame isoleerde zichzelf, Kwasi werd
geïsoleerd tot een leven zonder waarde en waardigheid.
MET De zwarte met het witte hart schreef Arthur Japin een
meeslepend en rijkelijk gedocumenteerd verhaal. Of de verhaalpassages zich
in de kostschool van Delft, de brousse van Afrika, de plantage op Java of
het hofleven in Weimar afspelen, Japin weet telkens de gepaste sfeer, de
,,couleur locale'' weer te geven.
De weelderige beschrijving van de woelige inlandse markt, de ontvangsten
van de Nederlanders bij de inlandse koningen en de onderhandelingen tussen
de stamhoofden en de westerlingen zijn pareltjes van vertelkunst.
In de bijna vierhonderd bladzijden van dit noodlotsdrama weet Japin er de
spanning in te houden en dat is op zich al een verdienste. Hij gebruikt
daartoe een rijke symboliek, talloze parallellen in de opbouw en een
filmische stijl. Bovendien doorspekt hij zijn relaas met dagboeknotities, legenden,
poëtische brieven en fragmenten uit reisverslagen. Ook de heldere,
beeldrijke taal en de vlotte compositie maken deze roman tot een verrijking voor
de Nederlandse literatuur.