Dat Japin veel herkende in het isolement van de twee zwarte prinsjes blijkt uit een interview dat hij gaf aan de VPRO-gids. Ook Japin kende een slechte jeugd. Mishandelingen op school en thuis zorgde voor een eenzame jeugd. ‘Wat met Kwasi gebeurde op die negentiende-eeuwse kostschool, is mij ook overkomen: brandmerken, martelen, mishandelen.’ Thuis was de toestand niet veel beter met een alcoholische vader die verschillende keren in een gesloten psychiatrische kliniek moest worden behandeld. Als Japin twaalf is, pleegt zijn vader zelfmoord. ‘Op het goede moment,’ aldus Japin.
Toch heeft Japin niet alleen negatieve gevoelens over zijn jeugd. Omdat zijn vader toneelrecensent was bij het Haarlems Dagblad kwam hij al heel jong in het theater. Van huis uit heeft hij dan ook een voorliefde voor theater, kunst en literatuur meegekregen. Hij gaat dan ook naar de toneelschool, eerst in Londen, later in Amsterdam. Japin had de ‘verkeerde’ gedachte dat hij ‘door een avond lang een ander persoon te spelen, aan mezelf kon ontsnappen’.
Het verhaal over de zwarte prinsen bood hij in eerste instantie aan
als een idee voor een scenario voor speelfilm. Dat voorstel werd
afgewezen, maar daardoor kwam hij wel in contact met de tv-wereld, waar
hij enkele scenario’s voor schreef.
Deel twee
Delft 1837 - 1839
De twee prinsen worden door Van Drunen naar kostschool Van Moock in
Delft gebracht. Hun namen worden meteen gelatiniseerd tot Aquasi en Quame.
Dankzij de warme aandacht van mevrouw van Moock en de bijlessen van
meneer van Moock weten de twee prinsen hun achterstand in recordtijd in
te halen. Onder hun klasgenoten ontmoeten ze vooral weerstand. Vooral
Verheeck treitert en pest hem voortdurend. Kwasi en Kwame worden
bij voortduring lichamelijk en geestelijk vernederd. De enige jongen die
openlijk tegen Verheeck durft in te gaan is Cornelius de Groot. Hij geeft
Aquasi bokslessen, zodat hij zich beter kan verdedigen. Quame trekt zich
steeds meer terug.
Er moet een portret gemaakt worden van de twee prinsen. Raden
Saleh, de hofschilder van die tijd, gaat het maken. Hij doet nogal
ongeïnteresseerd tegenover zijn modellen. Generaal majoor Verveer
vormt uiteindelijk het hart van het schilderij, waarin de prinsen een onderdanige
positie innemen.
Bij één van de sessies ontmoeten de prinsen grootvorstin
Anna Paulowna en haar dochter Sophie. Niet lang daarna krijgen
ze een uitnodiging om Sinterklaas te vieren aan het hof. Willem, de kroonprins
die speelt voor Zwarte Piet, is hevig geschokt als hij oog in oog komt
te staan met de twee zwarte prinsen.
Aan het verbond tussen Aquasi en Cornelius de Groot komt een eind als
De Groot niet en Aquasi wel in het rijtuig van Van Drunen mag meerijden.
Vanaf die tijd heeft Aquasi, die niets aan die vernedering deed, een vijand
erbij.
Deel drie
Delft 1839 - 1847
Aquasi voelt een steeds grotere liefde voor Sophie. De twee prinsen
zijn nu vaak op het hof. De liefde voor de prinses zorgt ook voor een steeds
grotere verwijdering tussen Aquasi en Quami. Aquasi vraagt zelfs een aparte
slaapkamer. Tot nog grotere onenigheid komt het als Aquasi later besluit
om voor Zwarte Piet te gaan spelen. Terwijl Aquasi zich steeds meer aanpast,
wijst Quame steeds meer op de verschillen. Die blijken overduidelijk als
ze tijdens een circusvoorstelling zien hoe zwarte mensen aan het gillende
publiek worden getoond: ‘Denkt u eraan dat het ten strengste verboden is
ze te voederen, ze komen namelijk zo uit het wild en eten slechts elkaar…’.
Het verdriet bij Aquasi is groot wanneer hij bemerkt dat Sophie trouwplannen
heeft met de Duitser Carl Alexander.
Aquasi gaat naar de Koninklijke Akademie om verder te studeren, Quame
volgt een jaar later; hij heeft teveel achterstand opgelopen. Aquasi ondergaat
een vreselijke ontgroening. Hij neemt zelfs een vernedering van Cornelius
de Groot over, maar die kan daarvoor slechts minachting opbrengen.
De twee prinsen worden gedoopt in de Oude Kerk in Delft.
Als de prinsen achttien jaar zijn gaan ze samen met een aantal studenten
naar de hoeren. Er gebeurt weinig. Op de terugweg ontzet Aquasi echter
een straatmeid die lastiggevallen wordt door een man. Dat blijkt
Cornelius de Groot te zijn.
Niet lang daarna wordt Aquasi in een hinderlaag gelokt. Hij wordt in
elkaar geslagen. Ondanks dat hij weet wie de daders zijn (hij ruikt het
schapenvet van De Groots laarzen, net als bij het opstootje bij de straatmeid)
houdt hij zijn mond tegenover de veldwachters. Aan de vechtpartij houdt
hij een slecht oog over.
Quame verruilt de Koninklijke Akademie voor de Militaire Akademie in
Den Haag. De carrière van Aquasi neemt een hoge vlucht als
hij wordt uitgekozen voor het prestigieuze bestuur van de studentenvereniging.
Bij zijn belangrijke eerste speech neemt hij afstand van zijn eigen volk
en haar gebruiken. Quame die onder het gehoor bevind, verlaat woedend de
zaal.
Deel vier
West-Afrika 1847-1850
Quame houdt in brieven zijn neef op de hoogte van zijn terugkeer naar
hun oude dorp. Aquasi zit in Weimar voor zijn studie; bovendien houdt hij
zo contact met Sophie. Uit de antwoorden van Quame op Aquasi blijkt het
leven in Weimar vaak paradijselijk. Beter in ieder geval dan het Quame
vergaat. Hij wordt niet door de koning ontvangen, omdat blijkt dat hij
zijn oude taal verleerd is. Tot hij het Twi weer kent moet hij op het fort
blijven en kan hij niet terug naar Kumasi.
Hij brengt zijn dagen schilderend door. Zijn verlangen naar Aquasi
is groot. Steeds vaker krijgt hij een hallucinerende drom waarin
zijn moeder hem bezoekt. Als uiteindelijk blijkt dat niet hij, maar en
ander de troonopvolger wordt weet hij dat zijn leven tot dan toe vrij nutteloos
is geweest. Hij pleegt zelfmoord.
Deel vijf
Java 1900
Door een list komen Adeline Renselaar en Aquasi in het kantoor van
meneer Renselaar. Ze lezen de officiële papieren mee waaruit blijkt
dat Aquasi wordt tegengewerkt. Uit een brief van Van
Drunen blijkt dat hij zijn ontslag aanbood, omdat Aquasi van hogerhand
wordt tegengewerkt.
Nederlands-Indië 1850-1855
De rouwplechtigheid in de Oude kerk loopt uit op een deceptie. Van
Drunen, die zichzelf verwijten maakt, is daar aanwezig, maar het hof laat
verstek gaan. Pas in de preek blijkt waarom: ‘zelfmoordenaars wacht de
hel’.
Aquasi gaat naar Nederlands-Indië als aspirant-ingenieur. Daar
wacht hem een onaangename verrassing. In plaats van het werk te doen waarvoor
hij geleerd heeft, wordt hij de secretaris van Cornelius de Groot, die
hem vernedert waar hij maar kan. Aquasi moet bijvoorbeeld mee-eten met
de bedienden. Aquasi schikt zich in zijn lot.
De Groot heeft vaak woede-aanvallen. Soms richten zich die op ondergeschikten.
Zo wil hij tijdens een expeditie inslaan op een jonge Indiër. Aquasi
vangt de zweepslag op. De jongste bediende hoort bij Douwes Dekker waar
De Groot en Aquasi gaan dineren. Mevrouw Douwes Dekker nodigt de prins
nadrukkelijk wel uit voor het diner. Douwes Dekker maakt een nogal afwezige
indruk. De jongste bediende, Ahim, verzorgt uiteindelijk Aquasi’s hand.
Java, Delft, Weimar, Java 1856-1962
De relatie tussen De Groot en Aquasi loopt steeds meer uit de hand.
Op een keer mishandelt De Groot Aquasi zo erg, dat hij denkt dat hij de
prins vermoord heeft. Hij laat Aquasi achter en geeft hem later als vermist
op. Aquasi komt echter terug, maar hij doet niets tegen zijn baas. Duymaer
van Twist, de gouverneur-generaal gelast een onderzoek. De uitkomsten van
dat onderzoek schaden de carrière van De Groot zeer.
Aquasi wil erachter komen waarom hij zo gedwarsboomd wordt en hij vertrekt
naar Nederland om te pleiten bij de koning. Aan het hof wordt hij afgepoeierd.
In Delft leert hij dat mijnheer van Moock is overleden.
In Weimar is de sfeer binnen een aantal jaren veranderd; er hangt een
patriottistische sfeer. De gedichten van Goethe en Schiller worden op een
oneigenlijke manier vereerd. Ook Sophie moet zich schikken naar de nieuwe
mores in het land. Aquasi krijgt nog wel van haar te horen waarom het hof
negatiever over zijn zaak is gaan staan. Het blijkt dat Raden Saleh jarenlang
een soort geheim rapporteur was voor de Nederlandse regering. Hij heeft
een negatief rapport naar Den Haag gestuurd, omdat Aquasi zich een keer
laatdunkend had uitgelaten over de machthebbers in Nederland.
Op Java krijgt Aquasi na jarenlang gesoebat om een schadeloosstelling
een stuk land toegewezen. Dat land is nauwelijks te gebruiken, maar Aquasi
zet zich met alle macht aan de aanplant van koffie. De bevolking is erg
weigerachtig en gaat zelfs staken voor een loonsverhoging. In blinde woede
ranselt Aquasi de oude leider van hen af. De enige die hem helpt is een
man waar hij meteen de stem herkent: Ahim
Java 1900
Heft feest gaat door. Speciaal voor deze gelegenheid heeft Adeline
Renselaar Van Drunen laten overkomen. Deze vertelt hem over de uiteindelijke
reden van de tegenwerking die Aquasi ondervond. ‘Het principe van noblesse
de peau, de verhevenheid van de blanke huid boven een andere, en van de
morele en intellectuele superioriteit van het witte ras boven het
bruine, waarop onze overheersing berust, zou een ernstige klap worden toegebracht,
wanneer Aquasi Boachi zou worden aangesteld in een aan blanken voorbehouden
functie met welke bevoegdheid dan ook.’ Dit schrijft Pahud, de opvolger
van de humane Duymaer van Twist.
‘Uw nieuws is vijftig jaar oud,’ zegt Aquasi.
Kwame of Quame
De neef van Aquasi en beoogd troonopvolger. In tegenstelling tot Aquasi
is Kwame veel kritischer ten opzichte van de Nederlandse cultuur. Regelmatig
is hij woedend op de manier waarop Aquasi zijn eigen volk verloochent.
Uit zijn brieven blijkt dat ook hij zich teveel heeft aangepast om nog
tot zijn oude volk te kunnen behoren. Op het laatst wordt hij langzaamaan
gek. Hij spreekt Twi en ziet in hallucinaties zijn moeder. Hij berooft
zich op een westerse manier van het leven, namelijk door zichzelf door
het hoofd te schieten.
Cornelius de Groot
Lijkt in eerste instantie de meest vriendelijke leerling in de
klas van Van Moock te zijn door op te komen voor de zwarte prinsen. Later,
na het koetsincident, wordt hij de grootste tegenstander van Aquasi, die
hem ook nog een keer vernedert op straat als hij net een straatmeid slaat.
De Groot mishandelt Aquasi een aantal keren. Hij lokt hem in Nederland
in een hinderlaag en schopt hem in elkaar. In Indië slaat hij Aquasi
een keer met een zweep en bezorgt hij hem een gebroken rib. Soms zitten
hij en Aquasi echter ook als oude vrienden samen te drinken.
Sophie
Het enige lid van het koninklijk huis dat zich veel gelegen laat liggen
aan de zwarte prinsen en in het bijzonder aan Aquasi. Als deze zijn liefde
laat blijken, weet zij echter dat dat een stap te ver is. Ze trouwt met
Carl-Alexander, maar blijft een warme genegenheid voelen voor Aquasi. Later
verkoelt de verhouding. Het duidelijkst blijkt dat op een bal waar zij
bij voortduring met een ander danst. De brieven die Aquasi haar later stuurt,
worden niet meer beantwoord.
Ahim
Bediende van Aquasi. Is eerst bediende van Douwes Dekker. Omdat Aquasi
hem helpt tegen de woede van De Groot schiet hij later Aquasi te
hulp als deze tevergeefs probeert het volk op zijn landerijen aan het werk
te krijgen. Ondanks dat zijn baas hem voortdurend koeioneert en afblaft,
blijft hij, brutaal als hij is, toch loyaal aan zijn werkgever.
Het verspringen van tijd in de roman heeft een spanningverhogende functie.
Als lezer wil je weten hoe de geschiedenis nu werkelijk in elkaar stak;
je wilt erachter komen hoe een zwarte prins eenzaam en verlaten in Indië
zit. Door telkens meer te vertellen over het verleden krijg je steeds meer
inzicht in de geschiedenis van Aquasi. In totaal wordt de geschiedenis
van 1836 tot 1900 verteld. Als lezer kom je weinig tot niets te weten
over de periode tussen 1862 en 1900.
Zwart-wit
De tegenstelling zwart-wit is natuurlijk een van de meest terugkomende
onderdelen in de roman. Uit de titel blijkt dat al. Letterlijk komt de
titel voor op blz. 85, waar een Indisch meisje tegen Aquasi zegt: ‘Jij,
zwarte met je witte hart.’ Een ontroerende uitspraak die tenietgedaan wordt
doordat het meisje meteen kijkt of Aquasi niet afgeeft.
Voor de rest zijn er in het hele boek verwijzingen te vinden naar de
problematiek tussen zwart en wit. De eerste zin van de roman luidt:
‘De eerste tien jaren van mijn leven was ik niet zwart.’ De laatste zin
op dezelfde bladzijde gaat in op deze problematiek als Aquasi zijn aanplant
bekijkt waar tussen het groen rode planten zijn gepoot: ‘Kleur heb je nooit
zelf, kleur krijg je door anderen.’
De prinsen van Oranje spelen voor Zwarte Piet. Willem wordt woedend
als hij geconfronteerd wordt met de echte prinsen. Hij gooit zijn
pet af en stormt weg. ‘Onder zijn blonde haar liep, midden over zijn
voorhoofd, een scherp aangezette lijn die de witte en de zwart gemaakte
huid scheidde. Wij wisten niet wat we zagen. Alsof hij half gevild was!’
(blz.139-140)
Ook in het dagelijkse leven blijft de schrik voor zwarte mensen onontkoombaar:
‘Moeders pakken hun kinderen beet als ik langswandel, alles met een knikje
en een glimlach. Koetsiers kalmeren hun paarden. Boerinnen slaan een kruisje.’
(blz. 211) De mogelijkheden die voor de prinsen openstaan zijn: profileren
of egaliseren (blz. 212).
Aquasi heeft een daguerreotypie laten maken. ‘Zwart, wit, zwart, wit
verscheen ik voor mijn eigen ogen, zwart, wit, besluiteloos. (…)Maar wat
ik ook probeerde, ze bleven allebei zichtbaar, Kwasi en Aquasi. Zwart,
wit, zwart, wit, zwart, wit. Zo draagt die ene afbeelding twee jongemannen
in zich, een blanke met een zwarte schaduw, een donkere met een witte zielenschim.’
(blz. 223)
Het portret van de beide prinsen wordt door de zoute nevel in West-Afrika
aangetast. ‘We hebben een bepaald ongezond uiterlijk gekregen, wit uitgeslagen
als we zijn.’ (blz. 231)
Quame meldt zich als vrijwilliger om de muren van het fort te witten.
(blz. 261)
Verraad
Op een aantal momenten staat Aquasi min of meer als een verrader
tegenover zijn neef. Dat blijkt ondermeer als Aquasi voor Zwarte Piet
speelt en Quame op zijn weg vindt. ‘Hij stond stokstijf te midden van het
tumult met gebalde vuisten. Misschien huilde hij ook wel. In elk geval
sloeg hij mijn muts van mijn hoofd, rukte als een gek aan mijn jak tot
het scheurde, waarna hij wegholde.’ (blz. 179)
Het hoogtepunt van het verraad vindt plaats als Aquasi in zijn toespraak
als bestuurder van de studentenvereniging een verhandeling geeft over zijn
eigen volk. Het volk is dom en hoogst bijgelovig, en van deze twee gebreken
trekken hun priesters meesterlijk voordeel, om de mensen allerlei vreemde
en ongehoorde begrippen in te prenten en hen zo dus nog dommer en bijgeloviger
te maken dan ze al zijn.’
Zie ook de scène op blz. 161.
Isolement
Niet alleen Aquasi komt op het einde van zijn leven in een isolement
terecht. Er zijn meer figuren die door de omstandigheden gedwongen in een
geïsoleerde positie leven. Kwame is na zijn terugkeer in Afrika eveneens
vereenzaamd. Hij krijgt dromen waarin zijn moeder hem komt bezoeken.
Anna Paulowna leeft erg eenzaam aan het hof. Van Drunen zet zich af
tegen de geldende regels en trekt zich terug uit de actieve dienst. Zelfs
Cornelius de Groot kun je een eenzaam man noemen. Het huwelijk is zijn
enige troost en hij verliest juist twee echtgenotes.
Stijl
Het verslag dat Aquasi geeft van zijn leven lijkt nogal koel te zijn
opgeschreven. Dat komt onder meer door de verleden tijd waarin hij het
vertelt. De verteller kijkt achteraf naar de gebeurtenissen en heeft dus
de zaken al overdacht. De taal van de roman is twintigste-eeuws,
alleen in documenten komen nogal verouderde woorden voor als bijv: ‘onweder’.
Dat maakt de documenten authentieker.
Het is wel opvallend dat de vertelling zo weinig warrig is, want wanneer
Aquasi dit echt allemaal op schrift stelt als hij drieënzeventig is,
dan heeft hij een bewonderenswaardige manier van uitdrukken. De warrigheid
die blijkt uit de wijze waarop hij met Ahim omgaat en uit de reacties van
anderen wanneer hij voor de zoveelste keer het verhaal van het begin van
zijn stam vertelt, zit niet in de rest van de roman.
Japin laat Aquasi een voorkeur hebben voor de meer plechtstatige woorden.
Liever ‘plaatsnemen’ dan ‘zitten’, ‘veinzen’ in plaats van ‘doen alsof’,
‘resteren’ in plaats van ‘overblijven’ (zie blz. 184).
De kritiek
Janet Luis spreekt in Nrc Handelsblad van een ‘mooie roman’.
Ze vergelijkt de roman in eerste instantie met de eveneens op feiten gebaseerde
‘De redder van Afrika’ van Guus Kuyer. Ook daarin wordt een zwarte slaaf
naar Holland gestuurd, die later gekerstend en wel terugkeert als missionaris.
Het centrale thema in ‘De zwarte met het witte hart’ noemt Luis discriminatie.
Daarnaast schrijft ze: ‘De roman is met veel inlevingsvermogen geschreven
en tegelijk met een waardig soort afstandelijkheid, die negentiende-eeuws
aandoet, maar niet belegen. Een neutrale en zelfs montere toon overheerst.’
Jan Blokker sluit zich in De Volkskrant aan bij de lovende kritiek,
alhoewel hij moeite heeft met het begin dat bij tijden neigt ‘tot iets
dat in de buurt van omslachtigheid komt’. Als centraal thema noemt hij
‘de onmogelijkheid van volledige acculturatie’. Uiteindelijk vindt hij
het boek ‘een hoogst actueel, en alleen al daarom een gedenkwaardige
roman, met een donkere boodschap voor iedereen die in naïeve bevlogenheid
de zegeningen predikt van een multiculturele samenleving’.
Frank van Dijl in het AD schrijft: ‘Het boek ontroert, het laat zich
lezen als een thriller, het werpt een onthutsende blik op ons koloniale
verleden.’
Maar er zijn ook negatieve geluiden. Jeroen Vullings in Vrij Nederland.
Volgens hem ‘zucht Japins roman onder de ambitie Belangrijke Literatuur
te willen zijn. Hij wil het zo keurig volgens de regels doen, waardoor
het eindresultaat school uitpakt.’ ‘Ook de thematiek is grondig bedacht
en wordt uitentreuren in doorzichtige symboliek weerkaatst.’
Filip Devos spreekt in de Vlaamse krant De Standaard echter van een
‘Prachtige koloniale roman’. Volgens hem gebruikt Japin juist ‘een
rijke symboliek’. ‘Ook de heldere, beeldrijke taal en de vlotte compositie
maken deze roman tot een verrijking voor de Nederlandse literatuur.’
Japins roman stond in 1997 op de shortlist voor de Generale Bank Literatuurprijs.
In 1998 won het boek de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.
1997 ‘De zwarte met het witte hart’, roman, De Arbeiderspers
- Janet Luis, ‘Zwart wordt men pas in een lichte omgeving’, Nrc Handelsblad, 20 juli 1997
- Jan Blokker, ‘Parabel van de zwarte prinsjes’, De Volkskrant, 13 juli 1997
- Jeroen Vullings, ‘Van zwarte prinsjes en wit cynisme’, Vrij Nederland, 12 juli 1997
- Filip Devos, ‘Een zwart prinsenverhaal’, De Standaard, 14 augustus 1997
- Juryrapport Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1998
Coen Peppelenbos