Arhtur Japin De zwarte met het witte hart


Oorspronkelijke uitgave uitgeverij De Arbeiderspers, 1997
De zevende druk werd gebruikt voor deze bespreking.
De schrijver
Arthur Japin  (1956) is laat begonnen met schrijven lijkt het, want zijn debuut de verhalenbundel ‘Magonische verhalen verscheen pas in 1996.  Toch schrijft hij al een aantal jaren toneelstukken, hoorspelen en scenario’s voor tv-drama’s. Het idee voor de roman ‘De zwarte met het witte hart’ kreeg Japin al tien jaar voor dat het uitkwam van een vriend. Deze vriend uit Ghana vertelde hem het verhaal over twee Ashantijnse prinsjes die naar Nederland waren verscheept.

Dat Japin veel herkende in het isolement van de twee zwarte prinsjes blijkt uit een interview dat hij gaf aan de VPRO-gids. Ook Japin kende een slechte jeugd. Mishandelingen op school en thuis zorgde voor een eenzame jeugd. ‘Wat met Kwasi gebeurde op die negentiende-eeuwse kostschool, is mij ook overkomen: brandmerken, martelen, mishandelen.’  Thuis was de toestand niet veel beter met een alcoholische vader die verschillende keren in een gesloten psychiatrische kliniek moest worden behandeld. Als Japin twaalf is, pleegt zijn vader zelfmoord. ‘Op het goede moment,’ aldus Japin.

Toch heeft Japin niet alleen negatieve gevoelens over zijn jeugd. Omdat zijn vader toneelrecensent was bij het Haarlems Dagblad kwam hij al heel jong in het theater. Van huis uit heeft hij dan ook een voorliefde voor theater, kunst en literatuur meegekregen. Hij gaat dan ook naar de toneelschool, eerst in Londen, later in Amsterdam. Japin had de ‘verkeerde’ gedachte dat hij ‘door een avond lang een ander persoon te spelen, aan mezelf kon ontsnappen’.

Het verhaal over de zwarte prinsen bood hij in eerste instantie aan als een idee voor een scenario voor  speelfilm. Dat voorstel werd afgewezen, maar daardoor kwam hij wel in contact met de tv-wereld, waar hij enkele scenario’s voor  schreef.
 
 

Inhoud van ‘De zwarte met het witte hart’

Deel een
Java 1900 – Aquasi Boachi, prins van het rijk Ashanti, is drieënzeventig jaar en woont op Java. Hij is een wat brommerige oude man die in zijn dagboek de alledaagse voorvallen beschrijft. Zo doet hij nogal narrig tegen Ahim, zijn enig overgebleven bediende. Uit zijn dagelijkse sluimerbestaan wordt hij wakker gemaakt door Adeline Renselaar die speciaal voor hem een feest wil geven. Aquasi wil niet, zijn vijftigjarige ambtsjubileum betekent ook dat zijn neef  vijftig jaar geleden Kwame stierf.
West-Afrika 1836-1837
De vader van Kwasi is koning van het Ashantijnse rijk. Dit is hij geworden nadat de vader van Kwame is omgekomen bij een slag. Aan het hof komen soms Europeanen die sinds de slavernij is afgeschaft andere wegen zoeken om aan mensen te komen. Kwasi en Kwame  vinden vooral troost bij elkaar. Kwasi, omdat zijn broers zijn meegegeven aan de Engelsen en Kwame, omdat hij de dood van zijn vader te betreuren heeft.
Een Nederlands gezantschap, waarin adjunct-commissaris Van Drunen zit, maakt  zijn opwachting bij de koning. In ruil voor ‘rekruten’ (lees slaven) leveren de Nederlanders vuurwapens aan de koning.  Hij krijgt alvast tweeduizend geweren en goud. In ruil daarvoor besluit de koning om zijn zoon Kwasi en zijn neef Kwame, de troonopvolger, mee te geven aan de Hollanders als onderpand.
Kwasi en Kwame gaan allereerst naar het fort, waar ze in plaats van hun eigen kleding onhandig schurende kleren aan moeten trekken. Ze leren alvast een psalm, die ze half zo leuk niet vinden als hun eigen liedjes. Alhoewel Van Drunen hen vol eerbied blijft behandelen zien ze ook de andere kant van de Hollanders, als ze een zwarte koning in het gevang geworpen zien worden. Als Kwame hem wil bezoeken wordt hij bespuugd.
Java 1900
Adeline Renselaar blijft erop aandringen dat het jubileum van Aquasi gevierd moet worden. Uit haar hele houding spreekt medelijden. Haar eigen man staat sceptisch tegenover het hele feest. Er bestaan rapporten waaruit moet blijken waarom de carrière van Aquasi in Indië gedwarsboomd werd.

Deel twee
Delft 1837 - 1839
De twee prinsen worden door Van Drunen naar kostschool Van Moock in Delft gebracht. Hun namen worden meteen gelatiniseerd tot Aquasi en Quame. Dankzij de warme aandacht  van mevrouw van Moock en de bijlessen van meneer van Moock weten de twee prinsen hun achterstand in recordtijd in te halen. Onder hun klasgenoten ontmoeten ze vooral weerstand. Vooral  Verheeck  treitert en pest hem voortdurend. Kwasi en Kwame worden bij voortduring lichamelijk en geestelijk vernederd. De enige jongen die openlijk tegen Verheeck durft in te gaan is Cornelius de Groot. Hij geeft  Aquasi bokslessen, zodat hij zich beter kan verdedigen. Quame trekt zich steeds meer terug.
Er moet een portret gemaakt  worden van de twee prinsen. Raden Saleh, de hofschilder van die tijd,  gaat het maken. Hij doet nogal ongeïnteresseerd tegenover zijn modellen. Generaal majoor Verveer vormt uiteindelijk het hart van het schilderij, waarin de prinsen een onderdanige positie innemen.
Bij één van de sessies ontmoeten de prinsen grootvorstin Anna Paulowna  en  haar dochter Sophie. Niet lang daarna krijgen ze een uitnodiging om Sinterklaas te vieren aan het hof. Willem, de kroonprins die speelt voor Zwarte Piet, is hevig geschokt als hij oog in oog komt te staan met de twee zwarte prinsen.
Aan het verbond tussen Aquasi en Cornelius de Groot komt een eind als De Groot niet en Aquasi wel  in het rijtuig van Van Drunen mag meerijden. Vanaf die tijd heeft Aquasi, die niets aan die vernedering deed, een vijand erbij.

Deel drie
Delft 1839 - 1847
Aquasi voelt een steeds grotere liefde voor Sophie. De twee prinsen zijn nu vaak op het hof. De liefde voor de prinses zorgt ook voor een steeds grotere verwijdering tussen Aquasi en Quami. Aquasi vraagt zelfs een aparte slaapkamer. Tot nog grotere onenigheid komt het als Aquasi later besluit om voor Zwarte Piet te gaan spelen. Terwijl Aquasi zich steeds meer aanpast, wijst Quame steeds meer op de verschillen. Die blijken overduidelijk als ze tijdens een circusvoorstelling zien hoe zwarte mensen aan het gillende publiek worden getoond: ‘Denkt u eraan dat het ten strengste verboden is ze te voederen, ze komen namelijk zo uit het wild en eten slechts elkaar…’.
Het verdriet bij Aquasi is groot wanneer hij bemerkt dat Sophie trouwplannen heeft met de Duitser Carl Alexander.
Aquasi gaat naar de Koninklijke Akademie om verder te studeren, Quame volgt een jaar later; hij heeft teveel achterstand opgelopen. Aquasi ondergaat een vreselijke ontgroening. Hij neemt zelfs een vernedering van Cornelius de Groot over, maar die kan daarvoor slechts minachting opbrengen.
De twee prinsen worden gedoopt in de Oude Kerk in Delft.
Als de prinsen achttien jaar zijn gaan ze samen met een aantal studenten naar de hoeren. Er gebeurt weinig. Op de terugweg ontzet Aquasi echter een straatmeid die lastiggevallen wordt door  een man. Dat blijkt Cornelius de Groot te zijn.
Niet lang daarna wordt Aquasi in een hinderlaag gelokt. Hij wordt in elkaar geslagen. Ondanks dat hij weet wie de daders zijn (hij ruikt het schapenvet van De Groots laarzen, net als bij het opstootje bij de straatmeid) houdt hij zijn mond tegenover de veldwachters. Aan de vechtpartij houdt hij een slecht oog over.
Quame verruilt de Koninklijke Akademie voor de Militaire Akademie in Den Haag.  De carrière van Aquasi neemt een hoge vlucht als hij wordt uitgekozen voor het prestigieuze bestuur van de studentenvereniging. Bij zijn belangrijke eerste speech neemt hij afstand van zijn eigen volk en haar gebruiken. Quame die onder het gehoor bevind, verlaat woedend de zaal.

Deel vier
West-Afrika 1847-1850
Quame houdt in brieven zijn neef op de hoogte van zijn terugkeer naar hun oude dorp. Aquasi zit in Weimar voor zijn studie; bovendien houdt hij zo contact met Sophie. Uit de antwoorden van Quame op Aquasi blijkt het leven in Weimar vaak paradijselijk. Beter in ieder geval dan het Quame vergaat. Hij wordt niet door de koning ontvangen, omdat blijkt dat hij zijn oude taal verleerd is. Tot hij het Twi weer kent moet hij op het fort blijven en kan hij niet terug naar Kumasi.
Hij brengt zijn dagen schilderend door. Zijn verlangen naar Aquasi is groot. Steeds vaker krijgt  hij een hallucinerende drom waarin zijn moeder hem bezoekt. Als uiteindelijk blijkt dat niet hij, maar en ander de troonopvolger wordt weet hij dat zijn leven tot dan toe vrij nutteloos is geweest. Hij pleegt zelfmoord.

Deel vijf
Java 1900
Door een list komen Adeline Renselaar en Aquasi in het kantoor van meneer Renselaar. Ze lezen de officiële papieren mee waaruit blijkt dat  Aquasi wordt tegengewerkt. Uit een  brief  van Van Drunen blijkt dat hij zijn ontslag aanbood, omdat Aquasi van hogerhand wordt tegengewerkt.
Nederlands-Indië 1850-1855
De rouwplechtigheid in de Oude kerk loopt uit op een deceptie. Van Drunen, die zichzelf verwijten maakt, is daar aanwezig, maar het hof laat verstek gaan. Pas in de preek blijkt waarom: ‘zelfmoordenaars wacht de hel’.
Aquasi gaat naar Nederlands-Indië als aspirant-ingenieur. Daar wacht hem een onaangename verrassing. In plaats van het werk te doen waarvoor hij geleerd heeft, wordt hij de secretaris van Cornelius de Groot, die hem vernedert waar hij maar kan. Aquasi moet bijvoorbeeld mee-eten met de bedienden. Aquasi schikt zich in zijn lot.
De Groot heeft vaak woede-aanvallen. Soms richten zich die op ondergeschikten. Zo wil hij tijdens een expeditie inslaan op een jonge Indiër. Aquasi vangt de zweepslag op. De jongste bediende hoort bij Douwes Dekker waar De Groot en Aquasi gaan dineren. Mevrouw Douwes Dekker nodigt de prins nadrukkelijk wel uit voor het diner. Douwes Dekker maakt een nogal afwezige indruk. De jongste bediende, Ahim, verzorgt uiteindelijk Aquasi’s hand.
Java, Delft, Weimar, Java 1856-1962
De relatie tussen De Groot en Aquasi loopt steeds meer uit de hand. Op een keer mishandelt De Groot Aquasi zo erg, dat hij denkt dat hij de prins vermoord heeft. Hij laat Aquasi achter en geeft hem later als vermist op. Aquasi komt echter terug, maar hij doet niets tegen zijn baas. Duymaer van Twist, de gouverneur-generaal gelast een onderzoek. De uitkomsten van dat onderzoek schaden de carrière van De Groot zeer.
Aquasi wil erachter komen waarom hij zo gedwarsboomd wordt en hij vertrekt naar Nederland om te pleiten bij de koning. Aan het hof wordt hij afgepoeierd. In Delft leert hij dat mijnheer van Moock is overleden.
In Weimar is de sfeer binnen een aantal jaren veranderd; er hangt een patriottistische sfeer. De gedichten van Goethe en Schiller worden op een oneigenlijke manier vereerd. Ook Sophie moet zich schikken naar de nieuwe mores in het land. Aquasi krijgt nog wel van haar te horen waarom het hof  negatiever over zijn zaak is gaan staan. Het blijkt dat Raden Saleh jarenlang een soort geheim rapporteur was voor de Nederlandse regering. Hij heeft een negatief rapport naar Den Haag gestuurd, omdat Aquasi zich een keer laatdunkend had uitgelaten over de machthebbers in Nederland.
Op Java krijgt Aquasi na jarenlang gesoebat om een schadeloosstelling een stuk land toegewezen. Dat land is nauwelijks te gebruiken, maar Aquasi zet zich met alle macht aan de aanplant van koffie. De bevolking is erg weigerachtig en gaat zelfs staken voor een loonsverhoging. In blinde woede ranselt Aquasi de oude leider van hen af. De enige die hem helpt is een man waar hij meteen de stem herkent: Ahim
Java 1900
Heft feest gaat door. Speciaal voor deze gelegenheid heeft Adeline Renselaar  Van Drunen laten overkomen. Deze vertelt hem over de uiteindelijke reden van de tegenwerking die Aquasi ondervond. ‘Het principe van noblesse de peau, de verhevenheid van de blanke huid boven een andere, en van de morele en intellectuele superioriteit  van het witte ras boven het bruine, waarop onze overheersing berust, zou een ernstige klap worden toegebracht, wanneer Aquasi Boachi zou worden aangesteld in een aan blanken voorbehouden functie met welke bevoegdheid dan ook.’ Dit schrijft Pahud, de opvolger van de humane Duymaer van Twist.
‘Uw nieuws is vijftig jaar oud,’ zegt Aquasi.

Personages

Kwasi  of Aquasi Boachi
Typische ‘nobele wilde’. Past zich binnen de kortste keren aan. De Nederlandse gebruiken neemt hij zonder commentaar over. Pas als hij heel erg vernederd wordt, komt hij in opstand. Zowel in de kostschool als later in Indië verzet hij zich pas op een laat moment tegen de ontstane situatie. Zijn eergevoel wordt keer op keer gekwetst, zowel door zijn neef Kwame, die zijn aanpassing afkeurt, als door Cornelius de Groot die zijn eigen vernederingen lijkt te wreken. Keer op keer gelooft Aquasi dat er wel verandering zal komen in zijn situatie, zonder dat hij in opstand komt. Hij lijkt nogal naïef van vertrouwen. De enige keer dat hij zich meteen verzet, levert hem nogal wat hoon op. Bij de passage van de evenaar weigert hij mee te doen aan de doop die erbij hoort. Toch is zijn meegaandheid ook een truc blijkt uit een brief aan Kwame: ‘Jij verweet me dat ik een te dikke huid heb en me alles maar laat welgevallen. Het tegendeel is waar. Het schild dat mij beschermt, is te dun. Het laat de kleinste gevoeligheden door. Ik heb alleen afgeleerd kwaad te worden, waardoor het voor anderen lijkt of je niet te kwetsen bent.’
Zowel Sophie, als later de blanke vrouwen in Indië laten hem links liggen. Uiteindelijk legt hij zich bij zijn lot neer.

Kwame of  Quame
De neef van Aquasi en beoogd troonopvolger. In tegenstelling tot Aquasi is Kwame veel kritischer ten opzichte van de Nederlandse cultuur. Regelmatig is hij woedend op de manier waarop Aquasi zijn eigen volk verloochent. Uit zijn brieven blijkt dat ook hij zich teveel heeft aangepast om nog tot zijn oude volk te kunnen behoren. Op het laatst wordt hij langzaamaan gek. Hij spreekt Twi en ziet in hallucinaties zijn moeder. Hij berooft zich op een westerse manier van het leven, namelijk door zichzelf door het hoofd te schieten.

Cornelius de Groot
Lijkt in eerste instantie  de meest vriendelijke leerling in de klas van Van Moock te zijn door op te komen voor de zwarte prinsen. Later, na het koetsincident, wordt hij de grootste tegenstander van Aquasi, die hem ook nog een keer vernedert op straat als hij net een straatmeid slaat. De Groot mishandelt Aquasi een aantal keren. Hij lokt hem in Nederland in een hinderlaag en schopt hem in elkaar. In Indië slaat hij Aquasi een keer met een zweep en bezorgt hij hem een gebroken rib. Soms zitten hij en Aquasi echter ook als oude vrienden samen te drinken.

Sophie
Het enige lid van het koninklijk huis dat zich veel gelegen laat liggen aan de zwarte prinsen en in het bijzonder aan Aquasi. Als deze zijn liefde laat blijken, weet zij echter dat dat een stap te ver is. Ze trouwt met Carl-Alexander, maar blijft een warme genegenheid voelen voor Aquasi. Later verkoelt de verhouding. Het duidelijkst blijkt dat op een bal waar zij bij voortduring met een ander danst. De brieven die Aquasi haar later stuurt, worden niet meer beantwoord.

Ahim
Bediende van Aquasi. Is eerst bediende van Douwes Dekker. Omdat Aquasi hem helpt  tegen de woede van De Groot schiet hij later Aquasi te hulp als deze tevergeefs probeert het volk op zijn landerijen aan het werk te krijgen. Ondanks dat zijn baas hem voortdurend koeioneert en afblaft, blijft hij, brutaal als hij is, toch loyaal aan zijn werkgever.
 

Perspectief

Het hele boek door wordt vanuit een ik-perspectief behandeld. Aquasi vertelt zijn levensverhaal aan de hand van dagboekaantekeningen en documenten en door zijn verhaal op schrift te stellen voor Adeline Renselaar. Door  bijvoorbeeld brieven van Kwame in te voegen verspringt het ik-perspectief naar een ander personage, maar die stukken passen binnen het vertelstandpunt van Aquasi, die immers  in een poging om het verleden helder te krijgen al zijn oude spullen weer doorneemt.
 

Tijd

Het onderdeel tijd kan op twee manieren behandeld worden: de historiciteit van de teksten en de verspringende verteltijden in de roman.
Uit het nawoord blijkt dat Japin zich uitvoerig gedocumenteerd heeft. De historische figuren, zoals de leden van het huis van Oranje, Eduard Douwes Dekker en de sprookjesschrijver Andersen  zijn allemaal bestaande mensen. Ook het verhaal van de twee prinsen is berust op een werkelijke transactie van de Hollanders. De authenticiteit probeert Japin te onderstrepen door meer dan eens officiële stukken op te nemen in het boek (zie bijvoorbeeld de brief van generaal-majoor Verveer op blz. 65).

Het verspringen van tijd in de roman heeft een spanningverhogende functie. Als lezer wil je weten hoe de geschiedenis nu werkelijk in elkaar stak; je wilt erachter komen hoe een zwarte prins eenzaam en verlaten in Indië zit. Door telkens meer te vertellen over het verleden krijg je steeds meer inzicht in de geschiedenis van Aquasi. In totaal wordt de geschiedenis van 1836 tot 1900 verteld. Als lezer  kom je weinig tot niets te weten over de periode tussen 1862 en 1900.
 

Ruimte

Aan de beschrijving van de ruimtes in Afrika, Nederland en Indië wordt veel aandacht besteed door zelfs heel kleine details toe te voegen. De lezer krijgt  bijvoorbeeld precies te weten waar de jongenskostschool van Van Moock is gevestigd, namelijk aan de Oude Delft nummer 161.
Het ligt voor de hand om het eigen dorp Kumasi als een paradijs te zien waaruit de prinsen wreed zijn weggehaald.
Er is dan ook een grote tegenstelling tussen het warme en zindelijke Afrika en het stijve en koude Holland. De kleine kamertjes en huisjes lijken typerend te zijn voor onze cultuur. De prinsen bewegen zich dan ook met gemak aan het hof, een vergelijkbare situatie met thuis.
Indië heeft al het karakter van een verloren paradijs, waar de bevolking is onderworpen aan de grillen van de blanke bestuurders.
 

Thema’s en motieven

Het thema van deze roman is: de onmogelijkheid om je volledig aan te passen aan een ander volk. Zowel Aquasi en Quame ondervinden hoe zij ontworteld zijn van hun eigen volk. Bij de Nederlanders vinden zij uiteindelijk wel een warm onthaal, tot aan het hof toe zelfs, maar zij worden keer op keer geconfronteerd met hun lagere status.

Zwart-wit
De tegenstelling zwart-wit is natuurlijk een van de meest terugkomende onderdelen in de roman. Uit de titel blijkt dat al. Letterlijk komt de titel voor op blz. 85, waar een Indisch meisje tegen Aquasi zegt: ‘Jij, zwarte met je witte hart.’ Een ontroerende uitspraak die tenietgedaan wordt doordat het meisje meteen kijkt of Aquasi niet afgeeft.
Voor de rest zijn er in het hele boek verwijzingen te vinden naar de problematiek tussen zwart en wit.  De eerste zin van de roman luidt:  ‘De eerste tien jaren van mijn leven was ik niet zwart.’ De laatste zin op dezelfde bladzijde gaat in op deze problematiek als Aquasi zijn aanplant bekijkt waar tussen het groen rode planten zijn gepoot: ‘Kleur heb je nooit zelf, kleur krijg je door anderen.’
De prinsen van Oranje spelen voor Zwarte Piet. Willem wordt woedend als hij geconfronteerd wordt met  de echte prinsen. Hij gooit zijn pet af en stormt weg. ‘Onder zijn blonde haar liep, midden  over zijn voorhoofd, een scherp aangezette lijn die de witte en de zwart gemaakte huid scheidde. Wij wisten niet wat we zagen. Alsof hij half gevild was!’ (blz.139-140)
Ook in het dagelijkse leven blijft de schrik voor zwarte mensen onontkoombaar: ‘Moeders pakken hun kinderen beet als ik langswandel, alles met een knikje en een glimlach. Koetsiers kalmeren hun paarden. Boerinnen slaan een kruisje.’ (blz. 211) De mogelijkheden die voor de prinsen openstaan zijn: profileren of egaliseren (blz. 212).
Aquasi heeft een daguerreotypie laten maken. ‘Zwart, wit, zwart, wit verscheen ik voor mijn eigen ogen, zwart, wit, besluiteloos. (…)Maar wat ik ook probeerde, ze bleven allebei zichtbaar, Kwasi en Aquasi. Zwart, wit, zwart, wit, zwart, wit. Zo draagt die ene afbeelding twee jongemannen in zich, een blanke met een zwarte schaduw, een donkere met een witte zielenschim.’ (blz. 223)
Het portret van de beide prinsen wordt door de zoute nevel in West-Afrika aangetast. ‘We hebben een bepaald ongezond uiterlijk gekregen, wit uitgeslagen als we zijn.’ (blz. 231)
Quame meldt zich als vrijwilliger om de muren van het fort te witten. (blz. 261)

Verraad
Op een aantal momenten staat Aquasi  min of meer als een verrader tegenover zijn neef. Dat blijkt ondermeer als Aquasi voor Zwarte Piet  speelt en Quame op zijn weg vindt. ‘Hij stond stokstijf te midden van het tumult met gebalde vuisten. Misschien huilde hij ook wel. In elk geval sloeg hij mijn muts van mijn hoofd, rukte als een gek aan mijn jak tot het scheurde, waarna hij wegholde.’ (blz. 179)
Het hoogtepunt van het verraad vindt plaats als Aquasi in zijn toespraak als bestuurder van de studentenvereniging een verhandeling geeft over zijn eigen volk. Het volk is dom en hoogst bijgelovig, en van deze twee gebreken trekken hun priesters meesterlijk voordeel, om de mensen allerlei vreemde en ongehoorde begrippen in te prenten en hen zo dus nog dommer en bijgeloviger te maken dan ze al zijn.’
Zie ook de scène op blz. 161.

Isolement
Niet alleen Aquasi komt op het einde van zijn leven in een isolement terecht. Er zijn meer figuren die door de omstandigheden gedwongen in een geïsoleerde positie leven. Kwame is na zijn terugkeer in Afrika eveneens vereenzaamd. Hij krijgt dromen waarin zijn moeder hem komt bezoeken.
Anna Paulowna leeft erg eenzaam aan het hof. Van Drunen zet zich af tegen de geldende regels en trekt zich terug uit de actieve dienst. Zelfs Cornelius de Groot kun je een eenzaam man noemen. Het huwelijk is zijn enige troost en hij verliest juist twee echtgenotes.

Stijl
Het verslag dat Aquasi geeft van zijn leven lijkt nogal koel te zijn opgeschreven. Dat komt onder meer door de verleden tijd waarin hij het vertelt. De verteller kijkt achteraf naar de gebeurtenissen en heeft dus de zaken al overdacht. De taal  van de roman is twintigste-eeuws, alleen in documenten komen nogal verouderde woorden voor als bijv: ‘onweder’.  Dat maakt de documenten authentieker.
Het is wel opvallend dat de vertelling zo weinig warrig is, want wanneer Aquasi dit echt allemaal op schrift stelt als hij drieënzeventig is, dan heeft hij een bewonderenswaardige manier van uitdrukken. De warrigheid die blijkt uit de wijze waarop hij met Ahim omgaat en uit de reacties van anderen wanneer hij voor de zoveelste keer het verhaal van het begin van zijn stam vertelt, zit niet in de rest van de roman.
Japin laat Aquasi een voorkeur hebben voor de meer plechtstatige woorden. Liever ‘plaatsnemen’ dan ‘zitten’, ‘veinzen’ in plaats van ‘doen alsof’, ‘resteren’ in plaats van ‘overblijven’ (zie blz. 184).

De kritiek
Janet  Luis spreekt in Nrc Handelsblad van een ‘mooie roman’. Ze vergelijkt de roman in eerste instantie met de eveneens op feiten gebaseerde ‘De redder van Afrika’ van Guus Kuyer. Ook daarin wordt een zwarte slaaf naar Holland gestuurd, die later gekerstend en wel terugkeert als missionaris. Het centrale thema in ‘De zwarte met het witte hart’ noemt Luis discriminatie. Daarnaast schrijft ze: ‘De roman is met veel inlevingsvermogen geschreven en tegelijk met een waardig soort afstandelijkheid, die negentiende-eeuws aandoet, maar niet belegen. Een neutrale en zelfs montere toon overheerst.’
Jan Blokker sluit zich in De Volkskrant aan bij de lovende kritiek, alhoewel hij moeite heeft met het begin dat bij tijden neigt ‘tot iets dat in de buurt van omslachtigheid komt’. Als centraal thema noemt hij ‘de onmogelijkheid van volledige acculturatie’. Uiteindelijk vindt hij het boek ‘een hoogst actueel, en alleen al daarom  een gedenkwaardige roman, met een donkere boodschap voor iedereen die in naïeve bevlogenheid de zegeningen predikt van een multiculturele samenleving’.
Frank van Dijl in het AD schrijft: ‘Het boek ontroert, het laat zich lezen als een thriller, het werpt een onthutsende blik op ons koloniale verleden.’
Maar er zijn ook negatieve geluiden. Jeroen Vullings in Vrij Nederland. Volgens hem ‘zucht Japins roman onder de ambitie Belangrijke Literatuur te willen zijn. Hij wil het zo keurig volgens de regels doen, waardoor het eindresultaat school uitpakt.’ ‘Ook de thematiek is grondig bedacht en wordt uitentreuren in doorzichtige symboliek weerkaatst.’
Filip Devos spreekt in de Vlaamse krant De Standaard echter van een ‘Prachtige koloniale roman’.  Volgens hem gebruikt Japin juist ‘een rijke symboliek’. ‘Ook de heldere, beeldrijke taal en de vlotte compositie maken deze roman tot een verrijking voor de Nederlandse literatuur.’
Japins roman stond in 1997 op de shortlist voor de Generale Bank Literatuurprijs. In 1998 won het boek de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.
 
 

Primaire bibliografie

1996  ‘Magonische verhalen’, verhalenbundel, De Arbeiderspers

1997  ‘De zwarte met het witte hart’, roman, De Arbeiderspers
 
 

Secundaire bibliografie

- Lokien de Bie, ‘De warrigheid van Artthur Japin’, VPRO-gids, nr. 43, 1997

- Janet Luis, ‘Zwart wordt men pas in een lichte omgeving’, Nrc Handelsblad, 20 juli 1997

- Jan Blokker, ‘Parabel van de zwarte prinsjes’, De Volkskrant, 13 juli 1997

- Jeroen Vullings, ‘Van zwarte prinsjes en wit cynisme’, Vrij Nederland, 12 juli 1997

- Filip Devos, ‘Een zwart prinsenverhaal’, De Standaard, 14 augustus 1997

- Juryrapport Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1998

Coen Peppelenbos
 
 
 

Hosted by www.Geocities.ws

1