Arthur Japin
De vierde wand
door Johan Diepstraten
De tienjarige Ghanese prinsjes Kwame (zaterdag) en Kwasi (zondag) vertrokken in 1837 naar Nederland als onderpand voor een illegale slavenhandel van de Nederlandse regering. Hun lotgevallen beschreef Arthur Japin in de roman De zwarte met het witte hart, die inmiddels wereldwijd is vertaald. Om de historische roman te kunnen schrijven, reisde Japin naar Ghana om kennis te nemen van de Ashanticultuur waaruit de kinderen zo wreed werden weggehaald. In de nieuwe verhalenbundel De vierde wand is te lezen hoe moeizaam dat intensieve bronnenonderzoek verliep.

In Ghana ontmoet Japin twee West-Afrikaanse jongetjes die ook op zaterdag en zondag zijn geboren en dus Kwame en Kwasi heten. Zij weten alles van hem: zijn gironummer, de bedragen op de traveller cheques, de namen van zijn vrienden en de gegevens van zijn terug reis. �Bij elke stap die ik dichter bij mijn eigen Kwasi en Kwame kwam, zaten de twee anderen mij op de hielen. Elke dag moeten zij of hun handlangers vlakbij zijn geweest.'

Het is niet de eerste keer dat een blanke in Ghana wordt gegijzeld. Japin wordt opgesloten in een kamer. Even later komen een vrouw en de dorpsfotograaf binnen. Het duurt even voordat de compromitterende situatie op foto is vastgelegd. Japin wordt er niet alleen van beschuldigd dat hij de vrouw heeft verleid, maar ook dat hij haar met het aids-virus heeft besmet. Tienduizend dollar of de foto's gaan naar de familie.

Het is een prachtig verhaal geworden over de angst van de eenling in zulke omstandigheden. Die foto's zijn hem een zorg, want het thuisfront weet heus wel dat hij nooit een vrouw zal verkrachten. Maar het gedoe met bloedmonsters om te bewijzen dat hij niet besmet is, is uitzichtloos in een land als Ghana. Japin kiest voor de rigoureuze manier om aan zijn afper sers te ontsnappen en zijn multomap vol aantekeningen voor de nieuwe roman te behouden.

Een held is Japin niet, maar hij weet zich wonderwel te redden in benarde situaties. Hij heeft er een handje van om het gevaar op te zoeken, zoals ook blijkt uit zijn belevenissen op Cyprus. Verdreven Grieks-Cyprioten keren voor een vreedzame mars terug naar hun geboor tegrond. Om onduidelijke redenen gaat Japin met hen mee. In de lucht cirkelen de helikopters van de UNICYP, de vredesmacht van de Verenigde Naties. Op de grond ranselen de Turkse boeren even later de betogers af, ook al proberen de blauwe baretten de strijdende partijen te scheiden.

In die chaos ontsnapt Japin door een gewonde vrouw naar de Rode-Kruisambulances te brengen. �Het is wel een heel doorzichtig heldenlaagje dat ik aan mijn terugtocht geef. Ik vlucht niet voor de Turken, maar voor mezelf, geschrokken van de woede die ik voel. Die is te ongenuanceerd, vrijblijvend en niet de mijne.'

Een reiziger is van nature een toeschouwer, legt Japin uit. Of hij nu in de krottenwijken slentert en zich het leed van de armen aantrekt, of meedoet aan een vredesdemonstratie voor de Grieks-Cyprioten, zijn betrokkenheid is willekeurig en van korte duur. Dat is een van de thema's in de verhalenbundel waarin Japin zijn reizen beschrijft naar achtereenvolgens Cyprus, Reunion (een eiland in de Indische Oceaan), Barcelona, Portugal en de Goudkust.

Hoe willekeurig die betrokkenheid is, heeft Japin eerder verhaald in zijn nauwelijks opge merkte debuutbundel Magonische verhalen (1996). Ontluisterend zijn de gebeurtenissen van een zangeres, een Ghanese illegale vluchtelinge die naar Nederland is gehaald door een ontwikkelingswerker die haar een betere toekomst wil geven. Zij klampt zich aan hem vast, want Europa staat voor vrijheid, een betere toekomst.

Maar hij trekt zijn handen van haar af en zij moet haar plaats weer innemen in de zoutvelden. In Ghana zal zij worden afgestraft: met afgunst en spot begroet door haar vriendinnen, als Europeanenhoer beschouwd door de mannelijke gemeenschap. Op Schiphol, net voordat ze uitgezet wordt, schrijft ze aan haar weldoener: �Je hebt me bepaalde kansen gegeven, maar anders dan jij denkt is dat niet iets nobels, maar iets wreeds. In ruil voor wat hoop heb je me alles afgenomen. Je hebt de ziel uit mijn muziek gehaald. Zoveel richt goed doen aan.'

Vooral op zijn reizen door Afrika komt Arthur Japin mensen tegen die dromen van Europa. �U bent van harte welkom,' zegt Japin tegen een arts en zijn vrouw die overwegen om naar Europa te gaan. �Nee,' antwoordt de arts, �u begrijpt het verkeerd. We gaan niet. We denken er alleen over. Dat is ons mooi genoeg.'

Dromen doen de personages allemaal in de verhalenbundel. �Ik heb een man gekend die zijn kamers een naam gaf. Er werd veel wonderlijks over hem verteld, maar deze eigenaardigheid sprak het meest tot mijn verbeelding,' luiden de openingszinnen van een verhaal. �Op een dag kwam ik een man tegen die de wereld in een kast bewaarde. Af en toe opende hij de deurtjes en nam een paar van zijn herinneringen, die ieder in een apart flesje zaten, van de plank,' is de opening van een andere vertelling. Op deze manier zet Japin de toon voor verhalen over verlangens en hoop. Er moet ergens een betere wereld zijn.

Zou die gedroomde wereld ook echt bestaan? Het kind in het autobiografische titelverhaal van de debuutbundel gelooft werkelijk in het mythische Magonia, het land boven de wolken. De twee verhalenbundels sluiten thematisch op elkaar aan, want hoe fantasievol de personages vluchten uit de werkelijkheid, ze worden toch gedwongen de realiteit onder ogen te zien.

Het sterkst geldt dit voor het jongetje dat zich in de twee bundels zijn vader herinnert. Na het verschijnen van Magonische verhalen is bekend dat hij een toneelrecensent was die een einde aan zijn leven maakte. In De vierde wand vertelt Japin over zijn bezoeken aan de Ursulakli niek waar zijn vader wordt verpleegd. Hij bouwt aan zijn eigen wereld. Op arbeidstherapie maakt hij voor zijn zoon een kasteel van klei waar koning Arthur woont die het op moet nemen tegen de wolkenvaarders van Magonia. Wat er gebeurt als de vader thuiskomt met zijn kasteel onder de arm, laat zich raden, want ook de zoon is groter geworden.

De personages dromen van een andere toekomst. De afpersers Kwasi en Kwame geloven er in, net als de Ghanese zangeres en vele andere mensen in Afrika. De Grieks-Cyprioten hebben even het idee dat er met de Turkse overheersers te praten valt, maar ook dat blijkt een droom. De vader wil een glimp opvangen van Magonia, maar kiest in zijn wanhoop voor een andere reis. Dat is wat de verhalen van Arthur Japin bindt. Ze spelen zich af in verschillende delen van de wereld, maar de dromen zijn identiek. Het land boven de wolken bestaat, wil Japin de lezer doen geloven, althans voor even. Dat maakt de verhalenbundel zo charmant.

Arthur Japin: �De vierde wand'. Uitgeverij De Arbeiderspers. 204 blz. Prijs: 29,90.


Hosted by www.Geocities.ws

1