Je bent trouwens niet de eerste die over de prinsjes
schrijft. J.B. Schuil heeft er ook al over geschreven in De Artapappa’s.
Heb ik een primeur nu?
Ach, dat vervelende boek weer. Dat heeft toch helemaal
niets met de historie te maken. Het zijn niet eens Ashanti’s. Ik sprak
laatst Rudy Kousbroek op een symposium en die vroeg ook aan mij of ik het
boek kende. Ja, zei ik, vreselijk hè. Toen zweeg Kousbroek een beetje
bedremmeld, want hij had er juist heel dierbare herinneringen aan. Het
boek is onlangs nog herdrukt, maar het kan echt niet meer. Er staat in
dat je die zwarte kinderen wel mag slaan, want dat deed hun vader ook.
En ze stuiteren als een soort bezienswaardigheden op hun hoofd! Je bent
toch met me eens dat het niets met mijn boek te maken heeft.
Nou…
Dan moest hij die geschiedenis ook beschrijven. Mijn
boek is waar en De Artapappa’s is helemaal verzonnen.
Moest je ook niet huilen op het eind?
Zover ben ik niet eens gekomen. Na vijftig bladzijden
heb ik het al weggelegd.
Ik moest erg huilen, terwijl het enorm slecht geschreven
is.
Dat valt me dan van je mee.
Je bent tien jaar met het schrijven van De zwarte
met het witte hart bezig geweest. Was je niet bang dat iemand voor jouw
neus het idee zou wegkapen?
Elke keer als ik in een archief kwam, was ik bang dat
er iemand zou zitten met een stapel papieren, die zou zeggen: ‘Och ja,
dat verhaal van die prinsjes, daar ben ik bijna mee klaar.’ Er is wel een
vrouw in Frankfurt die al heel lang bezig is met een historische studie
naar de prinsjes en haar is dus wel gebeurd wat ik vreesde. Maar goed,
onze boeken zijn heel verschillend.
Berust jouw boek helemaal op waarheid?
Natuurlijk gebruik ik ook mijn fantasie. Maar het vreemde
is dat dingen die je verzint later opeens waar blijken te zijn. Toen ik
in Ghana was, waar Kwame zelfmoord pleegt als hij is teruggekeerd, kwam
ik op het idee dat die prinsjes in hun jeugd ook al een zelfmoord hadden
gezien. Dus ik schrijf in mijn schriftje op: zelfmoord. Later vond ik in
het archief in Den Haag dat er in die tijd niet één maar
drie zelfmoorden gepleegd waren.
Je bent natuurlijk een keer uitgezocht in de archieven
en dan schrijft het verhaal zich eigenlijk als vanzelf. Als je feit A en
feit B naast elkaar legt dan komt het verhaal vanzelf en dan is de gedachtegang
van de hoofdpersoon, voor mij althans, niet meer zo moeilijk om in te vullen.
Op een gegeven ogenblik moet je je fantasie ook gebruiken, want je raakt
nooit uitgezocht. Nu nog krijg ik regelmatig nieuwe informatie.
Hoe dan?
Ik zal je een voorbeeld geven. Een tijd geleden was ik
in het Teylers museum in Haarlem, helemaal niet voor het boek, en toen
kwam er een man op me af die zei: ‘Ik ben Cornelius de Groot’. Ik schrok,
want het is een enorme booswicht in het boek. Als na zo’n lange tijd waarin
ik me had ingeleefd in Kwasi ineens een man komt die zich Cornelius de
Groot noemt, dan schrik je toch. Het was een alleraardigste man overigens,
diplomaat in Brussel en de achterkleinzoon van de Cornelius de Groot in
mijn boek. Hij had nog dagboekfragmenten die over Kwasi gingen en die wilde
hij wel voor mij kopiëren. Later kreeg ik een brief van hem waarin
hij schreef dat hij zich toch niet aan de indruk kon onttrekken dat Kwasi
opgehemeld werd in mijn boek en dat zijn overgrootvader er erg negatief
vanaf kwam. Maar daarbij deed ie een dagboekfragment waarin Cornelius de
Groot zo denigrerend sprak over Kwasi, dat mijn visie alleen maar ondersteund
werd.
Je hebt in je jeugd veel toneel gezien, omdat je vader
toneelrecensent was. Toneel is ook een manier om de werkelijkheid te ontvluchten.
Ben je daarom zelf toneel gaan spelen?
Ik heb in Engeland op de toneelschool gezeten, maar niet
zo lang, want dat kon ik niet betalen. Je krijgt daar heel praktisch les
en dat vond ik in Nederland niet. Ik sprak bijvoorbeeld, omdat ik uit Haarlem
kom, overdreven netjes. Met zo’n hete aardappel in de mond kun je niet
alle rollen spelen. In Engeland kregen we dan ‘tonguetwisters’ en dan moest
je heel snel van die lastige zinnen uitspugen. Mijn spraakleraar op de
toneelschool in Nederland vertelde ik ook dat ik van die nette spraak af
wilde. ‘Dat is goed,’ zei hij. ‘Doe je ogen maar dicht, ontspan je, haal
diep adem en dan moet je gewoon denken: het is weg.’ Dat is het verschil
tussen Engeland en Nederland. Toen twijfelde ik al of ik er wel bij hoorde.
Wat ik zocht in het toneel was de mogelijkheid om je
een avond te verdwijnen in een wereld of in een rol. Dat is gewoon niet
mogelijk. Als je er eenmaal staat met je met zoveel rekening houden, je
medespelers, het licht, dat je helemaal niet in die droom terechtkomt.
Op een gegeven ogenblik kwam ik erachter dat ik het veel leuker vond wanneer
zo’n voorstelling afgelopen was, want dan kon ik het op mijn curriculum
zetten. Het spelen vond ik niet leuk en het omgaan met andere acteurs vond
ik ook niet leuk. Het is toch, ik generaliseer wel, een oppervlakkige manier
van leven. De hele dag ben je bezig met het reproduceren van andermans
woorden. Het is geen creatief vak. Met het schrijven lukt het me wel. Als
ik ga schrijven dan ben ik een dag echt weg.
In je eerste verhalenbundel Magonische verhalen
komt er al een moderne variant van dat verhaal naar voren. Een Afrikaanse
vrouw die door een ontwikkelingswerker naar Nederland wordt gehaald en
haar roots kwijtraakt. En in je laatste boek schrijf je in een autobiografisch
verhaal over het onderzoek dat je deed in Afrika naar die prinsjes. Kom
je wel eens van los van de prinsjes?
Dat eerste verhaal heb ik geschreven voor een literaire
prijsvraag van de provincie Gelderland, waarin ze vroegen om een verhaal
te maken over Mariken van Nimwhegen. Het is dus ook een variant
op de Mariken geworden met Moenen die haar verlokt. Daar heb ik het gegeven
gebruikt om een prijs te winnen. En dat andere, ja ik denk dat ik er nu
wel klaar mee ben. Toch merk ik nu in alles wat ik doe dat er een patroon
inzit. Het gaat altijd over een eenling die zich staande probeert te houden
tegenover een groep.
Aan De vierde wand gaat een motto vooraf uit ‘De
man van La mancha’: ‘maar de grootste dwaasheid is het de wereld te zien
zoals hij is en niet zoals hij zou moeten zijn.’
Dat is een van mijn andere thema’s, ook in de andere
boeken. Het gaat erom dat iemand een droom heeft, weet dat die droom niet
uitkomt, maar liever aan vasthoudt dan toe te geven aan een desillusie.
Veel van die verhalen gaan over mensen die niet in de werkelijkheid staan
en hun eigen werkelijkheid creëren. Dat lukt niet en toch proberen
ze het de volgende keer weer. Eigenlijk gaat dat ook op voor Kwasi.
Coen Peppelenbos