|
Gijs IJlander Twee harten op een schotel |
||
De gedachte om een spiegelende roman te schrijven, was zo gek nog niet. In wisselende hoofdstukken neemt IJlander de lezer mee naar de verschillende eeuwen. De personages hebben veelal dezelfde namen en de lotgevallen lijken enigszins op elkaar. De teneur is ook glashelder: de criminaliteit in de zeventiende eeuw is van dezelfde orde als in de huidige tijd. De mensen veranderen eigenlijk nauwelijks: ze zijn uit op eigen gewin en nemen het niet al te nauw met de moraal. De bedoeling van IJlander is dat er een symbiose tot stand komt tussen de twee tijden, maar dat ging hem niet gemakkelijk af. De opening van de roman is meer dan veelbelovend. De 15-jarige Wouter Vink verlaat het armoedige ouderlijke huis en gaat in de leer bij de schilder Dirck Hals. Vink ziet hoe de Hollandse luchten op het doek worden gezet, en vraagt zich verbaasd af waarom dat zo houterig gebeurt. �Zagen ze niet hoeveel kleuren er waren in de lucht, dat je ook de wind kon zien?' Maar ze zien het niet, omdat ze niet echt kunnen kijken zoals dit wonderbaarlijke talent. Vink wordt door zijn Haarlemse leermeester Hals het atelier uitgegooid omdat hij een rijke opdrachtgever beledigt. Hij vertrekt naar het zuiden, ontmoet zijn grote liefde, de prostitu�e Leni en belandt achter de Spaanse linies. Terug in Haarlem wordt hij gestraft: hij moet in alle vroegte de lijken uit de pesthuizen ophalen. Bij een gierige dode schoenmaker steelt hij voor een vermogen aan bloembollen en weet zich daarmee op te werken tot een vooraanstaand lid van de gemeenschap. De basis voor het familiekapitaal dat tot in de twintigste eeuw keurig werd beheerd, is daarmee gelegd. De levensgeschiedenis van Wouter Vink bevat genoeg elementen voor aantrekkelijke passa ges. IJlander heeft zich in de zeventiende eeuw verdiept. Alles is in orde, met verve be schrijft hij de situatie in het door de pest geteisterde Haarlem. De schijnheiligheid van de hoge heren en de schimmige handel in bloembollen: het is prachtig beschreven. Het familie leven van Vink die trouwt met Leni en een kind verwekt bij de dienstbode Annigje: het is een fraai uitgewerkt menselijk drama. Het had, in notendop, de intrige voor een fabuleuze historische roman kunnen zijn. Maar helaas koos IJlander voor de vermenging van twee tijden en bedacht personages in het heden die het verval inluiden. De achterflap geeft de karakterisering: de dorpsidioot en zijn invalide schoonzus, de voortvarende werkster en haar drankzuchtige man, de ontgoochelde caf�baas en de patserige crimineel. De typeringen doen het ergste vermoeden, maar in de uitwerking heeft IJlander alles overtroffen door werkelijk alle clich�s uit de kast te trekken. De roman krijgt af en toe de allure van een klucht. Zie hen aan, de hoofdrolspelers. De weduwe Anna, behept met een houten been, pakt vroeg in de middag haar eerste glas port en om tien uur �s avonds het laatste. �s Nachts moest ze zich alleen zien te redden, maar �als je genoeg gedronken had, was dat geen probleem.' De stukadoor overtreft haar nog. Zijn vrouw, de werkster Leni, typeert haar man en kind aldus: �Boven lag de stukadoor nog te snurken in een walm van alcohol. Wat een varken. De stuka door aan de drank, Dennis aan de drugs en zij met kanker in haar borst.' Halverwege de roman zoekt zij haar toevlucht tot hotelier Niek Suurbier die bij gebrek aan klanten de hele dag voor zichzelf inschenkt. Zonder in te grijpen lat hij zijn hotel Walschot letterlijk in elkaar storten. De storm raast en mijnheer zet het op een zuipen. Florisz, een drugshandelaar, biedt een mogelijke uitweg. Hij wil de failliete tent opkopen. Zo dol bedenken de scenarioschrijvers van een gemiddelde soapserie het nog niet eens. De lezer krijgt ook nauwelijks de kans om zich het lot van wie dan ook aan te trekken. Leni holt in zo'n modern paars trainingspak langs het strand om haar overtollige vet kwijt te raken en maakt plannen hoe ze haar brute stukadoor kan lozen. De weduwe Anna mijmert over haar overleden echtgenoot die de dood vond tijdens een bordeelbezoek. Alle menselijke treurig heid die een schrijver kan verzinnen, heeft IJlander in deze zedenschets gepropt. Alleen met de bejaarde Wouter Vink, Vinkie genoemd, kan nog enig mededogen opgebracht worden. Hij heeft zich in zijn familiegeschiedenis verdiept en kent de lotgevallen van zijn naamgenoot uit vroeger eeuwen. De mensen willen niets meer van God weten en leven er maar op los. In een kasboek houdt hij er een boekhouding op na van goed en kwaad. Vooral van het kwaad, want de wereld is knap verloederd. Wat hij niet ziet is dat hij door de dorpsge meenschap met de nek wordt aangekeken. Vinkie, de vreemde strandjutter, zou hij iets te maken hebben met het verdwijnen van een Duitse peuter op het strand? De lezer ziet de catastrofe aankomen, want hij was gewaarschuwd dat de onvermijdelijke Apocalyps de bollenstreek gaat treffen. In het ondergangsscenario van Gijs IJlander krijgt iedereen zijn deel. Brandstichting, moord, het houdt niet op in die laatste vijftig pagina's. Een bende jeugdige criminelen terroriseert de omgeving. De oude Vinkie wordt gemolesteerd, Anna is het slachtoffer van een inbraak met dodelijke afloop. Niets blijft de hoofdpersonen en daarmee ook de lezer bespaard. Het is te veel. Vooral met de roman De lichtval (1993) en de verhalenbundel Vis voor iedereen (1995) bewees IJlander dat hij de binnenwereld van zijn personages treffend kan weergeven. Dat lukt hem nu alleen met de historische Wouter Vink en de latere Vinkie, de rest figureert als trekpop. Daarom zou je haast gaan denken dat IJlander een persiflage heeft geschreven, met de huidige soaps en reality tv als bronnen. Dat is zelfs aan de compositie te merken. Waar IJlander in andere boeken in alle rust de intrige uitwerkt, merk je nu haast. In snelle, korte sc�nes zapt hij van het ene leven naar het andere. Die opzet dwong hem om telkens weer, na iedere vier, vijf pagina's, iets bijzonders te bedenken. Dat houd je geen 250 pagina's vol. Een maalstroom aan gebeurtenissen, een overdaad aan gekkigheid. Auteurs beweren wel eens dat een boek zichzelf schrijft, hier gebeurt het tegendeel. Het verhaal ging met Gijs IJlander op de loop. Hij kon het niet in de hand houden.
|
||
|
|
||