| Schrijver |
Hofmeester, Christie |
| Titel |
Meestal vergaat de wereld om 9.00 uur |
| Jaar van uitgave |
1998 |
| Bron |
Trouw |
| Publicatiedatum |
24-04-1998 |
| Recensent |
Pieter van den Blink |
| Recensietitel |
'Ik mis je het meest als je bij me bent' |
De mooiste uitdrukking om mee te zeggen dat iemand gek
geworden is, komt uit het Engels: 'He has left Hotel Reality'. De Nederlandse
literatuur kent fraaie voorbeelden van personages die vanaf het bordes van dit
hotel de wereld tegemoet zien, om vervolgens met onbekende bestemming te
vertrekken. Hermans' 'Paranoia' moet als eerste worden genoemd, en vervolgens
'Keefman' van Jan Arends of 'Hersenschimmen' van J. Bernlef. Is 'Meestal vergaat
de wereld om 9.00 uur' van Christie Hofmeester nu in één adem te noemen met deze
groten, of juist niet? De 'autobiografische roman' vertelt het verhaal van de
obsessieve liefde van Chris voor de jongen Seim. Ondanks een duidelijke
zielsverwantschap tussen hun tweeën, beantwoordt Seims Chris' liefde niet en dat
leidt tot de situatie waarin "ik jou blijkbaar het meest mis als je bij me
bent". Op cynisch klinische toon bespreekt Chris haar gekte. Aanvankelijk staat
zij uren in de koude nacht onder Seims raam. Tientallen keren per dag belt ze
hem op. Ze begint zichzelf lelijk te vinden. Vraatzucht maakt haar steeds
dikker. Dan beginnen de dwangneuroses: zij mag van zichzelf alleen nog maar
zwart voedsel eten (drop), zij moet haar schaamhaar uit haar lijf trekken. Chris
wordt vaste klant bij het Riagg, voor pillen en gesprekken. De dood begint een
tweede obsessie te worden. Een zelfmoordpoging kan niet uitblijven. Dan laat zij
zich vrijwillig opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Deze opname neemt een
onevenredig groot deel van het verhaal in beslag. Niet omdat de paar weken die
het duurt voordat Chris er wegloopt in geen verhouding zouden staan tot de
gehele vertelde tijd (van de tweede klas middelbare school tot ergens in de
studietijd); maar omdat het simpelweg niet zo interessant is. De beschrijvingen
van haar medepatiënten zijn precies zoals je zou verwachten: de een schreeuwt en
krijst, de ander zit stil in een hoekje en de medische staf weet raad met geen
van beiden. Hofmeester is alleen sterk als ze over zichzelf vertelt, en dat is
knap, want de meeste jonge schrijvers worden dan juist vervelend. Dat er in de
flaptekst niet van een debuut gesproken wordt, duidt er misschien op dat
Hofmeester geen zin heeft om meer boeken te schrijven. Dat ze de portier van
Hotel Reality heeft laten weten dat zij vanavond niet meer uit zal gaan.