NRC Handelsblad, 1
april 2005

Blij om vijftien
te zijn
Meg Rosoff: Hoe ik nu leef.
Uit het Engels vertaald door Jenny de Jonge. Pimento,
200 blz. EUR14,90. Vanaf 13 jaar.
Judith Eiselin
Er was eens een Amerikaans meisje met anorexia en een boze
stiefmoeder. Het meisje wilde niet deugen. Ten einde raad stuurde haar vader
haar naar de familie van haar overleden moeder, aan de andere kant van de
onmetelijke zee in Engeland. Ze kwam aan in een paradijselijk oord: een
boerderij vol neven en nichten, de een nog aardiger en gevoeliger dan de ander.
En toen brak de Derde Wereldoorlog uit.
Het verhaal van Hoe ik nu leef, de
in Engeland in 2004 verschenen en aldaar al meermalen
bekroonde jeugdroman van Meg Rosoff,
is makkelijk na te vertellen. Al even doorzichtig is op het eerste gezicht de
stijl. Rosoff laat hoofdpersoon Daisy,
die eigenlijk Elizabeth heet, haar verhaal doen in
eenvoudige, lang uitwaaierende zinnen vol voegwoorden en hoofdletters: `En even
was ik zo blij dat ik vijftien was en uit New York
kwam want ook al heb ik niet echt Alles Al Gezien, ik ken het allemaal wel en
ik heb een van de beste O-Ja-Dat-Doe-Ik-Ook-Altijd-gezichten
van iedereen die ik ken.'
Daisy rolt van de ene ontboezeming in de
andere. Ze ziet zichzelf, kinderlijk nog, als middelpunt van de aarde, al het
overige bestaat in dienst van haar. Ze tobt wat af, hoe zie ik de anderen, hoe
zien de anderen mij, hoe was het vroeger en hoe moet het straks.
Rosoff speelt een vernuftig spel met de
verwachting van haar lezers. Dankzij de directe vertelstem weet ze binnen een mum van tijd de blik van de lezer adequaat in te perken. De
Derde Wereldoorlog begint niet zomaar op een dag, de oorlog siepelt langzaam
binnen. Maar Daisy sluit haar ogen ervoor, ze heeft het druk met verliefd zijn op haar neef. Totdat ze zich dat
niet meer kan veroorloven en de oorlog dan toch ineens, alsnog plotseling, de hare is.
Alles
verschuift. Vroeger is ineens heel ver weg en doet er niet meer toe, straks is
heel dichtbij gekomen. Over vijf, vier, drie, twee, een minuut kan er een kogel
komen, of een bom vallen. Alles verschuift, verandert en raakt op drift, ook
binnenin het meisje: `[...] een van de dingen waar ik aan dacht was hoe je meer
van iemand anders kon houden dan van jezelf en hoe alle gepieker over midden in
een oorlog vastzitten en misschien wel doodgaan was overgegaan in gepieker over
hoe je de mensen van wie je hield in leven moest houden.' Niet lang daarna kan Daisy alleen nog maar denken aan drinken, eten, slapen, de
ene voet voor de andere zetten, verder gaan zonder te
weten waarheen, overleven zonder te weten waarom.
De
meeste kinder- en jeugdboeken die over oorlog gaan,
gaan over `de' oorlog, de Tweede (in Nederland) of de Eerste (in Vlaanderen):
`Er was eens een oorlog'. Hoe invoelend die boeken
soms ook geschreven zijn, hoe angstwekkend, gruwelijk, bitter en meeslepend ook
hun inhoud, er blijft afstand, een veilige kloof van jaren. Het is de
verdienste van Rosoff dat ze de oorlog hier en nu
laat gebeuren, vanuit het oogpunt van een eigentijds meisje dat haar
verliefdheid viert zo lang dat kan. Duidelijk wordt hoe broos de samenleving,
in dit geval de Engelse, georganiseerd is en hoe volhardend een mens kan zijn
in het zich veilig wanen. Hoe ik nu leef is dan ook een griezelig boek.
Maar
er is wel een verhaalelement dat stoort. Rosoff
scheidt Daisy en haar geliefde neef, zoals dat gaat
in oorlogstijd, maar biedt haar lange tijd meer dan domme hoop over zijn
wedervaren. De twee hebben, beroofd van hun mobieltjes en hun computers, een
telepathisch contact. Dit metafysische gegeven misstaat in het voor het overige
zo reëel aandoende boek. Rosoff loopt zodoende om een
van de kilste consequenties van de oorlogstijd heen: het afgesneden zijn van je
dierbaren.
Nadat
de neef getuige is van een bloedbad `doet' de telepathie het niet meer, wat al
even bedacht overkomt. Ook de vertaalster laat ergens een hinderlijke steek
vallen: er komt op een goed moment in een huis vol kinderen een man binnen die
dringend om `drugs' verzoekt. Voor de Nederlandse lezer levert dit een nodeloos
schrikken op, en een anticlimax, want er worden `medicijnen' bedoeld.
Maar Hoe
ik nu leef biedt veel en blijft een opmerkelijk, gedurfd boek. Als Daisy dankzij `contacten' van haar Amerikaanse vader uit de
oorlog weet te ontsnappen en terugkeert in de Verenigde Staten, wordt pijnlijk
duidelijk dat er geen ontsnapping meer bestaat. Ze belandt er in een
psychiatrische inrichting. Het contact met haar neef is verbroken en blijft
verbroken, zelfs als ze uiteindelijk, na jaren in de inrichting, met hem
herenigd wordt. En toch is er aan het slot een verzoening, met het lot, waaruit
blijkt hoe wendbaar de menselijke geest is. Daisy is
thuis, beseft ze, hoe geschonden dat thuis ook is.