Hoger dwalen. Stefan Hertmans onderweg
  Mark Schaevers
  Adelaide, Amsterdam, Athene, Berlijn, Boedapest, Bologna, Bratislava, Brussel, Dresden, Gent, Londen, Ljubljana, Marseille, Moskou, Parijs, Praag, Skopje, Sofia, Sydney, Triëst, Tübingen en Wenen figureren in het nieuwe boek van Stefan Hertmans. Steden heet het dan ook, en het is een mijlpaal in z'n oeuvre.


   
 
  OP bladzijde 98 van zijn nieuwe boek Steden slaat Stefan Hertmans de beroemde Parijse intellectueel Régis Debray knock-out. Hertmans heeft Debray dan nog maar net in de ring toegelaten, hem kort als waardig tegenstander begroet - Hier is Régis Debray, auteur van ,,het origineelste boek dat over steden werd geschreven'', Contre Venise, een verfrissende aanval op alle Venetië-snobs - of, wham!, Debray gaat onderuit, ontmaskerd als een vulgaire Napels-snob.
  Want wat doet Debray, volgens Hertmans, in zijn boek? Hij toont eerst hoe hartgrondig hij baalt van de ,,cultuurstad'' Venetië, dat moeras van clichés waarin hij alle culturati die ermee dwepen graag zou zien verzuipen. Om vervolgens zijn liefde voor Napels uit te schrijven, Napels als authentieke, vitale stad, antipool van het theater Venetië - citaat: ,,Venetië walmt verval, terwijl Napels scheten laat van gezondheid.'' Diagnose van Stefan Hertmans: Debray is blind, hij ziet niet dat Napels voor hem is wat Venetië voor zijn vijanden is, namelijk de stad waarop hij teert om zich bijzonder te vinden.
  Hertmans' boek Steden telt veertien hoofdstukken, en het stuk over Régis Debray is atypisch door zijn polemische heftigheid. Ook al gaat Debray al in de eerste ronde door de knieën, het gaat nog een bladzijde of zestien door. Zijn hele (,,stalinistische'') kunstopvatting moet er nog aan geloven: Debray speurt naar een ,,natuurlijke'' schoonheid, voor Hertmans is alle schoonheid gearrangeerd door een menselijke blik. En eens op dreef verbreedt Hertmans zijn aanval op Debray zelfs tot een ruziegesprek met diens generatie van soixante-huitards, ,,die kwakende generatie die dacht dat ze beter neukte dan alle mensen in alle eeuwen voor hen, omdat ze geen boodschap meer hadden aan subtiliteit en relativering''.
  In de daaropvolgende hoofdstukken keert Hertmans nog een paar keer terug naar de ring waar hij Debray achterliet, om het bewusteloze lijf een jennerige por te geven. Nee, Debray kruipt niet meer recht.
  De verbetenheid waarmee Hertmans zich in het debat met Régis Debray gooit, is geen toeval: Debray blijkt het absolute tegendeel voor te staan van datgene waar het Hertmans zelf een boek lang om te doen is. De stad, schrijft Hertmans, is de catwalk van de hedendaagse mens. Het theatrale karakter van de stad, waar Debray onwel van wordt, vindt Hertmans behalve typisch voor de stad ook aantrekkelijk. ,,Er is geen New Yorker,'' schrijft Hertmans nog in het Debray-hoofdstuk, ,,die twijfelt aan het specifiek stedelijke aspect, dat erin bestaat dat men de stad elke dag opnieuw moet 'spelen' om hem te laten bestaan als stad - als het mentaliteitsdecor van een specifiek levensgevoel dat zich in stand houdt door zijn rituelen.''
  Voilà, daar staat een goed deel van het programma van het stedenboek van Hertmans. De steden die hij bezoekt vraagt hij uit naar hun rituelen, waarvan de som een cultuursfeer oplevert. Hij probeert in de concrete gedragingen van de mensen, in gewoonten die ook samenhangen met de plek waar ze wonen, een patroon, een mentaliteit te ontdekken.

  HERTMANS bezoekt vooral Europese steden. In de steden, schrijft hij, ligt de Europese cultuur verstrooid. Het zijn dan ook dikwijls typische cultuursteden waar hij belandt: Tübingen, Triëst, Dresden, Bratislava, Wenen. Hij houdt ervan dat je in zo'n stad de historische lagen kan afpellen. (Belandt hij, op zijn enige intercontinentale trip, in Australië, dan komt de gigantische, geschiedloze ruimte van het binnenland hem daar dan ook als een ,,vreselijke leegte'' voor.)
  Voor een boekig mens als Hertmans is de band tussen een stad en een geliefd schrijver soms beslissend voor de reisbestemming. Tübingen is van Hölderlin, Triëst was van Joyce en Rilke, en is van Claudio Magris. Hertmans probeert dan te achterhalen hoe een bepaalde stad werkte als spirituele ervaringsruimte van anderen. Joyce zou, beweert hij bijvoorbeeld, zonder zijn ervaringen in Triëst, snijpunt van de Germaanse,
  Romaanse en Slavische cultuur, niet zo'n kosmopolitisch schrijver geworden zijn.
  Ervaring staat centraal in dit boek, want ,,elke theorie is de verlate neerslag van ervaring'' en ,,wat een mens niet voelt kan men hem ook niet uitleggen''. Een omslachtiger beweegreden is toch niet nodig om een intellectueel aan het reizen te krijgen?

  STEDEN is een boek pro steden. Want aan het concept van de stad kleeft volgens Hertmans een diepe humanitaire betekenis, ,,die nooit uit het oog mag worden verloren,'' zoals het in een inleidend hoofdstuk wat stijfjes staat - ,,De stad is het territorium van de menselijke communicatie in zijn meest geavanceerde vorm.'' In een lossere formulering, in een afsluitend lexicon, heet het dat steden plekken zijn ,,waar over muurtjes kan worden gesprongen''. Steden geven een gevoel van verruiming, contacten zijn er makkelijker, veelvuldiger. ,,De stad is van iedereen omdat hij van niemand in het bijzonder is.'' De provincie geeft wortels, de stad geeft vleugels.
  Het reizen en de grootstedelijke ervaring gaan, niet alleen in dit boek, perfect samen: ze stimuleren eenzelfde gevoel van bevrijding, van intenser leven. Thuis neem je alles zomaar voor waar, op reis neem je waar - ik parafraseer een zeldzaam woordspelerig moment van Hertmans.
  Een van die impulsen die de stad, en het reizen, geven, is een erotische impuls. Adriaan Morriën berichtte ooit (in Plantage Muidergracht) over zijn eerste passen in Parijs, 1946, als een literair-erotische ervaring: het waren ogenblikken die hij onderging ,,als een opwindende ontsteltenis in mijn penis''. Bij Hertmans levert, op subtielere wijze, het erotische appeal van de grootstad literair-spannende pagina's op. De potentiële geliefde, de ex-geliefde, de geliefde helpen daaraan mee. ,,Steden leer je pas kennen wanneer je er van iemand houdt.''

  EEN nieuwe stad is een zee van nieuwe, andersoortige tekens dan de vertrouwde en - Hertmans merkt het vaker op - werpt de reiziger terug op zichzelf, zijn eigen semiotisch kompas, zijn - woord van deze tijd - identiteit.
  In De bloesems van mijn schaduw, een boek helemaal gewijd aan de zo populaire identiteitsdiscussie (Epo, 1996), schreef ook Stefan Hertmans een klein opstel. Het gebeurt dat mensen die het gezeur over en de politieke exploitatie van de ,,Vlaamse identiteit'' beu zijn, dan maar beslissen dat zoiets niet bestaat. Hertmans doet in zijn opstel iets intelligenters: hij haalt de identiteitsobsessie en de identiteit zelf uit elkaar.
  Natuurlijk hebben ook Vlamingen een identiteit, maar die dient, aldus Hertmans, zoals elke identiteit dan wel opgevat als ,,een dynamisch, vanzelfsprekend, zorgeloos begrip''. ,,Identiteit is juist wat evident is zonder dat men daar ideologisch voor doet, wat zich van zelf toont, niet wat men wil forceren met van voren bedachte slogans.'' Het is het verschil tussen een identiteit als sollen en een identiteit als sein.
  Ook in Steden is identiteit voortdurend aan de orde, maar dan wel in die tweede betekenis. De reiziger, stelt Hertmans vast, wordt achtervolgd door wat hij dacht te hebben thuisgelaten: juist in de confrontatie met anderen in een vreemde stad leert hij iets over hun identiteit, maar vooral ook over de zijne.
  Praten over identiteit komt dikwijls neer op praten over clichés, en daar heeft Hertmans geen probleem mee. Steden is ook een oefening om over clichés te durven praten. Régis Debray, dié haat clichés, want die is op zoek naar het authentieke; Hertmans vindt clichés onvermijdelijk, die heeft er geen moeite mee dat in onze wereld alles al eens bekeken en becommentarieerd is. ,,Niets is zomaar voorhanden. Wat we zien is steeds bepaald door wat anderen er voor ons in hebben gezien.''
  Wat Hertmans over de mentaliteit van de bezochte steden bericht lijkt soms erg speculatief: de norsheid van de Weense bevolking zou met het verlies aan culturele betekenis van die stad in de buitenwereld te maken hebben, de onverschillige tolerantie van de Gentenaar met de vele lege plekken waarvan die stad aan elkaar hangt.
  De mooiste resultaten van het speurwerk naar de mentaliteit van een stad bereikt Hertmans, naar mijn smaak, in twee steden die hij langdurig verkend heeft: Amsterdam en Brussel, allebei grootsteden, maar op een heel andere manier. Hertmans maakt aannemelijk dat het taalbewustzijn, heel evident aanwezig in Amsterdam, heel evident afwezig in Brussel, daar een grote rol in speelt. In dat hoofdstuk formuleert hij overigens kernachtig het politieke probleem van de hoofdstad Brussel in dit land van Walen en Vlamingen: ,,Brussel is het winkeltje vol bedorven waar, waar iedereen met een dichtgeknepen neus komt stelen wat nog net niet bedorven is, om dan weer snel naar de eigen verkaveling te verdwijnen.''

  VOOR Hertmans' doen is Steden een persoonlijk boek, al wil dat in zijn geval niet zeggen dat er erg veel reisavonturen worden opgedist. Een scène als die waarin Hertmans met een vriend, bij wijze van toegepaste kunstkritiek, tegen een bijna twintig meter hoge schoothond van Jeff Koons voor het museum van Sydney staat te pissen, is bepaald uitzonderlijk. Hertmans schrijft eerder reisbeschouwingen dan reisverhalen, ze zijn persoonlijk door de manier waarop hij kijkt, waarop hij zijn blik voedt met zijn lectuur, zijn reflecties.
  Als reisessayist doet Hertmans me aan de Brits-Nederlandse schrijver Ian Buruma denken, die in een interview eens opmerkte: ,,Een reisschrijver die zich als een verwonderde faux naïef opstelt die nergens wat van weet, is vooral lui.'' De faux naïef, dat is de tegenpool van de hyperbewuste reiziger Hertmans, die duidelijk ook massa's relevante geschriften over de stedelijke ervaring verteerd heeft (de grote modernistische romans, essays, maar ook historisch en sociologisch werk). Hij etaleert die kennis niet, heeft geen citaten nodig ter opsmukking van het eigen proza, maar hij dialogeert efficiënt met andere auteurs, ten behoeve van het eigen betoog. Zijn eruditie is een operationele eruditie, een zeldzame variant.
  Walter Benjamin, bijvoorbeeld, zo belangrijk als theoreticus van de grootstedelijke ervaring, haalt Hertmans bewust weinig aan, maar als het een keer gebeurt, is het met een prachtig citaat, over de voorsteden van Marseille. ,,Buitenwijken vormen de noodtoestand van de stad, het terrein waarop ononderbroken het grote beslissende gevecht tussen stad en platteland woedt. Dit is nergens zo grimmig als tussen Marseille en het Provençaalse land. Het is een lijf-aan-lijfgevecht van telegraafpalen tegen agaven.''
  Het past wonderwel binnen het alarmerende betoog dat Hertmans houdt over de evolutie van de voorsteden, ook aan de hand van de ,,bloedstollend lelijke'' banlieue van Marseille. De binnensteden, die zullen zich in de toekomst wel ,,redden'', want die worden gerestaureerd en bewaard als stadsreservaten, terwijl het leven van de meeste mensen zich afspeelt in de urbanistische en architecturale woestenij van de voorsteden. ,,Hedendaagse barbarij,'' zo vat Hertmans het bestaan in die voorsteden samen, ,,lelijke straten, subjectieve onveiligheid escalerend tot onverschilligheid en latente vijandigheid, vooroordelen en vervolgens afkeer van de anderen, primair concurrentieel overlevingsgedrag en uiteindelijk menselijke catastrofes.'' Hertmans, duidelijk niet vrolijk gestemd over de toekomst, heeft het, in de lijn van Hans Magnus Enzensberger, dan ook over het voorstedelijk bestaan als ,,een voorstadium van het leven in een permanente burgeroorlog in de eenentwintigste eeuw''. Maar goed, vooraan staat ook het motto ontleend aan Victor Klemperer: ,,De tijdgenoot weet niets.''

  PERSOONLIJK zijn deze ,,verhalen onderweg'', waar de ondertitel het over heeft, ook omdat ze (zoals elke reis volgens het cliché doet) ook naar de reiziger leiden, een schrijver in media vitae. Hertmans selecteerde zijn steden niet om hun exotische kwaliteiten ten behoeve van de lezer, maar omdat ze lijken te passen in zijn eigen verhaal (natuurlijk is toeval ook een deel van dat verhaal). De tocht naar Marseille bijvoorbeeld, voor één keer met vrouw en kind, is een tocht naar zijn vader, die hier in 1940 op zijn vlucht terechtkwam.
  Behalve de steden waar hij recent naartoe trok, allicht met dit boek in zijn achterhoofd, zijn er de herinneringen aan vroegere stedentochten, is er de confrontatie met de jonge schrijver/intellectueel die hij was, en de man voorbij de helft van zijn leven die hij (volgens zijn eigen berekening) is. Reizen helpt daarbij, zegt Hertmans met een mooie formulering, het moeilijke cijferslot van zijn herinneringen te openen. Steden, het staat in een afrondend hoofdstukje in alle duidelijkheid te lezen, is ook ,,een boek dat me zelf iets moest leren verduidelijken over mijn plaats in de wereld''.
  Die verduidelijking streeft Hertmans onder meer na door een continuë confrontatie met de figuur van Peter Handke, ooit zoiets als een rolmodel voor Hertmans, nu een compromisloos schrijver die hem soms irriteert, maar nog altijd fascineert. In welke stad Hertmans zich ook bevindt, Tübingen, Triëst, Bratislava, Wenen of Gent: Handke duikt op in zijn bespiegelingen over hoe je als schrijver in het intellectueel leven moet staan. Bewust tegen de tijd in, niet vriendelijk voor de media, niet cynisch, en dus wat pathetisch en naïef, zoals Handke? Of wat meer van alle walletjes etend, iets wat Hertmans bij zichzelf vaststelt. Die overpeinzingen leiden niet tot grote zekerheden, maar toch dit inzicht (als hij oog in oog staat met de jongere Hertmans): ,,het is te ingewikkeld tussen mij en mezelf geworden''.
  Sommige hoofdstukken hebben een beklemmende ondertoon, ze verraden (in bloedmooie passages) iets van een existentiële crisis die in de schrijver woedt. In een hotelkamer in Adelaïde (Australië) overvalt ,,de leegte van het bestaan van mensen, dingen en beesten, het niets in het licht'' hem als een hellehond. In een sobere kamer in Wenen staat hij in de spiegel oog in oog met een man in de herhalingstijd van zijn leven, een man die het allemaal al een keer heeft meegemaakt, en die als hij de som van het leven maakt op nul uitkomt.
  De laatste stad die Hertmans ter sprake brengt is Gent, en die thuiskomst heeft iets berustends, verzoenends. Hij schrijft aarzelend, zoekend over deze ,,middelgrote Vlaamse provinciestad'', precies omdat hij er thuis is, en de verbazing die elders zijn analytische batterijen oplaadt het hier laat afweten. Hertmans haalt er Heidegger bij, Handke, en ook het mooie essay ,,Thuis. Een plaats om beu te worden'' van Patricia de Martelaere, om te besluiten dat ,,die rust van het niet meer hoeven zien'', het feit dat je de dingen op hun beloop kan laten, een groot geluksgevoelen kan creëren: de lege dag als paradijs. Niet dat we Hertmans voortaan alleen nog in Gent zullen aantreffen, de eigen tuin cultiverend. Eerder lijkt hij een evenwichtsoefening aan te kondigen, een hoger dwalen tussen de verlokkingen van de thuisplek, waar je gezellig niemand kan zijn, en die van de verre grootstad, waar je moet knokken om iemand te worden.
  Het thuis zijn, schrijft Hertmans, ,,leidt terug naar een wereld waar we gewichtloos en met open ogen drijven, terwijl we haast niets hoeven te zien, en de geluiden van de werkelijkheid slechts vagelijk doordringen als door een wand, een huid die ons beschermt en beschemert. In de baarmoeder van het thuiszijn leven we regressief, maar we broeden er op kracht die we morgen nodig zullen hebben als de voordeur opengaat en we in haast een taxi nemen naar het vliegveld, of de tram naar het station.''
  Hertmans heeft bij Marsman de juiste regel gevonden om dat allemaal samen te vatten: ,,Het nest is goed, maar de wereld ruimer.''

STEFAN HERTMANS, Steden. Verhalen onderweg, Meulenhoff/Kritak, 258 blz., 698 fr.

   

  Terug
Advertising by Publicast - 011/878.406
Hosted by www.Geocities.ws

1