WILLEM FREDERIK HERMANS
Ruisend gruis
Amsterdam: De Bezige Bij
109 blz.
DE zonderlinge positie die Willem Frederik Hermans (1921-1995) heet
in te nemen binnen de Nederlandse literatuur, wordt meer dan bevestigd door
zijn postume roman Ruisend gruis. Veeleer dan een roman is het
een groteske vertelling, waarin het fantastische, het onwaarschijnlijke en
het toevallige moeiteloos samenvloeien met de bittere, wrange en sadistische
uitlatingen die voor Hermans zo typisch zijn. Daarenboven kan Ruisend
gruis worden gelezen als een symbolische novelle over Hermans'
schrijverschap.
Critici hebben de postume Hermans al te vlug afgedaan als een laatste,
vrijblijvende spielerei van de grootmeester, als een verhaal met weinig lijn,
veel wonderlijke uitweidingen en zelfs belachelijke wendingen; als bizar,
buitenissig of onevenwichtig. Een ,,moeilijk te plaatsen roman'' dus, die
,,weinig nieuws'' bracht.
Dat Hermans' laatste werkstuk niet meer zou bieden dan een bundeling van
de traditionele Hermans-komponenten, lijkt weinig waarschijnlijk. Men kan
er net zo goed een klein literair testament vol metaforen in zien, ook over
de literatuur. Maar die verwijzingen zijn uiterst gekondenseerd: alles
staat erin, maar er staat niet wat er staat. Het vergt alleen wat tijd om dat
te ontdekken.
Het boek bevat ontzettend veel samenhangen, verwikkelingen en
verwijzingen. Hermans heeft de touwtjes stevig in handen. ,,De geschiedenis kan niet
chronologisch verteld worden,'' stelt hij. Inderdaad, de vier verhaallijnen,
die elkaar in een twintigtal episoden voortdurend afwisselen, zijn zelfs
amper na te vertellen.
VIGELAND FAHRENKROG is professor in de mineralogie in Groningen en
stukken briljanter dan zijn kollega's. Fahrenkrog, in wie we meteen Hermans
zelf herkennen, heeft een huis gekocht en vóór de verhuizing wil hij in de
vestibule een gaatje boren om zijn antieke kwikbarometer op te hangen.
Uit het gat komt een krachtige straal wit poeder, die toeneemt in kracht.
Al vlug reikt het vreemde gruis tot halverwege de trap, en Fahrenkrog moet
vluchten naar het balkon op de eerste verdieping. Hij vraagt een
voorbijganger de brandweer te verwittigen, maar die gaat daar niet op in. Plots
verschijnt toch een kolossale brandweerwagen, maar op de smalle dorpsweg rijdt
die zich klem tussen de knotwilgen. Later worden die wilgen gewoon
omgezaagd, tot groot ongenoegen van demonstrerende studenten.
Ondertussen wordt, wegens een enorme stank, een trein vol op adoptie
wachtende Russische weeskinderen tot stilstand gebracht. De machinist wil hulp
halen in de buurt van Fahrenkrogs villa. Even later rijdt een HST op de
trein in. De overheid steekt de bloedige katastrofe in de doofpot. Kort daarna
barsten de ramen van Fahrenkrogs villa onder druk van het gruis stuk en
een dichte nevel verhult het hele dorp. Het sandwichhuis ontploft. Iedereen
komt kijken. ,,Hier komt de onderwereld boven,'' merkt iemand op. Fahrenkrog
wordt uit het gruis gehaald, maar overlijdt enkele uren later.
Een tweede verhaallijn brengt ons bij Lievestro, het elfjarige dochtertje
van Fahrenkrog, en bij de handplant. Deze plant hecht zich vast aan de
handen, een ,,mode-verschijnsel'' bij de schoolgaande jeugd.
Net zoals het gruis de ondergang van Fahrenkrog veroorzaakt, betekent de
handplant de dood van Lievestro. In het ziekenhuis wordt ze kunstmatig in
leven gehouden. Op een dag vormen de bloemen aan de handplanten het woord
HELP, en later, als de onderste bloesems verwelken, het woord HEL.
Daarnaast is er het verhaal van Fahrenkrogs kollega-professor Birra, die
met zijn studenten geologie en zijn assistent Rombouts toevallig in de
omgeving van het sandwichhuis terechtkomt. Birra heeft een verklaring voor het
gruis-verschijnsel: er is sprake van een poedervulkaan.
Birra geeft Fahrenkrog alle schuld. Als student prikte die immers al
gaatjes in vacuümverpakte koffie. Als Birra een stuk gebarsten asfalt
onderzoekt, valt hij in een gat en verbrandt. Er stijgt ,,een pikante geur van nobel rundgebraad'' uit het gat
op. ,,Jubelend vloog een leeuwerik dwars over het treurtoneel omhoog.'' In
Birra en Rombouts heeft Hermans prachtig getekende personages neergezet.
Overal lijkt wel iets te woekeren: in een vergaderzaal van de teologische
fakulteit groeien uit de oude eikehouten stoelen allerlei takken en groene
twijgjes, die uiteindelijk het hele gebouw overwoekeren.
,,Onze academia groeit en bloeit als nooit tevoren,'' weet een
hooggeleerd oudtestamenticus.
RUISEND GRUIS is niet alleen een fantastisch verhaal, maar
ook een ongewoon scherpe satire, die het traditionele Hermansiaanse
universum belicht. Vooral het professorenmilieu, waarover Hermans eerder al
herhaaldelijk schreef, moet het ontgelden. Maar ook de politiek (minister Kok),
allerlei overheidsinstanties (brandweerlui), demonstererende studenten,
humane wetenschappers en de kerk krijgen ervan langs.
Hermans valt onder meer de lasterpraat en de algehele tolerantie aan: van
alle kanten is er flink wat tegenwerking, verloedering, moedwil en
misverstand. Instellingen en de natuur overwoekeren de nietige mens. Voor het
overige gebeurt er niets, doet men niets: de brandweerlui niet, de
demonstrerende studenten niet, en het universiteitsbestuur is ,,bang zich te branden
aan koud water''.
De professoren van de teologische fakulteit, die verzwolgen worden door
hun vijand - de natuur - ontkennen de realiteit. De machinist, de
overheid: allen ontvluchten ze hun verantwoordelijkheid. Dat is wat Hermans in dit
gefingeerde verhaal onder meer wil illustreren. Maar er is meer, vandaar de
,,ontsporingen'' in het verhaal.
Fahrenkrogs onvervulde droom bestaat erin, naar analogie van de
vacuümverpakte koffie, zakken van cellofaan te maken in de vorm van grote bouwwerken
als de Sint-Pieter of de Arc de Triomphe. Met een prik kan men die dan in
elkaar doen zakken.
Is ook de literatuur niet een groots bouwwerk, dat soms niet meer lijkt
dan wat ruisend gruis? Is het boren van het gaatje voor de kwikbarometer (de
kostbare literatuur) niet een symbool van het schrijven zelf, dat alle
stoppen los doet slaan en uiteindelijk Fahrenkrogs einde betekent? Zoals de
affaire-Groningen Hermans overstelpte? En zoals Ruisend gruis zelf
zijn einde als schrijver ís, omdat de kanker hem letterlijk
,,overwoekerde'' (zoals de handplant dat doet met Lievestro)?
Hermans heeft in zijn laatste boek ook zichzelf en zijn schrijverschap
niet gespaard. ,,Niets wees erop dat hierin ooit verandering zou komen,''
luidt de zin die zijn oeuvre afsluit.
NIET alleen inhoudelijk, maar ook inzake taal en stijl is het verhaal
grotesk. De taalfouten en vreemde wendingen, de vooral naar het einde toe
hoogdravende, oubollige en ambtelijk-ouderwetse stijl, het draagt alles bij
tot het ironische en ridikulizerende beeld dat Hermans wil schetsen.
De vele meta-talige reflekties zijn niet toevallig: ,,om het zo eens uit
te drukken''; of: ,,Vooraleer we hem laten overlijden, dienen zijn
uitzonderlijke eigenschappen helder beschreven te worden''; of nog: ,,de door
schrijver dezes aanvaarde werkelijkheid ziet eruit als volgt''. Voeg daarbij
de naamgeving en de symboliek, en Hermans blijkt alle mogelijkheden van het
fantastische genre te hebben uitgeput.
Ruisend gruis mag dan geen absoluut hoogtepunt zijn in Hermans'
oeuvre, een heerlijk fantastische vertelling en een waardige afsluiter van
een fascinerend oeuvre is het wel. Hermans heeft het fantastische uitgepuurd tot een soort slapstick, een
(zwarte) komedie, waarin hij als eeuwige konservatieve bullebak nog eens de
oude spotregisters opentrekt en op zijn hoogst aardige wijze bitter om zich
heen schiet, met scherpe inkt.
Grotesk en satirisch dus, maar ook met een ietwat tragische, bittere
ondertoon over zijn schrijverschap zelf. Niet buitenissig of onevenwichtig,
maar sterk gelaagd en symbolisch.
Ook nu blijkt Hermans te irriteren. Met zijn blijkbaar niet meer dan
fantastische verhaal heeft hij alvast de critici op dwaalsporen gebracht.
FILIP DEVOS