Schrijver Hermans, Willem Frederik
Titel Donkere kamer van Damocles, De
Jaar van uitgave
1958Bron NRC
Publicatiedatum 22-11-1958
Recensent
Recensietitel De stem van het roepende kind
Willem Frederik Herrnans heeft zich in de inleiding tot zijn bundel verhalen Paranoia enkele jaren geleden uitgesproken over de moeilijkheden van het woordgebruik. Literatuur: gerangschikte woorden, suggereert een orde, die in werkelijkheid niet bestaat. "Er is maar één werkelijk woord", schreef hij, "chaos." Zonder enige twijfel heeft Hermans zijn belangrijk talent in al zijn romans en verhalen in hoofdzaak gebruikt om dat ene woord chaos, zijn visie op het bestaan, op alle mogelijke manieren te interpreteren. Meeslepend, sterk aangrijpend, roept Herinans ook in zijn nieuwe roman De donkere kamer van Damocles een wereld van chaos op, beheerst door achterdocht. Beklemmender dan ooit wordt ons voorgehouden, dat alles met ons kan gebeuren, alles kan ons worden aangedaan. De wereld van de trouw en het vertrouwen is een
leugen: die van de slechte bedoelingen de enige werkelijkheid.
Hennans geeft zijn hoofdfiguur Osewoudt een naar erkenning hunkerende verzetsman die na de bevrijding van verraad wordt beticht en neergeschoten, één enkele kans: die van zijn liefde voor het ondergedoken Joodse meisje Marianne om hem des te onbarmhartiger in de eenzaamheid terug te stoten, als een kind dat de hand verlangend naar een pop uitstrekt en in plaats van het geschenk slaag ontvangt. Deze vergelijking heeft zin bij Hermans. Zijn visie van een wereld van achterdocht en chaos is in zijn werk vaak te herleiden tot het uitgangspunt van een teleurgesteld, liefde ontberend, geslagen kind.
Hermans schrijft in zijn verhaal Manuscript in een kliniek gevonden over een weeskind, een schoolmeisje, dat door de andere kinderen is getreiterd en alleen op de binnenplaats van de school is achtergebleven. De "ik" in de vertelling luistert naar haar zacht snikken.
Daartussendoor riep zij iets, maar hoe hij zich ook inspande, hij kon het niet verstaan. "Alle woorden die ik kende kwamen mij voor de geest, maar er was er geen bij waarvan ik durfde aannemen, dat zij het riep. Kon ze bijvoorbeeld "moeder" roepen? Een kind uit een weeshuis kon toch niet "moeder" roepen, ook niet "vader" en wie bleef er dan nog over, om geroepen te worden door zo'n kind?" Zo'n kind meent men door Hertnans' werk te horen roepen: Arthur, de geïsoleerde figuur in De tranen der acacia's, die tevergeefs bruggen tracht te slaan naar de anderen; die zonder daarin te slagen op zoek is naar een vader en moeder, Lodewijk, de jonge soldaat in Ik heb altijd gelijk, die eenzaam en verongelijkt blijft, sinds zijn ouders hem in plaats van een wereld van vertrouwen en goede wil een wereld binnenstuurden voorgoed gekleurd door hun harteloosheid en liefdeloze kritiek. Dat uitgangspunt van het emotioneel te kort komende kind ontbreekt ook in De donkere kamer van Damocles niet. Osewoudts hele leven immers wordt beheerst door de wanhopige behoefte aan erkenning, vriendschap en liefde: daarvoor alleen begeeft hij zich in het verzet; maar alles in Hermans'roman is gericht op de conclusie, die hij een
jonge S.S.'er in de mond geeft: "De mens is alleen goed uit berekening, krankzinnigheid of laflieid. " En: "De mens zal eraan moeten wennen te leven in een wereld zonder vrijheid, goedheid en waarheid." Alles loopt slecht af, het kan niet anders.
De verongelijktheid, die behoort tot het wezen van Hermans' schrijverschap: het kind roept maar wordt door niemand verstaan, ligt ook ten grondslag aan De donkere kamer van Damocles, dat ons vanzelf doet denken aan het onthullende verhaal Paranoia. Elk verhaal van Hertnans eigenlijk verraadt een verbeten waanzin, omdat hij het klaarspeelt ons tot zijn visie over te halen van een hele wereld, die het op één individu, de hoofdpersoon steeds, heeft gemunt. Niet alleen de geesteszieke jongeman in Paranoia, maar alle hoofdfiguren in elk der romans zijn speciaal uitgekozen voor de vervolging, de slechte dingen gebeuren altijd met hen, zij zijn buitengesloten, zij worden veracht, maar: zij hebben toch, als Lodewijk in Ik heb altijd gelijk, het grootste gelijk van de wereld, alleen, dat gelijk krijgen zij niet. Ook Osewoudt in de nieuwe roman gaat aan die eeuwige onrechtvaardigheid ten onder. Niemand luistert naar hem, niemand gelooft hem.
Als men deze achtergronden eerunaal ziet, begrijpt men dat De donkere kamer van Darnocles bepaald geen gewone verzetsroman is. Hermans echter heeft dit klimaat van de wetteloosheid, de wanorde, de chaos, waarin iedereen vogelvrij is, nodig. Daarin kan hij het best spotten met de zielige burgerlijke orde, die tegenover de chaos, waarin alles voorbestemd is weg te zinken, en nog zo braaijes wordt gehandhaafd. Symbool daarvan zijn, met ironische trefkracht gebruikt, de blauwe en de gele tram in Voorburg, die voortdurend opduiken als lachwekkende demonstratie van het geloof, dat alles weer rustig zijn gang zal gaan, de orde wordt hersteld en de wereld weer helemaal zal worden gereserveerd voor het kopje thee bij de televisie en de blauwe tram, die ratelend zijn vaststaande route volgt. Herinans stelt daartegenover honend zijn zwart pessimisme. De donker kamer van Damocles, een symbolische titel die verwijst naar de foto's die in de roman een noodlottige rol spelen, is in het werk van Hermans na zijn fantastische verhalen die lang niet alle waren geslaagd, een absoluut hoogtepunt. Het boek behoort tot de beste romans die na de oorlog zijn gepubliceerd. Technisch is dit werk een voor ons land zeldzaam geslaagde prestatie. Het verhaal blijft voortdurend in beweging, op een manier die ook door de "thriller" -elementen sterk aan Graham Greene doet denken, bij wie ook op iedere bladzijde iets gebeurt, die evenmin terugschrikt en wiens werk eveneens omáskenbaar in dienst staat van een idee: bij Greene simplistisch uitgedrukt, die van het medelijden, bij Hermans die van het triomferende onrecht, het altijd winnende kwaad, in gezelschap van de logge domheid, de berekening en de stugge liefdeloosheid. Lezers die houden van rust in het Hollandse binnenhuisje zullen misschien bezwaar hebben tegen wat men bij Hermans graag als cynisme en zijn neiging tot het "erge" signaleert. Andere lezers zullen wellicht zoals wij in deze roman getroffen en ontroerd worden door de macheloze wanhoop, die het hele boek beheerst. Afgezien van de meestal overtuigende handeling, domineert bij de lezer op den duur het gevoel betrokken te zijn in de vlucht door een zwarte nachtmerrie heen van een wanhopige, die geleidelijk aan van alle steunpunten in het leven wordt beroofd. Het is zinloos daartegen in te brengen, dat het allemaal zo erg niet is. Dat is best mogelijk, maar het doet aan de geldigheid van Hermans' visie, waarin hij zijn lezers met zijn middelen betrekt, niets af. Iets nieuws bij de intussen wat oudere hoewel niet zachter geworden Hermans, is zijn diep treffende beschrijving van de verhouding tussen het Joodse meisje Marianne en Osewoudt aan wij hij al zijn twijfel en angst over zijn eigen nietswaardigheid toevertrouwt Eindelijk vindt hij weerklank, echte liefde - maar ook hier zorgt Hennans voor een wreed ontgoochelend verloop. Het kind van hen beiden, dat Osewindt, die zich voelt als een misbaksel, tegen ieders wil de wereld ingeschopt, zal rechtvaardigen, blijkt een doodgeboren monstertje. Maiianne gaat naar Israël. Als Osewoudt gevangen zit antwoordt zij niet op zijn brieven. Mariannes stilzwijgen, als zij met een enkel woord Osewoudt had kunnen redden brengt ons op een hoofdbezwaar tegen Hermans' roman. Ietwat geforceerd namelijk laat hij de hele
wereld tegen Osewoudt samenspannen. Dat dit zou gebeuren is heel goed mogelijk, maar Marianne, zoals hij haar aanvankelijk schilderde, zou zeker van zich hebben laten horen. Een ernstiger bezwaar nog is de behandeling van de voor de roman beslissende geheime figuur Dorbeck. Osewoudt namelijk onderneemt al zijn verzetsdaden, het uit de weg ruimen van nazi's etc. hij trotseert Duitse verhoren en martelingen, hij doet alles terwille van Dorbeck en meestal op diens bevel. Bij de bevrijding nu wordt Osewoudt als een verrader gevangen genomen. Al zijn heroïsche daden, ondernomen niet zozeer voor het vaderland, maar om respect voor zichzelf te veroveren, worden als landverraad geïnterpreteerd: hij staat alleen, typische HerTnanssituatie, tegenover de hele wereld. Alleen de getuigenis van Dorbeck zou hem kunnen redden. Wie is Dorbeck? Waar is hij? FEj wordt nooit gevonden. Nu zijn er twee mogelijkheden. Osewoudt, die met een krankzinnige moeder erfelijk is belast, zou zich de hele figuur Dorbeck hebben kunnen dromen. Er zijn aanwijzingen in die richting. Dorbeck lijkt sprekend op hem, Osewoudt, zoals hij zelf zegt als een gelukt baksel op een misbaksel. Dorbeck is de held en Osewoudt een verachtelijk wezen. Hij zou zich Dorbeck dus in de fantasie hebben kunnen scheppen om zo de moed te vinden voor zijn daden. Al geeft een psychiater tegen het eind van het boek die suggestie - de lezer weet, dat Herrnans Dorbeck wel degelijk in het leven heeft geroepen. Ifij, Dorbeck, doet immers concrete dingen voor Osewoudt, zorgt voor persoonsbewijzen, stuurt mensen op hem af, helpt hem aan een verpleegstersuniform, waarin hij kan vluchten enz. Zodra Dorbeck echter werkelijk bestaat, is het onaanvaardbaar, dat hij tijdens alle nasporingen niet zou worden gevonden, of althans helemaal geen zekerheid zou worden verkregen omtrent zijn bestaan. Maar Hermans had nu eemnaal besloten, dat zijn Barbertje, zijn Osewoudt en elk geval moest hangen. Afgezien intussen van deze door Hermans zeker gewilde, maar niet verantwoorde ambivalente omtrent Dorbeck, is De donkere kenner van Damocles een roman van belang, waarmee men Hermans geluk kan wensen. Een meeslepende vertelkunst, technische vaardigheid in dienst van een persoonlijke visie, een persoonlijke obsessie, vindt men in onze romanliteratuur niet zo vaak. Bij veel dat ons aan sfeer en telkens weer opduikende beelden uit deze roman bijblijft, is zeker ook die aangrijpende scène met Marianne, waarin het bange en ongelukkige kind, dat in Osewindt is bfijven bestaan, lettelijk met de moed der wanhoop zijn schroom overwint om zich uit te spreken tegen iemand die inderdaad om hem geeft. Dit blijkt een illusie, maar voor een kort ogenblik is het roepende kind gehoord en getroost.