Schrijver Hermans, Willem Frederik
Titel Behouden huis, Het
Jaar
van uitgave 1952Bron Handelsblad
Publicatiedatum 26-07-1952
Recensent
Recensietitel De illusie van het huis
DE NOVELLE Het behouden huis van Willem Frederik Hermans die in de Ultimatumreeks is verschenen van De Bezige Bij, is karakteristiek voor een visie op de wereld als een chaotische en vooral zinloze verblijfplaats, waarmee men het tot een tijdelijk accoord tracht te brengen om een algehele ondergang althans uit te stellen. Een sombere visie, die de innerlijke problematiek van de auteur lijkt te weerspiegelen en die overigens ook, zoals ander werk van Hermans, niet vrij is van een zeker behagen in het schokkende; deze laatste eigenschap is intussen even onthullend voor de driftige energie van deze jonge schrijver, zijn levenslust zou men bijna zeggen, als voor de angsten waardoor hij, als typisch kind van zijn tijd waarschijrdijk, wordt geplaagd.
Deze achtergrond moge de zin van deze novelle bepalen - het verhaal op zichzelf is ook van een vreemde bekoring. Het speelt ergens in Oost-Duitsland in oorlogstijd. Partisanen bestrijden de terugtrekkende Duitsers. Door middel van de verteller van het verhaal, een Hollander die zonder veel overtuiging aan de kant van de partisanen staa@ wordt uitnemend de verwarde sfeer opgeorpen van het slagveld en een belegerd dorp. Op doordringende wijze wordt gesuggereerd dat de strijd eigenlijk al lang voorbij alle leuzen en idealen is; alle betrokkenen en in het bijzonder de "ik" gaat het uitsluitend om eigen zelfbeghoud, rust, bevrijding van de chaos, die de verteller in zijn overwegingen naderbij wenst door te hopen op een bijzondere staat van gevoelloosheid, onaandoenlijkheid, als enige kans om het leven te kunnen blijven verdragen.
De verteller vindt zijn beschermend fort tegen het leven voor een korte periode in een herenhuis, dat op onverklaarbare wijze onbeschadigd is gebleven. Het is een weelderig ingericht huis, de bewoners zijn juist vertrokken. De Hollander klemt zich er aan vast als een laatste citadel, een laatste houvast. ffij weet zich zelfs staande te houden wanneer de Duitsers het dorp heroveren. Elk vast punt in zijn leven concentreert zich op het huis, dat echter na de terugkomst van de partisanen tijdens een liederlijke orgie barbaars bij de chaos wordt ingelijfd.
Wanneer de verteller ten slotte verder trekt met de partisanen, de overal heersende wanorde tegemoet, begrijpt hij dat hij zich met een illusie heeft tevreden gesteld. Hij kijkt om naar het huis: "ik zag armzalig dood riet in bossen naar beneden hangen uit de gebroken plafonds die de hemel hadden voorgesteld. Ik keek het huis diep in de doodzieke keel. Het was of het ook aldoor comedie had gespeeld en zich nu pas liet zien zoals het in werkelijkheid altijd was geweest: een hol, tochtig brok steen, inwendig vol afbraak en vuiligheid." Ook de laatste citadel van de bourgeoisie blijkt van binnen al lang te zijn aangetast; de verborgen chaos is nu alleen naar buiten gekeerd. De wereld is overal ontluisterd. Wat men op deze visie zal willen afdingen, aan de beklemmende sfeer van deze geslaagde novelle van meer dan gewoon belang zal men zich niet gemakkelijk kunnen onttrekken.
getrouwd, werkt in Amsterdam. Het verhaal van 'Buitenvrouw' (Surinaams -Nederlands woord voor bijvrouw) is gauw verteld en nogal dunnetjes: Theo heeft weer's zijn dinsdagse overspel en treft dan terug op school een tekening aan op het bord, een karikatuur van zijn hoofd met bril en enorme neus, en daarnaast in een tekstballon geschreven: Blackie is the best. Onbegrijpelijk genoeg vat hij tekening en tekst niet op als het heftig bewijs van het feit dat zijn verhouding met de zwarte lerares algemeen bekend is, maar percipieert hij alleen het racistische element in de tekst. Door zijn omgang met Iris is hij ineens bijzonder gevoelig geworden voor uitlatingen die naar racisme zwemen. De volgende dag krijgt hij weer hetzelfde op zijn bord en valt hij extreem uit tegen enkele leerlingen. Aan het eind van de schooldag verneemt hij van de conrector dat iedereen op de hoogte is van zijn overspelige relatie. Deze raadt hem aan maar even thuis te blijven, om zijn kalmte te hervinden. Veertien maanden lang heeft Theo zijn vrouw bedrogen, het geheim van zijn overspel is voor haar al die tijd geheim gebleven, hij heeft zich dikwijls met angst en beven afgevraagd hoe lang dat nog kon duren, maar tot dan toe heeft ze niets gemerkt. Het lijkt er dan op dat in deze slotfase, de tijd waarin de roman zich afspeelt, een bekentenis onvermijdelijk word@ maar tot Theo's verbazing en opluchting weet hij alles met een simpel leugentje - al veertien maanden ordeproblemen - aan Sylvia te verklaren. Dat is een buitengewoon onbevredigend, zij het wel een onverwacht einde. Het maakt deze Theo definitief tot een uitermate antipathiek romanpersonage. Ffij is een toneelspeler die zichzelf zoet houdt met de gedachte dat iets verzwijgen niet hetzelfde is als bedrog. De veronderstelling dat deze twee mensen een volmaakt gelukkig huwelijk hebben, was altijd al enigszins bespottelijk, maar in het slothoofdstuk is daar absoluut niet meer in te geloven. Het verhaal van het einde van Theo's omgang met Iris (want dat is het gevolg) wordt natuurlijk opgevuld en gelardeerd met gebeurtenissen in het heden en het verleden, die op een of andere manier verbonden kunnen worden met motieven als liefde, seks, racisme. Aldus wordt een in feite dunne geschiedenis opgedikt tot roman. Het meeste dat er in verteld wordt blijft zich nogal afspelen aan de oppervlakte en krijgt weinig diepgang. Des te opmerkelijker is het dat er ten aanzien van Theo's seks met de zwarte Iris ideeën worden ontwikkeld die veel verder lijken te reiken. Echt begrijpen doe ik de verspreide gedachtengangen op dit punt overigens niet. Wat te denken van onsmakelijke vergelijkingen als deze, waarin Theo bij Iris naar binnen schuift "zoals een lijk opeen slede een koelcel in wordt geschoven." Even verderop wordt het beeld van de koelcel snel vervangen doordat van "een crematorium in vol bedrijf." Theo heeft kennelijk allerlei doodsfantasieën bij Iris: "Dat we spelen dat ik dood ben en jij wanhopig probeert mij weer tot leven te wekken. Dat jij een zwarte doodskist bent van levend steen waar ik in kom te liggen, ik het koude witte lijk in een gloeiende sarcofaag. " In de enkele, meer theoretiserende passages, waarin Iris en Sylvia met elkaar worden vergeleken, heet het dat Sylvia "als een ziekte en uit liefde in hem (was) gaan zitten, zijn aderen doorstromend, zij was zijn altrliistische, filantropische doodseskader. (... ) Met Iris was het anders. Dat was opnieuw ontdekte baldadigheid, hij was op dinsdagmiddag weer voor even achttien jaar en niet geklonken aan de dood door liefde maar door geilheid, gevoed door kille berekening en marápuleerbare fantasiebeelden. Ifij naaide met Iris de pluggen uit de muur en de pannen van het dak en dat was alles, lekker geile grafschennis, dat hoorde er nu eenmaal bij." Koelcel, crematorium, sarcofaag, grafschennis - ik kan het niet zo best meer volgen, eerlijk gezegd. Veel uitwerking in de roman krijgen deze doodsfantasieën tijdens het seksuele verkeer niet en misschien is dat maar goed ook, want het is zo, zwart-wit, al wel meer dan genoeg. Als Zwagerman diepzinnig wil worden, is hij niet op zijn sterkst. Efij is echt een schrijver van de buitenkant. Meer niet.