Schrijver Hermans, Willem Frederik
Titel Au pair: roman
Jaar van uitgave 1989
Bron De Tijd
Publicatiedatum 08-09-1989
Recensent Koos Hageraats
Recensietitel Een onderzoek naar het vermogen van de taal : Hermans als duivelse beschermheer
Waarheid en bedrog, schijn en werkelijkheid, cultuur versus natuur, moedwd en misverstand of taal en betekenis: het is moeilijk te bepalen welk thema het belangrijkste is in W.F. Hermans' nieuwe roman'Au Pair'.Na enige tientallen bladzijden tegenspoed komt Paulina, de negentienjarige hoofdpersoon van Au pair, een haar onbekende 'niet zo jonge meneer' tegen in wie de lezer onmiddellijk de schrijver Hermans herkent. De meneer in kwestie zegt dat hij werkelijk het beste voor heeft met Paulina:
'Van dit ogenblik af zullen een heleboel dingen beter gaan'.
Wanneer Paulina daarop verbaasd vraagt of hij dan misschien een tovenaar is, antwoordt de
meneer:
'Waarom niet? Een tovenaar, of de Duivel. Dat weet niemand precies, ik zelf ook niet. Maar ik
zal je laten zien dat ik er niet op uit ben iedereen in het ongeluk te storted.
Dat is dus dubbel oppassen geblazen, want stel nu dat de meneer niet, of niet alléén een tovenaar is? Een duivel die de waarheid spreekt is net zomin te vertrouwen als een Kretenzer die hegt. Maar weet Paulina veel? Waarom zou ze de meneer niet geloven? Na deze ontmoeting neemt haar leven immers een fenomenale wending ten goede - ze mag die meneer wel dankbaar zijn. Tot dat moment was haar verblijf in Pwijs geen succes. Nadat ze had besloten in de Franse hoofdstad Frans en Kunstgeschiedenis te gaan studeren, kwam ze als au pair terecht bij een advocaten-echtpaar waar ze weinig meer hoefde te doen dan voor hun dertienjarige zoontje te zorgen. Maar haar verblijf bij die familie is van korte duur: op het zolderkamertje dat haar was toegewezen werd ze voortdurend gestoord door andere mensen, en het zoontje maakt in hun enige, lülarisch leuke gesprek zonder omwegen duidelijk dat hij Paulina in zijn bed wenst
("Ik ben, mijn leeftijd in aanmerking genomen, erg voorlijk,"
deelde hij mede.'). Reden genoeg voor Paulina om een ander adres te zoeken.
Overstelpt met attenties Na haar ontmoeting met de aardige meneer komt ze terecht bij een schatrijke, gepensioneerde generaal die met zijn familie in een groot pand woont. Daar valt ze van de ene verbazing in de andere; ze krijgt een riante kamer, bediend personeel staat iedere
minuut van de dag voor haar klaar, ze wordt overstelpt met geld en attenties - en voor dit alles hoeft ze niets terug te doen.
Spoedig maakt ze kennis met de generaal, die haar uitgebreid onderhoudt over zijn Guysverzameling, en met zijn familie: met het Who-is-afraid-of-Virginia-Woolf-achtige echtpaar Armand en Jacqueline, met Arinands broer Mchel, die een sober en teruggetrokken leven leidt, en met Edouard, de zoon van Arrnand en Jacqueline. Iedereen is even gul en vriendelijk voor haar, al heeft ze geen idee waar ze dat aan te danken heeft. Maar ze begint zich wel schuldig te voelen omdat ze niets terug kan doen.
Uit de gesprekken met de generaal en zijn familieleden blijkt na afloop van tijd dat hun onmetelijke rijkdom 'eigenlijk' niet gerechtvaardigd is, voortgekomen als die is uit een kapitaal dat de generaal tijdens de Tweede Wereldoorlog tijdelijk in beheer had en dat hij daarna niet meer aan de inmiddels hoogstwaarschijnlijk overleden ijoodse) eigenaar kon teruggeven, terwijl hij evenmin wilde dat de enige wettige erfgenaam het in zijn bezit zou krijgen omdat dat een notoire SS-er was. En terwijl de generaal met het morele dilemma van de onrechtvaardige rechtvaardigheid (of andersom: de gerechtvaardigde onrechtvaardigheid) worstelt, zet zijn kleinzoon Edouard zich in om het kapitaal zo expansief mogelijk te beleggen.
Uiteindelijk valt het besluit het dilemma van de generaal op te lossen door een groot geldbedrag toe te spelen aan een liefdadigheidsinstelfing in Israël, - zo is zijn geweten gesust en de wettige erfgenaam kan naar zijn geld fluiten. Ifier ligt de kans voor Paufina om eindelijk iets terug te kunnen doen voor wat de familie zomaar voor haar gedaan heeft. Ze biedt aan de koffer met geld naar Bazel te smokkelen, van waaruit het geld naar Israël zal worden doorgesluisd.
Dankbaar maakt men gebruik van haar aanbod en met behulp van een notaris krijgt het plan vaste vorm. Op het laatste moment echter verandert Paulina's reisbestemrning: ze moet niet naar Zwitserland maar naar Luxemburg. Aldaar wordt de koffer met geld in ontvangst genomen door mensen die Paulina niet kent maar die haar verder ook niet interesseren, het enige waar het haar om gaat is, dat haar missie is geslaagd.
Hierna gaat ze met Ifichel, die haar achterna gereisd was, een paar dagen naar Londen. Daar krijgt ze te horen dat de generaal in de tussentijd is overleden, en dat het geld toch in handen is gevallen van de wettige erfgenaam, de oud-SS-er.
Venijn Het typisch Herrnansiaanse venijn zit, op verhaalniveau, natuurlijk in de ontknoping: de generaal die jarenlang gepiekerd heeft over de oplossing van zijn morele dilemma komt te overlijden vlak voordat die oplossing verwezenlijkt lijkt te worden (overigens zonder dat hij daar weet van heeft), en Paulina ontdekt het bedrog waardoor zij zonder het te weten heeft meegewerkt aan de mislukking van een illusie.
Bij nader inzien was die aardige meneer zeker niet alleen maar een tovenaar.
Maar een ideeënroman van Hermans, een roman van ruim vierhonderd pagina's nog wel, bevat uiteraard heel wat meer dan enkel dit inmiddels zeer bekende thema. Het is evenwel moeilijk te bepalen welk thema het belangrijkste is: dat van waarheid en bedrog, schijn en werkelijkheid, cultuur versus natuur, moedwil en misverstand, of taal en betekenis -, al ben ik geneigd dat laatste thema als de drager van Au pair te beschouwen. Herrnans heeft zijn thema's met elkaar vervlochten tot een eenheid die, zodra je die probeert te doorzien of te overzien, als het ware terugwijkt en ongrijpbaar wordt door en in de labyrintische structuur van het schijnbaar eenvoudige, hoofdzakelijk chronologisch vertelde verhaal.
Zoals bekend gaat Hermans op zijn manier altijd nogal hardhandig om met zowel zichzelf - dat wil zeggen: met zijn literaire 'ik', welke vonn dat ook krijgt - en met zijn personages. In dit geval zijn het vooral de familieleden van de generaal die er met bedaard toegebrachte zweepslagen van langs krijgen. Artnand is een mislukt schrijver/dichter die aan de drank is, zijn vrouw Jacqueline, eveneens aan de drank, klampt zich vast aan verloren en verkeerde idealen; Armands broer Ifichel beschouwt zichzelf als een mislukt pianist; voor het leven heeft hij geen talent; hij wordt
wel verliefd op Paulina maar zij niet op hem, enzovoort - het zwepenarsenaal van Hermans is onuitputtelijk. Alleen Edouard komt er redelijk vanaf, maar hij is dan ook de amorele, cynische realist.
En Paulina? Hoewel zij alles bij elkaar genomen nog tamelijk goed terecht komt, wordt er met haar toch ook stevig gesold. Maar daar heeft ze nauwelijks weet van, en juist omdat ze door die onwetendheid beschermd wordt is dat een zekere troost en tegelijkertijd het bewijs dat die aardige meneer inderdaad het beste met haar voor had. Of misschien is het beter daar achteraf van te maken: het best mogelijke. Want in haar onderbewustzijn, tijdens haar dromen, stuit Paulina wel degelijk op de waarheid, en dat roept hevige angstgevoelens op. Maar gelukkig voor haar dringt die angst niet door tot haar bewustzijn.
Zo slaagt ze er niet in een droon*agment te interpreteren waarin ze het zinnetje 'Je Mange Tout tegenkomt, al roept dat zinnetje wel angstgevoelens op. Waarom? Omdat - maar als gezegd: zij weet dat niet -'Je Mange Touf maar één letter scheelt met de naam van een restaurant dat ze eerder bezocht, 'Le Mange Tout - zoals 'Ik eet alles' ook maar één letter verschilt van 'Ik weet alles'. En als Pauhna 'echt' alles zou weten omtrent de waarheid, zou zij niet zo naïef blijven geloven in de zinvolheid van haar onderneming.
Vanwaar dan toch die 'milde' behandeling van Pauhna? Omdat de schrijver verliefd op haar is, zijn eigen schepping, en hij er met zijn alomtegenwoordigheid voor waakt dat haar al te groot ongeluk zal overkomen. Hij is haar duivelse beschermheer. Niet alleen als 'aardige meneer' dringt Hermans zijn eigen verhaal binnen, ook in een andere gedaante (en op een ander niveau) is hij
alomtegenwoordig.
Eén keer narnefijk wordt Pauffim 'een Diana' genoemd, wat door middel van een klank-associatie herkend kan worden als een allusie op de mythe van Danaë, en daar ligt de sleutel voor des schrijvers aanwezigheid in zijn verhaal. Waar Danaë bevrucht werd door de Gouden Regen van Zeus, daar stort om zo te zeggen de schrijver zich op zijn 'Diana' nfiddels een paar regenbuien. In een ander verband maar qua 'extra betekenis' op hetzelfde niveau wordt de parel aan Paulina's halsketting 'een druppel sperma van een god genoemd. Wanneer Michel jaar deze halsketting omhangt, lezen we:
"'Ik weet niet of de parel boven je decolleté hangt als een lantarentje dat de weg wijst", zei hij
moeizaam lachend, "of als een magische bescherming."'
Paulina zegt het niet te weten - natuurlijk niet: die onwetendheid is immers haar bescherming Alleen de lezer wordt de weg gewezen - zij het niet naar haar decolleté -
Maar hier ook laat Hermans zien hoe ongenadig hij net zo goed is voor zijn literaire 'ik': Paulina komt nergens met die regen in aanraking omdat ze beschermd wordt door een paraplu. Trouwens, hoe verliefd ook, Paulina's schepper is meteen ook haar vader - de klank -associatie van 'au pair' met 'pere' wijst daar eveneens op - dus hoe dicht hij haar ook nadert, meer dan voyeurisme zit er voor de schrijver uiteindelijk niet in. Maar wanneer helemaal aan het einde de frappe met de half doorzichtige spiegels duidelijk wordt (waarbij de schrijver en passant ook nog even samenvalt met de oude generaal), kan de lezer alleen maar concluderen dat het een riant voyeurisme is geweest: alle keren dat de goddelijk geproportioneerde Pauflna naakt in beeld verscheen, was de onzichtbare, alomtegenwoordige schrijver erbij. Althans: - daar heeft het alle schijn van. Zeker gelet op het feit dat in het allerlaatste hoofdstuk van de roman juist deze thematiek wordt aangesneden -'een meneer' die Paulina in Madame Bovary ziet zitten lezen, vraagt zich af of Flaubert niet beter met Emma naar bed had kunnen gaan in plaats van het tragische slot te bedenken dat de roman nu heeft, want met haar naar bed te gaan 'zou haar redding zijn geweest' -, ben ik van mening dat Au pair vooral een roman is waarin Hermans het vermogen van de taal tot de uiterste grens onderzocht heeft door te proberen de grenzen van zijn onvennogen te overschrijden.
1
En zo gaat dat nu eenmaal wanneer een tovenaar met de duivel samenwerkt: zijn slagen betekent
tegelijkertijd zijn falen, zijn falen tegelijkertijd zijn slagen.