Schrijver Heijden, A.F.Th. van der
Titel Weerborstels
Jaar van uitgave 1992
Bron Vrij Nederland
Publicatiedatum 22-02-1992
Recensent Carel Peeters
Recensietitel Een ridder van de grens
'Weerborstels', het boekenweekgeschenk van A.F. Th. van der Heijden, is een zelfstandig onderdeel van zijn romancyclus 'De tandeloze tijd' en een ideale kennismaking ermee. De novelle verschijnt op 1 1 maart.
Het verwondert mij niet dat het een vorm is waar Van der Heijden zijn verhaal in Weerborstels omheen bouwt: weerborstels. Dat is hier het draaikolkje van haren dat tegen de streek van de kam ingroeit op het hoofd van Robby, het neeije van Albert Egberts, de hoofdpersoon van De tandeloze tijd. Zulke vormen worden door Van der Heijden vaker gebruikt en betekenen altijd meer dan waar ze in eerste instantie voor staan, ze krijgen iets symbolisch. Efij heeft ze na acht boeken in verschillende soorten: heel gewone voorwerpen of objecten zoals de schaar in De slag om de Blauwbrug, het mes en de gevarendriehoek in De gevarendriehoek, de sandwich in de gelijknamige roman, of van meer abstracte aard, zoals het stijgen en dalen/vallen en opstaan in Vallende ouders, hemel en hel in Het leven uit een dag, grenzen en euforie in De advocaat van de hanen. Het is een literaire morfologie aan het worden, de typische Van der Heij den -manier om de herinneringen, verhalen en anekdoten in de romancyclus van hun eendimensionaliteit te ontdoen. Vormen die voor vallen en opstaan, stijgen en dalen staan, zijn in de meerderheid. Bij Van der Heijden wordt gependeld tussen hoog en laag als het gaat om milieus, ambities, emoties, stemmingen, moraal en omstandigheden, zonder dat uiteinden k een hiërarchie ontstaat. Wat hoog is krijgt iets laags, en wat laag staat krijgt allure.
Er zijn vele kanten in het werk van Van der Heijden die bewondering afdwingen, maar het meest misschien nog wel zijn vermogen om van niets iets te maken: de mensen die hij beschrijft hebben op het eerste gezicht weinig of geen allure maar Van der Heijden weet ze tot helden en antihelden in één te maken. Ffij bewerkt ze, dat lijkt me de meest adequate omschrijving van de manier waarop hij te werk gaat. FEj haalt uit ze wat erin zit en laat zich niet ontmoedigen door de gedachte dat het niet om wereldschokkende levens gaat; integendeel, hij sleurt uit elk familielid en elke schijnbaar nietige gebeurtenis een fonkelend verhaal. Dat geldt voor de hoofdpersoon Albert Egberts, maar ook voor zijn vrienden, zijn vader en moeder, ooms en tantes. Ook al worden ze getoond in hun heschamendste staat, ze krijgen allemaal een bizarre waarde. Van der Heijden maakt van het heschamende iets. Tegen zijn vriend Flix zegt Albert Egberts in De
gevarendriehoek: 'Ik ga ervan uit datje alles watje aan armzaligs en rottigs op je weg tegenkomt,
en waar je niet omheen kunt, achteraf moet kunnen omsmeden, omsmeiten tot iets moois dat
tegelijkertijd - verhevigd - de herinnering aan de gruwel in zich bergt.'
Weerborstels is een zelfstandige novelle in de cyclus De tandeloze tijd, die gesitueerd moet worden tussen het tweede deel, De gevarendriehoek, en het nog te verschijnen derde deel dat de
titel Sneewnacht in september zal krijgen. De Robby van de weerborstels is het oudste kind van Robert, een broer van Albert Egberts' vader. Hij is vijf jaar jonger dan Albert. Albert, die tien is wanneer de novelle begint, kan op het hoofd van Robby neerkijken en wordt ontroerd door het tegendraadse draaikolkje. Het is symbolisch voor het knaapje. Hij praat tegen de draad van zijn leeftijd in en gedraagt zich als 'een kleine compromisloze volwassene'. In de eerste pagina's staan Albert en Robby in de tuin te kijken naar Robby's vader die een antenne op het dak aan het plaatsen is. Robby voorziet de bewegingen van zijn vader van commentaar'op z'n voorlijk Eindhovens afbektoontje' ("Kiek nou, d'n dolle..."). De verteller (Albert Egberts) vraagt zich af of hij die middag de eerste symptomen van Robby's'fatale autonomie'heeft gesignaleerd. In De tandeloze tijd worden regelmatig grenzen afgetast. De diepe dalen en hoge toppen worden bereikt met drank, drugs en vandalisme. Het zijn vooral compensaties voor de algehele geblaseerdheid van de personages (Albert, Flix, Thjum, Quispel).
In Weerborstels is ook wel sprake van een drang tot zelfvemietiging , maar niet als reactie op zoiets sofisticateds als blaséheid, daar is Robby niet intelligent genoeg voor. Robby groeit in de voetsporen van zijn vader Robert uit tot iemand wiens 'vak' de 'snelheid' is. Van die vader schetst Van der Heijdens het soort portret waarin hij een meester is: hij toont iemands karakter en eigenaardigheden in actie, in wat hij doet en hoe hij zich gedraagt, zodat het innerlijk door het uiterlijk zichtbaar wordt als het moet maakt hij zich ook meester van diens gedachten. Robert Egberts is een 'schuw beest', iemand die mensen nooit aankijkt, omdat hij ooit in zijn oog is gestoken met een breinaald. Hij gedraagt zich of hij permanent ontzichtbaar wil zijn. Hij is een wielrenfanaat: hoe sneller hoe minder zichtbaar. Zijn fietsfanatisme gaat als vanzelfsprekend over op zijn zoon maar niet zonder indringend gecoach van de vader, door Van der Heijden beschreven alsof hij er bovenop stond: 'Robby luisterde met een soort woedende aandacht, en trok daar bij het kwaaie, gespannen smoel waarmee zijn vader vroeger, in zijn beste dagen, van de finish kwwn. Ze keken elkaar niet aan, of hooguit met de kortst denkbare blik, niet meer dan een ketsen van pupillen . Nooit kon er een lachje af, bij geen van beiden. Je kon merken dat ze elkaar in die overspannen verstandhouding bijna teveel waren, Robert Egberts senior en junior.' Van der Heijden houdt altijd een dubbele agenda: hij heschrijft zijn herinneringen gedetailleerd en'in de breedte', met een wellust alsof hij ze op de tijd terug wil veroveren. Daarnaast levert hij er commentaar op, reflecties die alles in het gewenste licht plaatsen. Soms kan dat wat wijsneuzig zijn, maar die bedenking verdwijnt door de hoeveelheid en scherpzinnigheid ervan. 'Zelfs in hun neergang,' schrijft hij over zijn oom en zijn familie, 'zo leek het, stortten Robert Egberts en de zijnen zich met tomeloze energie. De vitaliteit bleef per saldo gelijk; zij hulden zich alleen in andere gedaante: die van de pech. Stralende uitzondering op de neergang van dit familietje vonnde Robby, wie alles lukte.'De zuiverheid van die uitstraling houdt geen stand. Robby ontpopt zich snel tot een wielerkarnpioen, maar gaat dan over op meer risicodragend werk, de motorsport zijn hartstocht bekostigend met louche handel.
Ook in Weerborstels zorgt Van der Heijden ervoor dat op elke pagina iets te beleven valt, door zijn stilistisch vernuft of door wat hij te vertellen heeft. I£j vertelt meerdimensionaal (uiterlijk, innerlijk, vogelvlucht), maakt zonder moeite sprongen in de tijd, is zowel deel van het verhaal als toeschouwer, verandert van episch vertellend in anekdotisch en vervlecht daarin het commentaar van iemand die terugkijkt. De toon is die van ontroering en grimmige zelfspot. Van der Heijden is ongenadig voor zijn personages, maar is tegelijk solidair met ze. Robby is één van zijn waaghalzen en grensgangers: hij haalt met zijn motor niet alleen levensgevaarlijke toeren uit, maar heeft ook een opgevoerde Volkswagen waannee hij alles achter zich laat. Hoe ver Robby ook in intelligentie van hem afstaat, Albert voelt zich naijverig in zijn buurt. Dat heeft te maken, zo blijkt uit een gesprek dat ze hebben over de channes en consequenties van de 'snelheid', met de manier waarop ze er het liefste tussenuit zouden willen knijpen: hoe ze aan hun eind willen komen.
Albert herkent in Robby dezelfde angsten, maar wel van een ander kaliber.
Robby wil een 'naadloze' dood en is ook bereid daarvoor te zorgen, hij wil geen half werk; Albert benijdt hem omdat hij zeker weet dat hij, als het erop aankomt, onwaardig zal tegenspartelen, aldus onthullend dat hij eigenlijk niet wil. Robby is al een keer'klinisch dood geweest en maakt niet de indruk dat zijn zelfvemietigingsdrang minder is geworden. Nadat hij niet is gestopt voor een routinecontrole zal hij zich 'naadloos' en conform zijn fatale autonomie doodrijden bij een wilde achtervolging door de politie.
Weerborstels komt uit het'heimelijke "Laboratorium Voor Onderzoek Naar Menselijke Grenzen', zoals de werkcel van de schrijver Van der Heijden in De sandwich heet. Toch gaat het niet alleen om een ridder van de grens in Weerborstels. Het gaat ook om vaderschap (wat ook blijkt uit de opdracht'Voor mijn zoon Tonio'). Robby heeft in zijn bestaan als waaghals en crimineel nauwelijks nog contact met zijn vader. De man hoort alleen van hem via de politie als hij weer een ongeluk heeft gehad, zoals de keer dat hij 'klinisch dood was. De vader wilde het niet geloven, en kreeg gelijk. Robby kwam weer tot leven. Maar wanneer hij zich echt heeft doodgereden gelooft hij het wéér niet, en wordt in zijn overtuiging gesterkt wanneer hij de stoffelijke resten niet mag zien omdat ze te erg zijn verminkt. Ook in zulke passages, vooral die van de begrafenis, bewijst Van der Heijden hoe vruchtbaar zijn methode van het 'schrijven in de breedte' is. ffij verplaatst zich dan in de geest van Robby's moeder en fluistert haar verzachtende gedachten in om Robby's dood draaglijker te maken. Dit is niet alleen maar een verteltechnisch foeije, het gaat Van der Heijden ook om iets meer: iets (een discipline) te vinden tegen het verdriet om de dood van wie ons 'na staan (te na staan)': 'Als we uitzinnig bang zijn iemand te verliezen (... ) waarom onszelf dan niet, in plaats ons te vennoeien met ontrnaskeringen, juist gehersenspoeld met de stelling "liefde bestaat niet, alles is egoïsme en kwelzucht, de doden laten ons koud"?' Hij zoekt acceptabele rechtvaardigingen voor de dood, maar een oplossing als die van Robby zit er voor hem niet in. Wie nog niet heeft kennisgemaakt met Van der Heijdens romancyclus De tandeloze tijd heeft in Weerborstels een ideale aanleiding.