Schrijver Heijden, A.F.Th. van der

Titel Vallende ouders (De tandeloze tijd; 1)

Jaar van uitgave 1983

Bron NRC Handelsblad

Publicatiedatum 13-01-1984

Recensent Reinjan Mulder

Recensietitel Een berg van herinneringen : trilogie van A. F. Th. van der Heijden

Toen ik een paar hoofdstukken had gelezen van Vallende Ouders, het eerste deel van A.F. Th. van der Heijdens romantrilogie De Tandeloze Tijd, kon ik een licht gevoel van neerslachtigheid niet van me afzetten. Ik zat nog midden in de avonturen van de hoofdpersoon Albert Egberts, en ik zou er nog wel een of twee dagen mee bezig blijven, maar daarna zou het meer dan een half jaar duren voor ik in staat was zijn lot in zijn geheel te overzien.

In de 250 bladzijden die me nog in het eerste deel restten zou ik weliswaar meer te weten komen van de gebeurtenissen die aan Egberts' dertigste veij aardag waren voorafgegaan, maar de volledige waarheid over deze dranklustige Brabander die in Amsterdam aan de heroïne was geraakt zou ik op zijn vroegst pas tegen de zomer leren kennen.

Het was alsof ik voor een groot onbekend schilderij stond waarvan het grootste deel aan het oog werd onttrokken door de vette rug van een museumbezoeker. De lijnen houden op slecht gekozen plaatsen op, het evenwicht ontbreekt, en een vlekje links zou je graag rechts boven nog een keer terugzien. Maar wat er te zien is wekt verwachtingen, genoeg om de ongewenste bezoeker een duwtje te geven!

Het beeld van een onvolledig schilderij kwam waarschijnlijk bij me op omdat het in de trilogie De Tandeloze Tijd, waarvan vorige maand de proloog en het eerste deel zijn verschenen, nu juist gaat om het geven van een totaaloverzicht. Albert Egberts probeert te "leven in de breedte". Ffij wil de ervaringen die hij heeft gehad niet als een reeks losstaande, opeenvolgende gebeurtenissen zien, maar hij streeft naar een soort religieus "schouwen". Zoals een stervende nog één keer zijn hele leven aan zich voorbij ziet trekken, zo wil hij zich op één moment bewust kunnen zijn van alles wat hij heeft meegemaakt. Om uit de impasse te komen waarin hij zich bevindt, is hij op zoek naar een verleden, dat hem dag en nacht tot steun kan zijn.

Het verdelen van zo'n verleden over verschillende tijdstippen is wezensvreemd aan het doel dat Albert ermee bereiken wil, en daarom zou je het hele verhaal achter elkaar door willen lezen. Alles is onderling nauw verbonden. De natuurlijke chronologie van de dingen is nadrukkelijk doorbroken. Een reeks flashbacks die weer uit nieuwe flashbacks zijn samengesteld vormen een complex bouwwerk waar hoofd- en bijzaken, oorzaken en gevolgen en feiten den fictie door elkaar lopen.

Geheugen

In Vallende Ouders kiest Van der Heijden voor dit leven in de breedte het beeld van een berg, die naar beneden aangroeit. Het oudste deel, de top, is het meest aan slijtage onderhevig. Daar zijn slechts enkele, zeer ijle herinneringen. Daaronder verbreedt het leven zich, steeds meer mos en rollende stenen vergarend, steeds meer in zich opnemend. "Het geheugen was er om te proberen

de weg terug te vinden." Er is een zone waar eeuwig de ijstijd heerst, gevolgd door een kaal rotslandschap en de boomgrens. "De beken zwollen en alles wat ze op hun weg ontmoetten, was mij steeds vertrouwder, tot ziek makens toe."

In de proloog, een relatief dun boekje dat onder de titel De slag om de Blauwbrug aan de drie dikke delen voorafgaat, staat Albert Egberts onderaan de berg. Het is de nacht van 29ste op de 30ste april 1980. De nacht voor Albert dertig wordt de nacht voordat tijdens de historische slag om de Blauwbrug een nieuwe generatie no-future-jongeren aan de oppervlakte komt. Terwijl kraanwagens van de politie druk in de weer zijn om de Amsterdamse binnenstad voor de kroningsfestiviteiten autovrij te maken, trekt de jonge Egberts met een schaar in zijn hand langs de steeds schaarser wordende geparkeerde auto's. Voor zijn heroïne heeft hij geld nodig. Gehaast is hij op zoek naar transistorradio's en cassetterecorders die hem dit geld kunnen opleveren. Tijdens zijn tocht langs de Munt, de Singel en het Rembrandtsplein, een unieke, stemmige beschrijving van de Amsterdamse binnenstad, komen associaties met vrienden en familieleden boven. Hij herinnert zich vorige veijaardagen op koninginnedag, zijn oom Egbert die hielp bij de training van politiehonden, en hij beseft dat er dertig jaar zijn voorbijgegaan buiten hem om: "Geen kind gemaakt, geen trekker overgehaald ... niets, niets."

Verleden

Het is niet moeifijk om in de nu verschenen boeken een veelvoud aan thema's en hoofdlijnen aan te wijzen. Er is het probleem van het onechte vaderschap dat regelmatig terugkee@ er zijn de beschrijvingen van steden alsof het levende wezens zijn, de tegenstelling hoog en laag speelt overal doorheen, de twee elkaar bestrijdende partijen uit de Tweede Wereldoorlog, die via hun zoons nader tot elkaar komen, de rivier van Heraclitus...

Het belangrijkste is zonder twijfel dat Albert Egberts voor eigen gebruik een persoonlijke geschiedschrijving bedrijft die reminiscenties oproept aan de vaderlandse geschiedenis. Hier komt al het andere samen.

Om zichzelf een verleden te scheppen heeft Albert Egberts verschillende mogelijkheden. Allereerst beschrijft hij wat hij zelf heeft meegemaakt. Je zou dit de nieuwste geschiedenis kunnen noemen. De eerste stukken van Vallende Ouders laten het leven zien dat Albert als nfislukkend filosofiestudent in Nijmegen leidde. Zij concentreren zich op een weekend vol feesten en dronkenschap, uitlopend op vechtpartijen met taxichauffeurs, overlast aan de buren en hopeloze liefdes.

Noodgedwongen verhuist hij naar Geldrop waar hij tijdelijk bij zijn ouders intrekt.

De herinneringen die hij hier krijgt zijn niet meer zo authentiek als de vorige. Voor een deel bestaan ze uit verhalen die hij in zijn jeugd zo vaak gehoord moet hebben, dat hij is gaan geloven dat hij zich de gebeurtenissen nog herinnert. Het is een verleden uit de tweede hand: beschrijvingen van zijn geboorte, zijn eerste uitingen. Soms weet hij zelf niet meer hoe hij er aan komt.

Dan volgt wat we de oudere geschiedenis kunnen noemen. Het zijn de gebeurtenissen die Albert zeker gehoord moet hebben. Of hij heeft ze verzonnen. Hoe zijn vader zijn moeder leerde kennen, wat zich misschien tussen zijn moeder en zijn oom Egbert heeft afgespeeld, de geschiedenis van het gezin, van de buurt, de erfelijke afstamming, de politieke verdeeldheid tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Tenslotte is er de oudste geschiedenis. De verhalen over het voorgeslacht. De voorouders, zoals ze uit de overlevering naar voren komen. Hier heeft de mythevorming de vrije hand. Kranige lieden die zich tegen de verdrukking in handhaven konden. Een verslag van overwinning en succes, dat nog steeds een functie heeft.

Al deze lijnen lopen min of meer dood in Albert Egberts. Er is genoeg verleden, maar er is geen toekomst. In zijn studie is Albert vastgelopen. Mocht hij ooit afstuderen dan is er weinig

vooruitzicht op een baan. Een eenvoudig gezinsleven zoals hij dat op het Brabantse land heeft gekend is uitgesloten. De kans op erfelijke afstam@ng is klein. Alle pogingen die Albert in die richting onderneemt lopen op een mislukking uit. De ene keer is hij impotent, de andere keer ligt hij met de stiefinoeder van zijn vriend in bed, of komt de zwangerschap tot een voortijdig einde. Zijn vrienden bekeren zich, de een na de ander, tot de homoseksualiteit.

Onvruchtbaarheid allerwegen. Alle rivieren lopen naar het dal om daar dodelijk tot stilstand te komen.

Generaties

In een interview in deze krant (CS 9-12-1983) heeft A.F.Th. van der Heijden zijn trilogie De Tandeloze Tijd beschreven als de roman van een generatie die te lang kind is gebleven. Ik denk dat deze uitspraak enige nuancering nodig heeft. Voor zover ik het verhaal nu ken - en dat is nog maar voor de kleinste helft - is het eerder de roman van een generatie die in de jaren zestig en zeventig door de democratisering van het onderwijs eindelijk de kans kreeg om naar de Universiteit te gaan. Het is slechts een deel van een hele generatie dertigjarigen. De groep die Van der Heijden door middel van zijn roman laat zien is de groep die op school een ideaalbeeld van de wetenschap kreeg voorgespiegeld, die werd aangespoord door goede perspectieven en ongekende mogelijkheden. Van huis uit kregen ze geen weerbaarheid en geen richting mee, en eemnaal aan de Universiteit misten ze de kracht o@ tegen alle kwade invloeden in, door te groeien.

Bijzonder schrijnend zijn de stukken waarin Van der Heijden laat zien hoe de riante omgeving waarin de jonge student uit Brabant terecht komt vloekt met de zorgzame aandacht die hij van zijn moeder ondervindt. De schaamte en de treurnis over de met levensmiddelen volgepakte tas, wanneer hij zondagsavonds terugkomt in de studentenstad en meteen in een van de kroegen verdwijnt. De dicrepantie die bestaat tussen het wetenschappelijk ideaalbeeld van grote geleerden en de schoolse werkelijkheid. De vervreemding die uit kan gaan van een marxistisch wereldbeeld dat, in tegengestelde richting maar even dwingend als vroeger het prestige-ideaal, het gezelligheidsleven beheerst.

Dat Van der Heijden een junk heeft gekozen als hoofdpersoon is in dit opzicht misschien minder gelukkig. Zoals Tom Lanoye al aantoonde in Rozegeur en Maneschijn (Leuven, 1983) zijn de heroïneverslaafden onder de hedendaagse jeugd een zeer kleine minderheid. Ook onder de (ex) studenten zijn ze schaars. Van der Heijden verklaarde zijn keuze met het argument dat een junk tenminste beweging in zijn leven wil brengen. Dat lijkt me betwistbaar. Ik denk dat het derde deel van de trilogie, waarin Albert Egberts' leven in Amsterdam wordt beschreven, hierover meer duidelijkheid geeft.

Het hoeft natuurlijk ook geen roman van een genratie te zijn. Een roman van een jongeman kan zeker zo goed zijn. A.F. Th. van der Heij den, die tot nu twee niet helemaal geslaagde boeken schreef onder het pseudoniem Patrizio Canaponi, verdient de eer ons te hebben verrijkt met wat waarschijnlijk, als we het standaardwerk van dr. L. de Jong niet meerekenen, het dikste boek sinds de Tweede Wereldoorlog wordt. Van de 1300 bladzijden die de roman in zijn geheel moet gaan tellen zijn er nu een kleine zeshonderd verschenen, die zeer nieuwsgierig maken naar de rest.

Hoe omvangrijk de twee nu verschenen delen ook zijn, er is geen bladzijde geweest die aanleiding gaf tot verveling of ongeduld. Het enige wat me hinderde was toen ik uiteindelijk noodgedwongen stoppen moest.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1