Schrijver Heijden, A.F.Th. van der
Titel Slag om de Blauwbrug, De (De tandeloze tijd; Proloog)
Jaar van uitgave 1983
Bron De Volkskrant
Publicatiedatum 06-01-1984
Recensent Willem Kuipers
Recensietitel Trilogie begint als streekroman van allure
Drie is noch het een noch het ander. Het is meer. Dat laatste moet een oermenselijk trekje aanspreken, de mogelijkheid namelijk om een keus tussen een en twee te ontlopen. Zo'n keus heeft immers iets engs: kiezen voor het een houdt negatie van het ander in. Je ziet kinderen in hun vroegste levensjaren al lijden onder dit probleem. Wil je nu het gele of het blauwe autootje? Nee, je mag er maar een. Je ziet ze hopen dat voor hun ogen die twee in een nieuw groen autootje samensmelten. Een derde weg, die meer openstelt dan die weg: hij verzoent in zeker zin een en twee. Het zijn niet alleen kinderen die zo op uitkomst rekenen.
Het getal drie is zo fundamenteel voor de menselijke geest dat het in de uitingen daarvan steeds weer opduikt. In verhalen, door de eeuwen heen, of dat nu religieuze creaties, sprookjes, sagen of legenden waren. Wie het enorme register van sprookjestypen dat de Fin Antti Aarne met nooit geëvenaarde vlijt samenstelde, erop naslaat, ziet tot in alle uithoeken van de dan bekende wereld vaders met drie zoons, die drie opdrachten krijgen. Drie keer mag je een wens doen en queestes geschiedschrijving maakt gebruik van het getal drie. Gallia est omnis divisa in partes tres, wist Caesar (en deel drie werd bewoond door de Belgen). Antropologen die de geheimen van Derde Wereldculturen voor ons hebben geprobeerd te ontraadselen, stieten veelvuldig op het getal drie, bij voorbeeld daar waar "het derde" als noch het een noch het ander zich verzelfstandigde, zoals bij een grens, die een denkbeeldige lijn is, maar in de praktijk iets zichtbaars wordt: een paal, een niemandsland, een grensgebied.
Trilogie
Een modeme variant van de driedeling is, als het om literatuur gaat, de trilogie. Trygve Gulbranssen. En eeuwig zingen de bossen, Winden waaien om de rotsen, De weg tot elkander. Hele volksstammen hebben, terwijl de was te drogen hing op het rekje rond de kolenhaard en het vuur zachtjes gloeide achter de mica-ruitjes, in zulke landstreken de stormen getrotseerd Toen was geluk heel gewoon.
Het mag een verrassing zijn, zeker als je alleen maar de proloog gelezen hebt, te bemerken dat A. F. Th. van der Heijden, die onder het pseudoniem Patrizio Canaponi zijn naam vestigde als een enigszins decadent auteur, met zijn trilogie De tandeloze tijd bij die wereld aansluiting vindt. Zo althans heb ik het eerste deel van zijn trilogie gelezen, als een ouderwets dik leesboek waarmee je je genietend urenlang kunt afzonderen van je omgeving. Als Thomas á Kempis, een Augustijner monnik, die zoals we weten overal de rust gezocht had, maar deze slechts vond met een "boekxen in een hoekxken".
De tandeloze tijd is het verhaal van Albert Egberts. In de proloog van deze trilogie zwerft hij als
junk door de (nachtelijke) straten van Amsterdam, dat zich op een geheel eigen wijze opmaakt om de kroning van een nieuw koningin te vieren. Het woord zwerven moet hier haast overdrachtelijk gelezen worden want de nadruk ligt al op wat het grote thema van De tandeloze tijd zal blijken: stilstand. Albert Egberts zit en staat vooral stil. Hij verschaft zich met behulp van een schaar toegang tot een auto, toevalligerwij s het voertuig van een invalide, bewaakt door een hond. In een overpeinzing op bladzijde 20 zet hij deze gebeurtenis in een symbolisch licht: "Als de auto's mensen hervonden pantser was, dan bleef het wachten alleen nog op de parasieten, die overeenkomstig hun aard op den duur de huid van elk organisme weten te vinden om erop te teren of in binnen te dringen".
Ffij staat vervolgens op het Rembrandtsplein waar hij wachtend op een taxi de eerste onbeschaamde tekenen van racisme of fascisme in de stad ziet. Efij zoekt bij het Wilhelrnina Gasthuis een oude vriendin op die verpleegster is en met wie hij een kleine rekening te vereffenen heeft. Aan haar gedrag en haar omgeving leest hij de vernietiging van gezondheid af. De verpleegsters gaan na hun nachtdienst niet naar bed, maar laven zich aan alcohol en nicotine. Ten slotte raakt hij verzeild in "de slag om de Blauwbrug", waar krakers de strijd aanbinden met de ME. Zelf blijkt hij niet in staat een steen in de wieken van een laaghangende helikopter te gooien. Een verwijzing naar zijn machteloosheid, die in fysieke termen vertaald als impotentie een belangrijk motief in het eerste deel van de trilogie zal worden.
Deze proloog is een beeld van "de omkering van alle waarden" die de grote stad als magisch centrum van een cultuur in deze tijd te zien geeft: de dag is nacht geworden, de junk Egberts leeft op straat en teert op roof De kroningsdag van het staatshoofd - die tegelijk zijn ve@aardag is - is geen feest, maar een kloppartij tussen de opstandige horde en het ontmenselijkte gezag (vertegenwoordigd door de robotten van de ME). Wat hier in kort bestek zichtbaar wordt is de weerloosheid van het personage Egberts, slechts toegerust met een schaar, en vooral zijn ontheemd-zijn. Dat laatste wordt het leidmotief van het eerste deel van de trilogie, Vallende ouders geheten, waarin behalve van een Vatersuche sprake is van het vinden van een thuis,m een vonn van geborgenheid. De herinneringen aan vroeger, aan het dorp waar hij opgroeide, het Brabantse Geldrop in de agglomeratie Eindhoven - waar hij school ging bij de Augustijnen geven al aan, dat voorzover er een wijkplaats is, deze niet in het heden of de toekomst gezocht moet worden, maar in het verleden. Deze Egberts kan niet vooruit omdat hij zijn eigen verleden als een bagnokogel met zich meezeult.
Amsterdam, Geldrop, maar er is nog een derde plaats van belang: Nijmegen, de stad waar hij heen trok om filosofie te studeren. Drie plaatsen, die symbolisch in verband gebracht worden met drie rivieren: de stilstaande Dommel bij Geldrop, de Waal bij Nijmegen en de Amstel, waarvan het water zich door heel Amsterdam vertakt, de enige stad die het water (als symbool van de beweging die het leven is) overal in zich opgenomen heeft.
De driedeling gaat ook op voor het patroon van menselijke verhoudingen waarbinnen Albert Egberts leeft: in Nijmegen samenwonend met zijn vriend Thjum, zoon van de Poolse-joodse varkenskoning Schwantje die rijk geworden is aan het (vol gifstoffen gespoten) vlees, speelt ook die andere persoon uit zijn jeugd een rol: Felix Boezaardt, een dommekracht die beeldend kunstenaar probeert te worden. Albert neemt tussen beiden, tussen de sierlijke, zich zijn homoseksualiteit nog niet bewuste Thjum en de ruwe "realist" Felix een middenpositie in. En in zekere zin geldt dat ook voor dat andere patroon waarvan hij deel uitmaakt: dat van zijn ouders, de overbescheiden moeder, die zichzelf in niet aflatende dienstbaarheid volledig wegcijfert en daardoor onbereikbaar wordt voor haar zoon en de vader die, constant rokend en drinkend, het al vroeg heeft afgeleerd rechtstreeks tot zijn zoon te spreken.
Dat is het stramien. Daarop borduurt Van der Heijden zijn kleurrijke taferelen, die ons eerst een blik gunnen in het studentenleven te Nijmegen, waarboven de heren Thjum en Albert zich letterlijk verheffen in hun hooggelegen villa aan de Bergendalseweg en hun bijna permanente kater en/of roes, en vervolgens in Egberts "land van herkomst", het Brabantse land, waarin hij steeds meer tot de kern doordringt: een reconstructie van het treurige, annoedige, maar vanzelfsprekende bestaan van zijn vader en moeder te midden van een familie die tal van boertige, bizarre en absurde anekdotes oplevert. Zelfs zijn geboorte herinnert Albert zich, in het opkamertje van zijn grootvader, terwijl zijn vader ladderzat op het kraambed ligt te ronken. Een faniilieroman, of misschien nog meer een streekroman wordt De tandeloze tijd op die manier, maar niet een die om zichzelf verteld wordt: hij is een mixture van liefde en afkeer die verklaart waarom Albert in een geestelijke niemandsland vertoeft, niet vooruit kan, de grens over, maar ook niet terug. Efij is deel van dat wat achterlijke land, van dat klompemakersgeslacht waarin de vaders met hun zaad hun drankzucht in hun nakroost plantten. Ffij kan het niet overdoen. "Het leven is onomkeerbaar als een rivier: het kan maar een kant op. Het kan niet op zijn schreden terugkeren om iets ongedaan te maken, over te doen... Je kunt er maar een keer instappen en een keer uitstappen." Maar deze twee polen harmoniëren niet met de driedeling die aan dit werk ten grondslag ligt. Er moet een derde weg zijn. Het is de weg, die speels en studentikoos door Albert, bijkomend van een kater of zich voorbereidend op een nieuwe, geformuleerd wordt als "leven in de breedte", het tegelijk ervaren van zoveel mogelijk indrukken in een ogenblik, een modernistisch en niet-geëngageerd aspect van deze streekroman, die bij alle kritische toetsen (op de uitbuiting waarvan Alberts familie slachtoffer was, op de milieuvervuiling , de studie, de beeldende kunst, bespot in de persoon van de lomperik Boezaardt) niets heeft van enig sociaal bedoeld realisme. De geest, de verbeelding, de poëzie moet de eigen belevenissen zo herscheppen, dat ze als parels glanzen in een snoer dat alles verbindt in een nieuwe eenheid. Het groene autootje.
Verslaving
Zo springt Van der Heijden om met zijn autobiografie. Meer dan een verklaring op romanniveau van een leven dat moet leiden tot een vorm van verslaving die de stilstand van de dood in zich bergt, wordt De tandeloze tijd (althans in dit eerste deel) een grootse poging een plek om te leven, een "thuis" te creëren.
Het knappe is dat deze plek er zo bewoonbaar uit komt te zien. Je kunt er gemakkelijk uren verwijlen. De treurnis van de streek verkeert onder de trefzekere blik van Van der Heijden in een rijke stroom voorvallen, ontmoetingen en reflecties, die maar heel af en toe de triviale gedaante aannemen die ze voor de niet-poetisch ingestelde zullen hebben. Het is ongelooflijk hoeveel schuilhoeken, raadsels ook, dit stukje van de provincie blijkt te bevatten. Helaas gaan nog niet alle deuren, kasten en bergplaatsen open.
Wie is bij voorbeeld Nfillie Handel, de vrucht van de kortstondige paring tussen de oud-SS'er Egbert Egberts, een broer van Alberts vader, en de Lolita-achtige Gonneke, die vele jaren later door de varkenskoning uit een Lido-bar geplukt wordt om haar tot zijn tweede wettige echtgenote te maken? Zij was de geliefde van Albert, bij wie hij voor het eerst zijn" ongeneeslijke impotentie " ervoer. Sindsdien laat hij zich door vrouwen nemen, bij voorbeeld door de merkwaardige Joegoslavische Leentge die per se een Nederlander wil trouwen omdat ze Nederlandse wil zijn. Zijn kind, zegt ze, is aan haar moffine (mort en fine, de dubbele dood) bezweken. Heeft ook Alberts moeder met oom Egbert gepaard? Is Millie, zijn geliefde, een halfzus van hem? Ook dergelijke intrigerende vragen behoren tot de realiteit van deze trilogie en versterken het karakter van een goed verteld verhaal - maar voorlopig zijn ze niet te beantwoorden. Het wachten is op deel 2. Ik hoop dat het uitkomt voordat ik alle vragen vergeten