Schrijver Hart, Maarten 't

Titel Vlucht regenwulpen, Een : roman

Jaar van uitgave 1978

Bron De Volkskrant

Publicatiedatum 25-11-1978

Recensent Henk Hoeks

Recensietitel Ik en al het andere

Van de literatuur die eind zestiger, begin zeventiger jaren begon te verschijnen, is meer dan eens beweerd dat zij zich weinig bekommerde om de omstandigheden waaronder het schrijven plaats vindt. Niet vreemd aan dit laatste zal het kort daaraan voorafgegane debat geweest zijn waarin de plaats en functie van de literatuur grondig omver werden gehaald en een poging gedaan werd deze opnieuw te definiëren. Van de aanzetten is in de nu verschijnende literatuur nog nauwelijks een spoor terug te vinden. In haar onderwerpkeuze en vormentaal richt zij zich zelfs tegen de toen gefonnuleerde inzichten.

Daarmee is de literatuur weer grotendeels teruggekeerd naar haar geijkte plaats van

vrijblijvendheid . Sedert lang heilig verklaarde literaire thema's en vormen worden opgewarmd en het verbazingwekkende is alleen dat de toeschouwers in groter getale dan ooit toestromen. Maar n-dssclüen hoeft dat niet te verbazen als je bedenkt dat de literatuur hier traditioneel een uitwijkplaats is voor een gedepolitiseerde intelligentsia.

Met zijn roman Een vlucht regenwulpen treedt Maarten 't Hart niet buiten de hoofdstroom van de huidige literatuur. Het thema dat hij behandelt, is het zoeken naar een "gelukkige" eenzaamheid en kan dus "uit het leven gegrepen" genoemd worden. Er is in de letterfijke zin geen groter cliché, het bestaat in alle mogelijke variaties in de "therapeutische" literatuur die dagelijks over ons wordt uitgestort. Op zich hoeft dit nog weinig ten nadele van het boek te zeggen, maar sainen met de haast uitsluitend psychologische uitwerking van het thema, verleent het de roman een nogal conventionele indruk, al steekt deze op sommige punten uit boven wat er in zijn soort verschijnt.

De hoofdlijn van het verhaal is snel verteld. De hoogleraar in de biologie Maarten ontmoet op een huwelijksreceptie van een vriend een meisje dat hem sterk doet denken aan Martha op wie hij op de táddelbare school vruchteloos verliefd was. Als hij het bewuste meisje, dat een zusje van Martha blijkt te zijn, aan huis afzet, maakt hij een afspraak met haar voor de bijwoning van een concert, een danig ingrijpende gebeurtenis voor hern, omdat het, hoewel al dertig jaar oud, de eerste maal in zijn leven is dat hij zoiets doet. Voor die datum moet hij echter eerst naar een wetenschappelijk congres in het Zwitserse Bem waar hij een voordracht moet houden over zijn specialiteit, het kweken van weefsels. Vrijwel direct nadat hij de afspraak met het meisje heeft gemaakt, overvalt hem de dwanggedachte van een spoedige dood, die als een iel stroompje het boek bijeen zal houden, om aan het slot haar beslag te krijgen in zijn haast dodelijk smak van een berghelling.

Het eigenlijke relaas van de held is de geleidefijke onthulling van zijn isolement en zijn pogingen daaraan te ontkomen. De eerste pagina's reppen van hem als iemand die beroemd wil worden, en behept is met mystieke neigingen. Hij houdt er inderdaad een opmerkelijke waarnemingstheorie op na- volgens deze vergroot een gemis, een gevoel van pijn of ongelukkig zijn de

ontvankelijkheid voor de schoonheidservaring. Het zijn deze ervaringen die het leven zinvol maken, maar tegelijk de eenzaamheid van de hoofdpersoon accentueren. Deze theorie werkt in de opbouw van het boek door voorzover het een ordening is van dergelijke ervaringsmomenten. De ontwikkeling van het psychische leven van de hoofdpersoon wordt beschreven aan de hand van de tegenstellingen tussen het ouderlijk huis, een kwekerij in de rietlanden en de school een traditionele locatie in de Nederlandse literatuur, waar ook de jonge Maarten zijn eerste veldslag tegen de domheid in zijn voordeel beslist. In een aantal fragmenten blijkt hij zoveel jaar na dato terug op zijn kindertijd waarin de moeder een overheersende plaats inneemt.

Op een ráddag, roeiend in de rietlanden, stelt hij bij zichzelf vast: "Ik was niet géisoleerder dan anderen, ik had alleen maar minder vertrouwen in de surrogaten die werden aangeprezen als middelen om de eenzaamheid te verdrijven: liefde, vriendschap, gezelligheid. Het enige wat geen surrogaat was, was de vanzelfsprekende, woordeloze intimiteit zoals die bestaan heeft tussen mijn moeder en niij ". Het is deze sprakeloze uitwisseling, uitgekristalliseerd in een beeld, die in zijn verhoudingen steeds terugkee@ en de houding van de hoofdpersoon in de werkelijkheid kenmerkt. Het is een gebiologeerd staren, eerst naar de het haar kammende moeder, een "wonder" waarop hij telkens wacht en waarvan hem niets mag ontgaan, later naar Martha van wie hij zich de eerste maal dat zij zijn aandacht trok herinnert als: "het was of alles één ogenblik stilstond en ik beklemd staarde naar een foto waar ik mijn blik niet vanaf kon houden". Hetzelfde geldt evengoed voor het observeren van de natuur, dat een turen is en hem opheft uit zijn isolement. Op doorreis naar Bem neergestreken in een plaatsje in het Zwarte Woud brengt Maarten het grondpatroon van zijn houding meer filosofisch onder woorden: "Ik voelde mij volledig onkwetsbaar - Het ik was onaantastbaar, het enig werkelijke - al het andere was slechts schijn, werd slechts in stand gehouden omdat ik het wilde, ik zou het op eik gewenst moment kunnen vernietigen. Daar stonden de gebouwen, daar liepen de mensen, maar het was allemaal anders, volledig anders, het had geen deel aan mijn bestaan dat in zichzelf besloten was en door niet tot het ik behorende kleren werd omgeven. Er was maar één tegenstelling: al het andere en ik".

Op dit onversneden egocentrisme is de roman gebouwd. Waarnemen is scheppen luidt een van de klassieke formuleringen, en de wijze van vertellen volgt dit principe.

De hoofdpersoon is tevens verteller zodat wij de werkelijkheid uitsluitend via zijn perspektief ervaren. Ook waar er een enkele keer over hem gesproken word@ is hijzelf aan het woord. Dat brengt onder andere met zich dat het eigenlijk nergens tot een werkelijke behandeling van de efonvrijwdlige " keuze van Maarten voor een solitair bestaan komt. De held krijgt alle kans zich in zijn emoties op te sluiten waardoor de aanknopingspunten voor een verklaring van zijn neiging tot eenzaamheid schaars zijn. Op een enkele plaats trekt hij weliswaar terloops een vergelijking tussen hem en andere eenzamen die hun eenzaamheid verdroegen voor hun idee, hun wetenschappelijke ontdekking. Maar zij wordt nergens uitgediept.

lterin past de afwezigheid van enige ironie bij de hoofdpersoon, zodat een confrontatie met een bestaande wereld die zijn positie anders dan psychologisch reliëf geeft, uitblijft. Veel meer dan een oppervlakkig pessimisme heeft de hoofdpersoon intellectueel gesproken niet in zijn mars.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1